Samenvatting wetenschapsfilosofie
Hoofdstuk 1 - Risjord - introduction
1.1 Wat is de filosofie van de sociale wetenschappen?
De filosofie van de sociale wetenschappen richt zich op fundamentele vragen over de
menselijke natuur en samenleving. Hoewel disciplines zoals antropologie, sociologie,
economie en psychologie zich in de 19e eeuw losmaakten van de filosofie, blijven hun
theorieën verbonden met denkers als Plato en Mill. De filosofie van de sociale
wetenschappen onderzoekt filosofische vraagstukken door zich te verdiepen in het
empirische onderzoek naar de menselijke samenleving.
Drie kernvragen staan centraal:
● Normativiteit: Wat is de rol van waarden in sociaal-wetenschappelijk onderzoek?
Kan sociale wetenschap objectief zijn, gezien haar nauwe verbondenheid met
sociaal beleid? Daarnaast onderzoekt ze de oorsprong en functie van normen en
regels.
● Naturalisme: Hoe verhoudt de sociale wetenschap zich tot de
natuurwetenschappen? Moeten ze hun methoden volgen, of vereist de
menswetenschap een andere benadering?
● Reductionisme: Hoe verhouden sociale structuren zich tot individuen? Hebben
organisaties en instituten een eigen causale kracht, of kunnen sociale verschijnselen
volledig worden verklaard via individuele keuzes en overtuigingen?
→ Uiteindelijk gaan deze vragen over onze plek in het universum: wat is de bron van
waarde, hoe verhoudt de mens zich tot de natuur, en wat kunnen we eigenlijk weten?
Democratische Vrede
Moderne democratie ontstond in de late 18e en vroege 19e eeuw, waarbij burgers steeds
meer inspraak kregen in politiek en bestuur. Filosofen zoals Immanuel Kant stelden dat
democratieën minder geneigd zouden zijn tot oorlog, omdat burgers de kosten ervan zelf
dragen en dus rationeel zouden afwegen of oorlog noodzakelijk is. Uit
sociaalwetenschappelijk onderzoek blijkt dat democratieën over het algemeen niet minder
oorlogszuchtig zijn, maar ze voeren zelden oorlog tegen elkaar. Dit sterke patroon heeft
geleid tot de theorie van de democratische vrede, die sommigen zelfs als een wet binnen
de sociale wetenschappen beschouwen.
→ Kant zijn theorie benadrukt de rol van individuele besluitvorming, terwijl veel
onderzoekers juist kijken naar de invloed van politieke instellingen op oorlog en vrede. Dit
debat raakt bredere filosofische vragen, zoals: kunnen menselijke gebeurtenissen worden
verklaard door algemene wetten? En bestaan gemeenschappen als entiteiten buiten de
individuen die ze vormen?
Azande Hekserij
Bij de Azande, een etnische groep in Centraal-Afrika, onderzocht E.E. Evans-Pritchard hoe
zij hekserij en magie interpreteerden. De Azande geloofden dat heksen ongeluk konden
veroorzaken, en ze gebruikten orakels en wraakmagie om heksen te identificeren en
straffen. Maar dit systeem leidde tot tegenstrijdigheden—een familie kon een heks doden,
waarna de verwanten van die persoon een nieuwe heks aanwezen als schuldige. Dit zou
moeten leiden tot een oneindige cyclus van vergelding, maar in de praktijk bleven orakels en
wraakmagie geheim binnen families.
→ Dit onderzoek vond plaats in een bredere discussie over primitieve rationaliteit.
Sommige vroege antropologen zagen niet-westerse denkpatronen als minder ontwikkeld,
terwijl Evans-Pritchard geloofde dat alle mensen dezelfde intellectuele vermogens hebben.
De Azande lijken onlogisch voor buitenstaanders, maar misschien begrijpen we hun manier
,van denken nog niet volledig. Dit roept filosofische vragen op: Kunnen we echt weten wat er
in de geest van anderen omgaat? Is rationaliteit universeel, of cultureel bepaald?
Vrijheidsstrijders en Meeliftgedrag
Rosa Parks weigerde haar busstoel af te staan, terwijl anderen dat wel deden. Dit illustreert
het free rider-probleem: sociale bewegingen vereisen dat individuen risico’s nemen, terwijl
anderen profiteren zonder zelf actie te ondernemen. De oplossing wordt gezocht in twee
visies op menselijke natuur:
- Liberalisme – Mensen worden gezien als autonome individuen die hun eigenbelang
nastreven. Sociale samenwerking komt tot stand door normen en wetten die
individueel voordeel koppelen aan collectieve actie. Dit roept vragen op, zoals:
waarom volgen mensen normen die tegen hun eigenbelang ingaan?
- Communitarisme – Mensen worden primair gezien als sociale wezens die zich
identificeren met hun gemeenschap en waarden. Dit brengt de vraag naar voren: hoe
kan een individu normen en tradities doorbreken om sociale verandering teweeg te
brengen?
1.2. A Tour of the Philosophical Neighborhood
Filosofie wordt vaak onderverdeeld in drie domeinen:
1. Waarde-theorie – Onderzoekt de bron en rechtvaardiging van waarden en normen.
2. Epistemologie – Bestudeert kennis en hoe deze wordt gerechtvaardigd.
3. Metafysica – Onderzoekt de fundamentele aard van de werkelijkheid, zoals
causaliteit en rationaliteit.
De filosofie van sociale wetenschap raakt aan al deze domeinen, omdat het vragen
onderzoekt die voortkomen uit de studie van menselijk gedrag en samenleving. Het veld
kent geen strikte afbakening, omdat filosofische vragen met elkaar verweven zijn. Wel zijn er
drie terugkerende thema’s: normativiteit, naturalisme, en reductionisme.
Normativiteit en Waardevrijheid
Sociale wetenschappen bestuderen niet alleen de normen en waarden van samenlevingen,
maar worden ook beïnvloed door de normen van de onderzoekers zelf.
→ Een centrale vraag is of sociale wetenschappen waardevrij kunnen zijn. Veel filosofen
denken van niet—politieke en morele overtuigingen spelen altijd een rol. Dit roept de vraag
op: Kunnen sociale wetenschappen objectief zijn, ondanks waarde-invloeden?
Daarnaast zijn sommige onderzoeksvelden expliciet politiek, zoals kritische theorie en
feministische studies, die sociale verandering nastreven. Zij proberen ongelijkheid te
verminderen en sociale rechtvaardigheid te bevorderen. Dit dwingt ons na te denken over
wat "objectiviteit" werkelijk betekent. Als we deze velden als "niet-wetenschappelijk"
bestempelen, moeten we dan ook andere onderzoeksmethoden herzien?
Naast deze methodologische vragen spelen normen ook een belangrijke rol in de verklaring
van menselijk gedrag. Sociaalwetenschappelijke theorieën stellen dat normen en gedeelde
waarden mensen kunnen motiveren om actie te ondernemen, ondanks het free rider-
probleem (waarbij individuen profijt hebben van sociale verandering zonder zelf risico te
nemen). Dit brengt filosofische vragen met zich mee:
● Wat zijn normen precies, en hoe beïnvloeden ze individuele en collectieve acties?
● Zijn normen puur cultureel bepaald, of bestaan ze als abstracte principes buiten
individuen?
Deze vragen verbinden sociale wetenschappen met waarde-theorie, en worden verder
uitgewerkt in dit boek.
Naturalisme
Een kernvraag is of sociale wetenschappen dezelfde methoden als natuurwetenschappen
moeten volgen. Naturalisten vinden dat sociale wetenschappen empirische en kwantitatieve
,methoden moeten gebruiken, terwijl anti-naturalisten pleiten voor unieke benaderingen
zoals kwalitatief onderzoek.
Er zijn twee vormen van naturalisme:
1. Epistemologisch naturalisme – Richt zich op theorie en methoden. Sommige
onderzoekers vinden dat sociale wetenschappen wiskundig en modelmatig moeten
werken, anderen benadrukken historische en contextuele interpretaties.
2. Metafysisch naturalisme – stelt dat mensen deel uitmaken van de natuurlijke
wereld en moeten worden begrepen via dezelfde mechanismen als dieren. Anti-
naturalisten, zoals Descartes, geloven dat menselijke geest en samenleving iets
unieks bezitten dat buiten de natuur valt. Het gaat dus over de plaats van de mens in
de natuur.
Belangrijke debatten gaan over causaliteit, rationaliteit en wetten in sociale wetenschappen.
Bijvoorbeeld, de democratische vrede-hypothese stelt een causale relatie tussen democratie
en vrede, maar is dat een wet zoals in de natuurkunde? Daarnaast vragen filosofen zich af
of sociale wetenschappen menselijk handelen kunnen verklaren zoals natuurwetenschappen
natuurverschijnselen beschrijven.
Reductionisme
Reductionisme onderzoekt of sociale wetenschappen kunnen worden teruggebracht tot
psychologie, biologie of uiteindelijk fysica. Filosofen stellen vaak een hiërarchie voor waarin
natuurwetenschappen de basis vormen en hogere wetenschappen daarop voortbouwen.
→ Reductionisme kent twee vormen:
1. Epistemologisch reductionisme – Theorieën op een hoger niveau kunnen worden
vervangen door theorieën op een lager niveau. Bijvoorbeeld, sociologische
verklaringen kunnen uiteindelijk psychologisch worden herleid.
2. Metafysisch reductionisme – Sociale entiteiten bestaan niet als onafhankelijke
entiteiten, maar zijn slechts verzamelingen van individuen. Een reductionist zou
stellen dat geesten niet bestaan, alleen breinen.
Een belangrijk debat in de sociale wetenschappen is methodologisch individualisme, dat
stelt dat sociale gebeurtenissen moeten worden verklaard door individuele keuzes en
overtuigingen. Reductionisten geloven dat sociale structuren zoals staten en scholen niets
meer zijn dan patronen van individueel handelen. Game theory helpt dit te analyseren door
individuele beslissingen te modelleren. → Toch stellen sommige onderzoeken, zoals in
gedragseconomie en cognitieve psychologie, dat mensen vaak irrationeel handelen en hun
gedrag niet volledig te reduceren is tot individuele keuzes. Dit leidt tot vragen over sociale
fenomenen zoals normen en samenwerking.
Anti-reductionisten, vaak holisten genoemd, wijzen op fenomenen die moeilijk individueel
verklaard kunnen worden, zoals normativiteit en sociale rollen. Een leraar is meer dan een
individu; sociale rollen en status worden “geconstrueerd” binnen menselijke interacties. Ras
is een ander voorbeeld: ooit beschouwd als een biologische categorie, wordt het nu als een
sociale constructie gezien.
Een ander debat draait om collectieve acties, zoals revoluties of gezamenlijke doelen.
Kunnen ze worden begrepen als optelsom van individuele handelingen, of bestaat er een
vorm van gezamenlijke intentionaliteit?
→ Kortom, reductionisme onderzoekt of sociale wetenschappen volledig kunnen worden
herleid tot individuen en natuurwetenschappelijke processen, en hoe sociale fenomenen
moeten worden begrepen.
Hoofdstuk 2 - Objectivity,Values, and the Possibility of a Social Science
De vraag of de sociale wetenschappen waardegeladen (value-laden) of waardevrij (value-
free) moeten zijn, heeft zowel praktische als conceptuele dimensies. In de praktijk zou
, waardegeladen onderzoek vermoedelijk de bruikbaarheid van sociaalwetenschappelijke
resultaten voor sociaal-politieke doeleinden ondermijnen. Waardevrijheid betekent dat
wetenschappelijke resultaten niet kunnen worden betwist door mensen met andere politieke
belangen. Als de sociale wetenschappen daarentegen waardegeladen zijn, moeten we hun
relatie met sociaal beleid heroverwegen. Conceptueel gezien gaat de kwestie van
waardenvrijheid over het karakter van de wetenschap zelf. Als de wetenschappen
waardegeladen zijn, hoe kunnen we dan onderscheid maken tussen goede en slechte
wetenschap?
2.1. The Ideal of Value-Freedom
Je moet je twee dingen afvragen:
1. Hoe beïnvloeden de waarden de wetenschap?
2. Welke waarden spelen hierbij een rol?
Een manier waarop waarden wetenschappelijk onderzoek kunnen beïnvloeden, is bv
wanneer ze de keuze van conclusies direct motiveren. Stel dat een redacteur van een
tijdschrift weigert resultaten te publiceren die indruisen tegen zijn of haar politieke
opvattingen. Dit soort gedrag is een duidelijke epistemische mislukking.
Sterke stelling van waardenvrijheid: Wetenschap is objectief in zoverre waarden geen rol
spelen in wetenschappelijk onderzoek.
→ Dit is een ideaalbeeld voor wetenschap, geen beschrijving van hoe die in de praktijk
wordt bedreven. Voorstanders van de Sterke Stelling erkennen dat veel sociale
wetenschappen niet aan deze norm voldoen.
Epistemische waarde: wanneer het bijdraagt aan goede wetenschap. Epistemische
waarden maken deel uit van de normen en standaarden voor goed wetenschappelijk
redeneren.
Niet-epistemische waarden: Waardenvrijheid vereist de uitsluiting van morele en politieke
waarden.
→ Zowel epistemische als niet-epistemische waarden spelen een rol bij de keuze van de
methodologie van de volkstelling.
Constitutieve waarden: zijn noodzakelijk voor een activiteit. Ze vormen de activiteit van
binnenuit, om zo te zeggen, en de activiteit kan niet plaatsvinden zonder toewijding aan
constitutieve waarden.
Contextuele waarden: maken deel uit van de omgeving. Ze kunnen de activiteit
vormgeven, maar ze zijn niet noodzakelijk voor de uitvoering ervan.
→ Een niet-wetenschappelijk voorbeeld van dit onderscheid is de verschillende rollen van
esthetische waarden en geld in de podiumkunsten. Een vervormde gitaar kan goed klinken
voor rockmuziek, maar vreselijk voor folkmuziek. Deze waarden zijn dus constitutief voor de
uitvoering. Wanneer de uitvoering andere doelen dient, zoals het verdienen van geld voor de
artiesten, spelen andere waarden een rol. Het feit dat publiek bijvoorbeeld eerder naar
uitvoeringen komt wanneer bepaalde nummers worden gespeeld, kan de keuzes van de
artiest beïnvloeden. Op deze manier worden de waarden die bij de context horen, van
invloed op de activiteit, ook al zijn ze daarvoor niet noodzakelijk.
Of niet-epistemische waarden de objectiviteit van sociaalwetenschappelijk onderzoek
ondermijnen, hangt af van of ze contextueel of constitutief zijn. Men zou kunnen stellen dat
contextuele waarden de betrouwbaarheid van wetenschappelijke resultaten niet altijd
ondermijnen. Wetenschap, zelfs de sociale wetenschappen, is duur. Politieke waarden
bepalen welke onderzoeksprojecten gefinancierd worden en welke niet. Ondermijnt dit de
objectiviteit van de sociale wetenschappen? Men zou kunnen stellen dat dit niet het geval is,
zolang de politieke waarden contextueel blijven.
Hoofdstuk 1 - Risjord - introduction
1.1 Wat is de filosofie van de sociale wetenschappen?
De filosofie van de sociale wetenschappen richt zich op fundamentele vragen over de
menselijke natuur en samenleving. Hoewel disciplines zoals antropologie, sociologie,
economie en psychologie zich in de 19e eeuw losmaakten van de filosofie, blijven hun
theorieën verbonden met denkers als Plato en Mill. De filosofie van de sociale
wetenschappen onderzoekt filosofische vraagstukken door zich te verdiepen in het
empirische onderzoek naar de menselijke samenleving.
Drie kernvragen staan centraal:
● Normativiteit: Wat is de rol van waarden in sociaal-wetenschappelijk onderzoek?
Kan sociale wetenschap objectief zijn, gezien haar nauwe verbondenheid met
sociaal beleid? Daarnaast onderzoekt ze de oorsprong en functie van normen en
regels.
● Naturalisme: Hoe verhoudt de sociale wetenschap zich tot de
natuurwetenschappen? Moeten ze hun methoden volgen, of vereist de
menswetenschap een andere benadering?
● Reductionisme: Hoe verhouden sociale structuren zich tot individuen? Hebben
organisaties en instituten een eigen causale kracht, of kunnen sociale verschijnselen
volledig worden verklaard via individuele keuzes en overtuigingen?
→ Uiteindelijk gaan deze vragen over onze plek in het universum: wat is de bron van
waarde, hoe verhoudt de mens zich tot de natuur, en wat kunnen we eigenlijk weten?
Democratische Vrede
Moderne democratie ontstond in de late 18e en vroege 19e eeuw, waarbij burgers steeds
meer inspraak kregen in politiek en bestuur. Filosofen zoals Immanuel Kant stelden dat
democratieën minder geneigd zouden zijn tot oorlog, omdat burgers de kosten ervan zelf
dragen en dus rationeel zouden afwegen of oorlog noodzakelijk is. Uit
sociaalwetenschappelijk onderzoek blijkt dat democratieën over het algemeen niet minder
oorlogszuchtig zijn, maar ze voeren zelden oorlog tegen elkaar. Dit sterke patroon heeft
geleid tot de theorie van de democratische vrede, die sommigen zelfs als een wet binnen
de sociale wetenschappen beschouwen.
→ Kant zijn theorie benadrukt de rol van individuele besluitvorming, terwijl veel
onderzoekers juist kijken naar de invloed van politieke instellingen op oorlog en vrede. Dit
debat raakt bredere filosofische vragen, zoals: kunnen menselijke gebeurtenissen worden
verklaard door algemene wetten? En bestaan gemeenschappen als entiteiten buiten de
individuen die ze vormen?
Azande Hekserij
Bij de Azande, een etnische groep in Centraal-Afrika, onderzocht E.E. Evans-Pritchard hoe
zij hekserij en magie interpreteerden. De Azande geloofden dat heksen ongeluk konden
veroorzaken, en ze gebruikten orakels en wraakmagie om heksen te identificeren en
straffen. Maar dit systeem leidde tot tegenstrijdigheden—een familie kon een heks doden,
waarna de verwanten van die persoon een nieuwe heks aanwezen als schuldige. Dit zou
moeten leiden tot een oneindige cyclus van vergelding, maar in de praktijk bleven orakels en
wraakmagie geheim binnen families.
→ Dit onderzoek vond plaats in een bredere discussie over primitieve rationaliteit.
Sommige vroege antropologen zagen niet-westerse denkpatronen als minder ontwikkeld,
terwijl Evans-Pritchard geloofde dat alle mensen dezelfde intellectuele vermogens hebben.
De Azande lijken onlogisch voor buitenstaanders, maar misschien begrijpen we hun manier
,van denken nog niet volledig. Dit roept filosofische vragen op: Kunnen we echt weten wat er
in de geest van anderen omgaat? Is rationaliteit universeel, of cultureel bepaald?
Vrijheidsstrijders en Meeliftgedrag
Rosa Parks weigerde haar busstoel af te staan, terwijl anderen dat wel deden. Dit illustreert
het free rider-probleem: sociale bewegingen vereisen dat individuen risico’s nemen, terwijl
anderen profiteren zonder zelf actie te ondernemen. De oplossing wordt gezocht in twee
visies op menselijke natuur:
- Liberalisme – Mensen worden gezien als autonome individuen die hun eigenbelang
nastreven. Sociale samenwerking komt tot stand door normen en wetten die
individueel voordeel koppelen aan collectieve actie. Dit roept vragen op, zoals:
waarom volgen mensen normen die tegen hun eigenbelang ingaan?
- Communitarisme – Mensen worden primair gezien als sociale wezens die zich
identificeren met hun gemeenschap en waarden. Dit brengt de vraag naar voren: hoe
kan een individu normen en tradities doorbreken om sociale verandering teweeg te
brengen?
1.2. A Tour of the Philosophical Neighborhood
Filosofie wordt vaak onderverdeeld in drie domeinen:
1. Waarde-theorie – Onderzoekt de bron en rechtvaardiging van waarden en normen.
2. Epistemologie – Bestudeert kennis en hoe deze wordt gerechtvaardigd.
3. Metafysica – Onderzoekt de fundamentele aard van de werkelijkheid, zoals
causaliteit en rationaliteit.
De filosofie van sociale wetenschap raakt aan al deze domeinen, omdat het vragen
onderzoekt die voortkomen uit de studie van menselijk gedrag en samenleving. Het veld
kent geen strikte afbakening, omdat filosofische vragen met elkaar verweven zijn. Wel zijn er
drie terugkerende thema’s: normativiteit, naturalisme, en reductionisme.
Normativiteit en Waardevrijheid
Sociale wetenschappen bestuderen niet alleen de normen en waarden van samenlevingen,
maar worden ook beïnvloed door de normen van de onderzoekers zelf.
→ Een centrale vraag is of sociale wetenschappen waardevrij kunnen zijn. Veel filosofen
denken van niet—politieke en morele overtuigingen spelen altijd een rol. Dit roept de vraag
op: Kunnen sociale wetenschappen objectief zijn, ondanks waarde-invloeden?
Daarnaast zijn sommige onderzoeksvelden expliciet politiek, zoals kritische theorie en
feministische studies, die sociale verandering nastreven. Zij proberen ongelijkheid te
verminderen en sociale rechtvaardigheid te bevorderen. Dit dwingt ons na te denken over
wat "objectiviteit" werkelijk betekent. Als we deze velden als "niet-wetenschappelijk"
bestempelen, moeten we dan ook andere onderzoeksmethoden herzien?
Naast deze methodologische vragen spelen normen ook een belangrijke rol in de verklaring
van menselijk gedrag. Sociaalwetenschappelijke theorieën stellen dat normen en gedeelde
waarden mensen kunnen motiveren om actie te ondernemen, ondanks het free rider-
probleem (waarbij individuen profijt hebben van sociale verandering zonder zelf risico te
nemen). Dit brengt filosofische vragen met zich mee:
● Wat zijn normen precies, en hoe beïnvloeden ze individuele en collectieve acties?
● Zijn normen puur cultureel bepaald, of bestaan ze als abstracte principes buiten
individuen?
Deze vragen verbinden sociale wetenschappen met waarde-theorie, en worden verder
uitgewerkt in dit boek.
Naturalisme
Een kernvraag is of sociale wetenschappen dezelfde methoden als natuurwetenschappen
moeten volgen. Naturalisten vinden dat sociale wetenschappen empirische en kwantitatieve
,methoden moeten gebruiken, terwijl anti-naturalisten pleiten voor unieke benaderingen
zoals kwalitatief onderzoek.
Er zijn twee vormen van naturalisme:
1. Epistemologisch naturalisme – Richt zich op theorie en methoden. Sommige
onderzoekers vinden dat sociale wetenschappen wiskundig en modelmatig moeten
werken, anderen benadrukken historische en contextuele interpretaties.
2. Metafysisch naturalisme – stelt dat mensen deel uitmaken van de natuurlijke
wereld en moeten worden begrepen via dezelfde mechanismen als dieren. Anti-
naturalisten, zoals Descartes, geloven dat menselijke geest en samenleving iets
unieks bezitten dat buiten de natuur valt. Het gaat dus over de plaats van de mens in
de natuur.
Belangrijke debatten gaan over causaliteit, rationaliteit en wetten in sociale wetenschappen.
Bijvoorbeeld, de democratische vrede-hypothese stelt een causale relatie tussen democratie
en vrede, maar is dat een wet zoals in de natuurkunde? Daarnaast vragen filosofen zich af
of sociale wetenschappen menselijk handelen kunnen verklaren zoals natuurwetenschappen
natuurverschijnselen beschrijven.
Reductionisme
Reductionisme onderzoekt of sociale wetenschappen kunnen worden teruggebracht tot
psychologie, biologie of uiteindelijk fysica. Filosofen stellen vaak een hiërarchie voor waarin
natuurwetenschappen de basis vormen en hogere wetenschappen daarop voortbouwen.
→ Reductionisme kent twee vormen:
1. Epistemologisch reductionisme – Theorieën op een hoger niveau kunnen worden
vervangen door theorieën op een lager niveau. Bijvoorbeeld, sociologische
verklaringen kunnen uiteindelijk psychologisch worden herleid.
2. Metafysisch reductionisme – Sociale entiteiten bestaan niet als onafhankelijke
entiteiten, maar zijn slechts verzamelingen van individuen. Een reductionist zou
stellen dat geesten niet bestaan, alleen breinen.
Een belangrijk debat in de sociale wetenschappen is methodologisch individualisme, dat
stelt dat sociale gebeurtenissen moeten worden verklaard door individuele keuzes en
overtuigingen. Reductionisten geloven dat sociale structuren zoals staten en scholen niets
meer zijn dan patronen van individueel handelen. Game theory helpt dit te analyseren door
individuele beslissingen te modelleren. → Toch stellen sommige onderzoeken, zoals in
gedragseconomie en cognitieve psychologie, dat mensen vaak irrationeel handelen en hun
gedrag niet volledig te reduceren is tot individuele keuzes. Dit leidt tot vragen over sociale
fenomenen zoals normen en samenwerking.
Anti-reductionisten, vaak holisten genoemd, wijzen op fenomenen die moeilijk individueel
verklaard kunnen worden, zoals normativiteit en sociale rollen. Een leraar is meer dan een
individu; sociale rollen en status worden “geconstrueerd” binnen menselijke interacties. Ras
is een ander voorbeeld: ooit beschouwd als een biologische categorie, wordt het nu als een
sociale constructie gezien.
Een ander debat draait om collectieve acties, zoals revoluties of gezamenlijke doelen.
Kunnen ze worden begrepen als optelsom van individuele handelingen, of bestaat er een
vorm van gezamenlijke intentionaliteit?
→ Kortom, reductionisme onderzoekt of sociale wetenschappen volledig kunnen worden
herleid tot individuen en natuurwetenschappelijke processen, en hoe sociale fenomenen
moeten worden begrepen.
Hoofdstuk 2 - Objectivity,Values, and the Possibility of a Social Science
De vraag of de sociale wetenschappen waardegeladen (value-laden) of waardevrij (value-
free) moeten zijn, heeft zowel praktische als conceptuele dimensies. In de praktijk zou
, waardegeladen onderzoek vermoedelijk de bruikbaarheid van sociaalwetenschappelijke
resultaten voor sociaal-politieke doeleinden ondermijnen. Waardevrijheid betekent dat
wetenschappelijke resultaten niet kunnen worden betwist door mensen met andere politieke
belangen. Als de sociale wetenschappen daarentegen waardegeladen zijn, moeten we hun
relatie met sociaal beleid heroverwegen. Conceptueel gezien gaat de kwestie van
waardenvrijheid over het karakter van de wetenschap zelf. Als de wetenschappen
waardegeladen zijn, hoe kunnen we dan onderscheid maken tussen goede en slechte
wetenschap?
2.1. The Ideal of Value-Freedom
Je moet je twee dingen afvragen:
1. Hoe beïnvloeden de waarden de wetenschap?
2. Welke waarden spelen hierbij een rol?
Een manier waarop waarden wetenschappelijk onderzoek kunnen beïnvloeden, is bv
wanneer ze de keuze van conclusies direct motiveren. Stel dat een redacteur van een
tijdschrift weigert resultaten te publiceren die indruisen tegen zijn of haar politieke
opvattingen. Dit soort gedrag is een duidelijke epistemische mislukking.
Sterke stelling van waardenvrijheid: Wetenschap is objectief in zoverre waarden geen rol
spelen in wetenschappelijk onderzoek.
→ Dit is een ideaalbeeld voor wetenschap, geen beschrijving van hoe die in de praktijk
wordt bedreven. Voorstanders van de Sterke Stelling erkennen dat veel sociale
wetenschappen niet aan deze norm voldoen.
Epistemische waarde: wanneer het bijdraagt aan goede wetenschap. Epistemische
waarden maken deel uit van de normen en standaarden voor goed wetenschappelijk
redeneren.
Niet-epistemische waarden: Waardenvrijheid vereist de uitsluiting van morele en politieke
waarden.
→ Zowel epistemische als niet-epistemische waarden spelen een rol bij de keuze van de
methodologie van de volkstelling.
Constitutieve waarden: zijn noodzakelijk voor een activiteit. Ze vormen de activiteit van
binnenuit, om zo te zeggen, en de activiteit kan niet plaatsvinden zonder toewijding aan
constitutieve waarden.
Contextuele waarden: maken deel uit van de omgeving. Ze kunnen de activiteit
vormgeven, maar ze zijn niet noodzakelijk voor de uitvoering ervan.
→ Een niet-wetenschappelijk voorbeeld van dit onderscheid is de verschillende rollen van
esthetische waarden en geld in de podiumkunsten. Een vervormde gitaar kan goed klinken
voor rockmuziek, maar vreselijk voor folkmuziek. Deze waarden zijn dus constitutief voor de
uitvoering. Wanneer de uitvoering andere doelen dient, zoals het verdienen van geld voor de
artiesten, spelen andere waarden een rol. Het feit dat publiek bijvoorbeeld eerder naar
uitvoeringen komt wanneer bepaalde nummers worden gespeeld, kan de keuzes van de
artiest beïnvloeden. Op deze manier worden de waarden die bij de context horen, van
invloed op de activiteit, ook al zijn ze daarvoor niet noodzakelijk.
Of niet-epistemische waarden de objectiviteit van sociaalwetenschappelijk onderzoek
ondermijnen, hangt af van of ze contextueel of constitutief zijn. Men zou kunnen stellen dat
contextuele waarden de betrouwbaarheid van wetenschappelijke resultaten niet altijd
ondermijnen. Wetenschap, zelfs de sociale wetenschappen, is duur. Politieke waarden
bepalen welke onderzoeksprojecten gefinancierd worden en welke niet. Ondermijnt dit de
objectiviteit van de sociale wetenschappen? Men zou kunnen stellen dat dit niet het geval is,
zolang de politieke waarden contextueel blijven.