Samenvatting literatuur
Hoi! Ik ben Oana, ik heb ook ooit in jouw schoenen gestaan, en heb hard moeten leren voor
het tentamen van bio- en neuropsychologie. Ik heb zelf deze samenvatting gemaakt en
gebruikt, hopelijk helpt het jou ook voor het halen van een goed cijfer! Onderaan zal ik een
link zetten voor een WRTS-begrippenlijst (of studygo hoe het nu vgm heet) met maar liefst
206(!!) begrippen. Deze is heel handig om te gebruiken voor het echte ‘stampwerk’ en
ervoor te zorgen dat je de begrippen echt goed kent!
Een mini-overzicht
blauwe woorden – dit
zijn begrippen De samenvatting van elk hoofdstuk is gerangschrik op volgorde
deze zullen zijn van de hoorcolleges (jaar 2025), er is gebruik gemaakt van het
verwerkt in WRTS boek biological psychology van James W. Kalat (14e editie)
groene woorden – dit
zijn personen (handig Heel veel succes met het leren!!
voor het overzicht)
, Bio- en neuropsychologie
Hoofdstuk 1 Nerve Cells en Nerve Impulses
Het zenuwstelsel bestaat uit twee soorten cellen:
Neuronen: ontvangen en versturen informatie.
Gliacellen: ondersteunen en beschermen neuronen, regelen chemische omgeving, en spelen een rol in
communicatie.
Alle dierlijke cellen (behalve rode bloedcellen) bevatten:
Celmembraan: regelt welke stoffen de cel in- en uitgaan.
(14)
Celkern: bevat genetisch materiaal. (2)
Mitochondriën: leveren energie. (9)
Ribosomen & endoplasmatisch reticulum: maken
eiwitten. (3 (blauwe puntjes) & 5 en 8)
Neuronen hebben een unieke vorm, bestaande uit:
Soma (cellichaam): bevat kern en organellen.
Dendrieten: ontvangen signalen via synapsen.
Axon: geleidt impulsen naar andere cellen. Kan lang zijn en is soms
omhuld met een myelineschede (geïsoleerd, met knopen van
Ranvier). – maar een per neuron!
Presynaptische terminalen: uiteindes van het axon waar
neurotransmitters vrijkomen.
Speciale termen:
Afferent = aanvoerend naar een structuur (sensorisch).
Efferent = afvoerend van een structuur (motorisch).
Interneuron/intrinsieke neuron = volledig binnen één hersenstructuur actief.
Gliacellen: functies en types
Astrocyten: omhullen synapsen, reguleren ionen en
neurotransmitters, synchroniseren neuronactiviteit,
bevorderen bloedtoevoer.
Microgliacellen: ruimen afval op, verdedigen tegen
pathogenen, verwijderen zwakke synapsen (rol in leren).
Oligodendrocyten (CZS) en Schwann-cellen (PZS):
vormen myelineschede.
Radiale gliacellen: begeleiden neuronmigratie tijdens
ontwikkeling, differentiëren later in andere celtypes;
neuronen, astrocyten of oligodendrocyten.
De Bloed-Hersenbarrière (BHB)
Functie en Belang: De bloed-hersenbarrière is een mechanisme dat voorkomt dat de meeste virussen,
bacteriën en schadelijke stoffen vanuit het bloed de hersenen binnendringen. Het bestaat uit strak tegen
elkaar liggende endotheelcellen in de wanden van de haarvaten in de hersenen. Hierdoor worden
hersencellen beschermd, omdat ze zich – in tegenstelling tot huid- of bloedcellen – nauwelijks kunnen
vernieuwen na schade.
, Waarom is het nodig? Virussen die het lichaam infecteren worden normaal
bestreden doordat het immuunsysteem geïnfecteerde cellen doodt. In de
hersenen zou dit dodelijke gevolgen hebben, omdat neuronen zich nauwelijks
herstellen. De BHB voorkomt dus ernstige hersenschade door veel infecties te
blokkeren.
Wat kan er toch doorheen? Sommige virussen zoals rabies en syfilis weten
de BHB toch te passeren. Microglia – een soort gliacellen – bestrijden deze
indringers, maar dit lukt niet altijd volledig. Zo kunnen herpes- en
waterpokkenvirussen zich jarenlang in zenuwcellen verschuilen en later weer
actief worden.
Hoe werkt de bloed-hersenbarrière? De endotheelcellen (laag cellen aan de
binnenkant van onze bloedvaten) zijn in de hersenen zeer nauw met elkaar
verbonden. Kleine, ongeladen moleculen zoals zuurstof (O₂) en
koolstofdioxide (CO₂) kunnen er vrij doorheen. Ook vetoplosbare stoffen
zoals vitamines A en D, en veel drugs (zoals antidepressiva of heroïne) kunnen makkelijk passeren. Voor
andere stoffen, zoals glucose en aminozuren, zijn er speciale transportmechanismen nodig (actief transport).
Deze pompen essentiële stoffen actief vanuit het bloed de hersenen in.
Beperkingen en problemen:
Voeding: Neuronen zijn sterk afhankelijk van glucose als brandstof, omdat dit de enige stof is die in
grote hoeveelheden de BHB passeert. Glucoseverwerking vereist vitamine B1 (thiamine). Tekorten
hieraan, zoals bij chronisch alcoholisme, kunnen leiden tot Korsakoff’s syndroom (ernstige
geheugenstoornissen).
Ziekten: Bij aandoeningen zoals Alzheimer krimpen de endotheelcellen, waardoor schadelijke stoffen
de hersenen binnen kunnen dringen.
Medicatie: De BHB maakt de behandeling van hersenkanker moeilijk, omdat veel chemotherapie-
medicatie de barrière niet kan passeren.
Geleiding van Zenuwimpulsen & Rustpotentiaal van Neuronen
Snelheid & Compensatie: Impulsen in axonen verplaatsen zich relatief traag (tot 100 m/s), bij visuele
informatie is timing cruciaal: de hersenen compenseren verschillen in afstand tot de hersenen door snellere
impulsgeleiding vanaf verder gelegen delen van het netvlies.
Rustpotentiaal van de Neuron: De rustpotentiaal is het spanningsverschil tussen binnen- en buitenkant van
een neuron in rust, meestal ongeveer –70 mV. Dit ontstaat doordat:
De membraan semi-permeabel is: sommige stoffen kunnen er vrij doorheen (zoals zuurstof en water),
terwijl andere (zoals natrium en kalium) gereguleerd worden.
Selectieve ionkanalen zorgen ervoor dat natrium (Na⁺) en kalium (K⁺) beperkt kunnen passeren.
De natrium-kaliumpomp (actief transport) pompt voortdurend 3 Na⁺ naar buiten en 2 K⁺ naar binnen,
onder verbruik van energie (ATP), waardoor een concentratieverschil ontstaat:
o Natrium: hoger buiten dan binnen.
o Kalium: hoger binnen dan buiten.
Negatief geladen eiwitten in de cel dragen bij aan het negatieve binnenmilieu.
Krachten op ionen:
Voor natrium werken zowel de elektrische als de concentratiegradiënt in de richting naar binnen —
maar de gesloten kanalen houden instroom tegen.
Voor kalium werkt de elektrische gradiënt naar binnen, maar de concentratiegradiënt naar buiten. Dit
leidt tot een klein netto kaliumverlies dat deels gecompenseerd wordt door de pomp.
, Chloride (Cl⁻) is vooral buiten de cel aanwezig. In rust zijn elektrische en concentratiegradiënt in
evenwicht, dus het openen van Cl⁻-kanalen heeft in rust weinig effect.
Waarom een rustpotentiaal? Het lichaam investeert energie in het in stand houden van de rustpotentiaal
omdat dit de neuron voorbereid op snelle reactie. Door de bestaande gradiënten kan natrium bij stimulatie
snel naar binnen stromen, wat leidt tot een actiepotentiaal (+40mV). de drempelwaarde om een
actiepotentiaal te laten ontstaan is -50mV.
In rust is de binnenkant van het axon negatief t.o.v. de buitenkant.
Hyperpolarisatie: toenemende negatieve lading binnen het neuron.
Depolarisatie: vermindering van de negatieve lading (richting 0mV).
Drempelwaarde en Actiepotentiaal
Wanneer de depolarisatie een kritieke drempelwaarde bereikt, openen
spanningsafhankelijke natriumkanalen.
Natriumionen (Na⁺) stromen massaal naar binnen → snelle stijging van het membraanpotentiaal
(tot ca. +30 à +40 mV).
Dit is het actiepotentiaal: een alles-of-niets-reactie.
Vervolgens sluiten natriumkanalen en openen kaliumkanalen (K⁺) → kalium stroomt naar buiten
→ repolarisatie en kortstondige hyperpolarisatie.
>Als de drempel bereikt wordt, is de amplitude en snelheid van het actiepotentiaal altijd hetzelfde. Sterkere
stimuli veroorzaken niet grotere of snellere actiepotentialen. Informatie over stimulussterkte wordt
gecodeerd via de frequentie en ritme van actiepotentialen.
Ionenkanalen en de Moleculaire Basis
Spanningsafhankelijke kanalen openen/sluiten bij verandering in membraanpotentiaal.
In rust: Na⁺ buiten, K⁺ binnen.
Bij drempel: Na⁺-kanalen open → Na⁺ stroomt naar binnen.
Op piek: Na⁺-kanalen sluiten, K⁺-kanalen blijven open → K⁺ stroomt naar buiten → herstel van
rustpotentiaal.
> Natrium-kaliumpomp (Na⁺/K⁺-pomp) herstelt ionenbalans op de lange termijn.
Propagatie van het Actiepotentiaal
Positieve lading verspreidt zich langs het axon → depolariseert aangrenzende gebieden → nieuw
actiepotentiaal ontstaat daar.
> Dit proces heet propagatie: actiepotentiaal “plant zich voort” langs het axon zonder verlies van sterkte.
> Teruggeleiding (back-propagatie) naar dendrieten/cellichaam kan leiden tot structurele veranderingen bij
leren.
Absolute refractaire periode (~1 ms): geen nieuw actiepotentiaal mogelijk.
Relatieve refractaire periode (~2–4 ms): nieuw actiepotentiaal
alleen mogelijk bij sterkere prikkel.
> Refractaire periodes zorgen dat actiepotentiaal één richting op
gaat.
Myeline: vetachtige isolatielaag rond axonen, onderbroken
door knopen van Ranvier
Actiepotentiaal springt van knoop naar knoop → saltatoire geleiding: sneller en energiezuiniger.
> Bij aandoeningen zoals Multiple Sclerose raakt de myeline beschadigd → actiepotentiaal geleidt niet
goed → neurologische symptomen.