Introductie gedragswetenschappen
Opbouw cursus
1. Studenten presentaties (20%)
2. Paper opdracht (40%)
- Kort Paper (1200-1500 woorden, geen 10% marge!)
- Toepassen & vergelijken 2 benaderingen in relatie tot maatschappelijk probleem, bv:
gokverslaving, zinloos geweld, discriminatie.
- Zie de cursushandleiding H7 voor een uitgebreide beschrijving.
Deadlines (9:00 ‘s ochtends)
- Outline paper naar docent: 16 december 2024
- 1e versie paper (peer feedback): 6 januari 2025
- Eindversie: 15 januari 2025
3. Tentamen (40%)
→ Alles moet minstens 5.5 zijn. Je mag 2 werkgroepen missen met een goede reden, vooraf
mailen docent. Vanaf de 3e keer mag je niet meer meedoen met de cursus.
Hoe bestudeer je het boek?
- Let op hoofdlijnen. Wat is de kern, en hoe hangt de rest daarmee samen?
- Wat zijn de sterke/zwakke punten van deze benadering?
- Hoe verschilt deze benadering van de anderen?
13 november 2024: werkgroep 1 → Gedrag en psychologie - biologische benadering
Hoofdstuk 1: Behavior and psychology
Psychologie is de wetenschappelijke studie van gedrag van het individu en het innerlijk leven dat
daarmee samenhangt (bv percepties, attitudes). Schema: mentaal kader dat kennis, attituden en
verwachtingen organiseert en wordt gebruikt om gedrag te sturen. Bv restaurant, slaapkamer,
stereotypen. Nuttig maar ook risicovol door het verstoren van de realiteit. “Believing is seeing”.
Confirmation bias: de neiging van mensen om te focussen op informatie die overeenkomt met hun
mening en om tegengestelde informatie te negeren.
Hoofdstuk 2: Biologische benadering
Materialisme: al het gedrag heeft een fysiologische basis → de hersenen. Erfelijkheid: gedrag is
erfelijk, het zit in de genen. Psychoactieve drug: chemische substantie die een zichtbare uitwerking
heeft op mentale staat en gedrag (bv antidepressiva). Split brain research. Stress: perceptie
situatie → stressor? → stressreactie (cortisol) → immuunsysteem. Placebo effect.
20 november 2024: werkgroep 2 → Behaviorisme
Hoofdstuk 3: Behaviorisme
Reinforcers en reinforcement → bekrachtigers en bekrachtiging → hoort bij iets aanleren niet iets
afleren. Bekrachtigers zijn de stimuli (S). Bekrachtiger: stimulus die volgend op een respons de
kans op herhaling van dezelfde respons verandert. Positieve bekrachtiger: positieve
stimulans/plezierige stimulus die door toedienen de kans op een bepaalde respons vergroot.
Negatieve bekrachtiger: negatieve stimulans/onplezierige stimulus die door toedienen de kans op
een bepaalde respons verkleint. Toedienen positieve bekrachtiger → toename respons. Toedienen
negatieve bekrachtiger → afname respons.
, Reinforcement: proces waarbij reinforcer/bekrachtiger (= stimulus) de kans op een bepaalde
respons vergroot. Reinforcement gaat altijd over de toename van een respons! De termen positief
en negatief bij reinforcement gaan over het toedienen vs wegnemen van een positieve vs
negatieve reinforcer met als doel een toename van een bepaalde respons! Toedienen positieve
reinforcer → toename respons = positieve reinforcement. Wegnemen negatieve reinforcer →
toename respons = negatieve reinforcement. Let goed op het verschil tussen reinforcer en
reinforcing. Pagina 115 schema in het boek goed weten!!!!
Positieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het toedienen van een
plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer). Bv als je aardig bent voor je zusje dan krijg je
een snoepje. Negatieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het wegnemen
van een onplezierige stimulus (stimulus = negatieve reinforcer). Bv ik stop pas met zeuren als je
aardig bent voor je zusje
Straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het toedienen van een onplezierige stimulus
(stimulus = negatieve reinforcer). Bv als je niet aardig bent voor je zusje dan krijg je een tik.
Omissie of positieve straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het wegnemen van een
plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer). Bv als je niet aardig bent voor je zusje dan
mag je een week lang geen TV kijken.
Klassiek conditioneren
Conditioneren = leren (een link leggen tussen stimulus en respons). Klassiek conditioneren:
reflexmatige respons. Hoe nieuwe stimuli (S) onvrijwillige responsen (reflexen) kunnen controleren,
als gevolg van leren. Operant conditioneren: vrijwillige respons. Hoe vrijwillige responsen (R)
veranderen door de consequenties (gevolgen) die zij hebben (S = reinforcers). Bv: vechten met je
broer of zus (R) → tik van je ouders (S) → niet meer vechten R.
Op basis van deze behavioristische principes zijn een aantal vormen van gedragstherapie populair
geworden:
- Systematic Desensitization: specifiek voor angsten en fobieën. Dit is het stapsgewijs
blootstellen van het individu aan het gevreesde object/situatie in combinatie met
relaxatietechnieken.
- Exposure therapy: voor angsten en fobieën, maar daarnaast ook gericht op het voorkomen
van het vermijden van bepaalde situaties en gedragingen. Dit wordt gedaan met shaping
en chaining. Shaping is het belonen van gedrag dat steeds dichter bij het uiteindelijk
Opbouw cursus
1. Studenten presentaties (20%)
2. Paper opdracht (40%)
- Kort Paper (1200-1500 woorden, geen 10% marge!)
- Toepassen & vergelijken 2 benaderingen in relatie tot maatschappelijk probleem, bv:
gokverslaving, zinloos geweld, discriminatie.
- Zie de cursushandleiding H7 voor een uitgebreide beschrijving.
Deadlines (9:00 ‘s ochtends)
- Outline paper naar docent: 16 december 2024
- 1e versie paper (peer feedback): 6 januari 2025
- Eindversie: 15 januari 2025
3. Tentamen (40%)
→ Alles moet minstens 5.5 zijn. Je mag 2 werkgroepen missen met een goede reden, vooraf
mailen docent. Vanaf de 3e keer mag je niet meer meedoen met de cursus.
Hoe bestudeer je het boek?
- Let op hoofdlijnen. Wat is de kern, en hoe hangt de rest daarmee samen?
- Wat zijn de sterke/zwakke punten van deze benadering?
- Hoe verschilt deze benadering van de anderen?
13 november 2024: werkgroep 1 → Gedrag en psychologie - biologische benadering
Hoofdstuk 1: Behavior and psychology
Psychologie is de wetenschappelijke studie van gedrag van het individu en het innerlijk leven dat
daarmee samenhangt (bv percepties, attitudes). Schema: mentaal kader dat kennis, attituden en
verwachtingen organiseert en wordt gebruikt om gedrag te sturen. Bv restaurant, slaapkamer,
stereotypen. Nuttig maar ook risicovol door het verstoren van de realiteit. “Believing is seeing”.
Confirmation bias: de neiging van mensen om te focussen op informatie die overeenkomt met hun
mening en om tegengestelde informatie te negeren.
Hoofdstuk 2: Biologische benadering
Materialisme: al het gedrag heeft een fysiologische basis → de hersenen. Erfelijkheid: gedrag is
erfelijk, het zit in de genen. Psychoactieve drug: chemische substantie die een zichtbare uitwerking
heeft op mentale staat en gedrag (bv antidepressiva). Split brain research. Stress: perceptie
situatie → stressor? → stressreactie (cortisol) → immuunsysteem. Placebo effect.
20 november 2024: werkgroep 2 → Behaviorisme
Hoofdstuk 3: Behaviorisme
Reinforcers en reinforcement → bekrachtigers en bekrachtiging → hoort bij iets aanleren niet iets
afleren. Bekrachtigers zijn de stimuli (S). Bekrachtiger: stimulus die volgend op een respons de
kans op herhaling van dezelfde respons verandert. Positieve bekrachtiger: positieve
stimulans/plezierige stimulus die door toedienen de kans op een bepaalde respons vergroot.
Negatieve bekrachtiger: negatieve stimulans/onplezierige stimulus die door toedienen de kans op
een bepaalde respons verkleint. Toedienen positieve bekrachtiger → toename respons. Toedienen
negatieve bekrachtiger → afname respons.
, Reinforcement: proces waarbij reinforcer/bekrachtiger (= stimulus) de kans op een bepaalde
respons vergroot. Reinforcement gaat altijd over de toename van een respons! De termen positief
en negatief bij reinforcement gaan over het toedienen vs wegnemen van een positieve vs
negatieve reinforcer met als doel een toename van een bepaalde respons! Toedienen positieve
reinforcer → toename respons = positieve reinforcement. Wegnemen negatieve reinforcer →
toename respons = negatieve reinforcement. Let goed op het verschil tussen reinforcer en
reinforcing. Pagina 115 schema in het boek goed weten!!!!
Positieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het toedienen van een
plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer). Bv als je aardig bent voor je zusje dan krijg je
een snoepje. Negatieve reinforcement: toename van het (gewenste) gedrag door het wegnemen
van een onplezierige stimulus (stimulus = negatieve reinforcer). Bv ik stop pas met zeuren als je
aardig bent voor je zusje
Straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het toedienen van een onplezierige stimulus
(stimulus = negatieve reinforcer). Bv als je niet aardig bent voor je zusje dan krijg je een tik.
Omissie of positieve straf: afname van het (ongewenste) gedrag door het wegnemen van een
plezierige stimulus (stimulus = positieve reinforcer). Bv als je niet aardig bent voor je zusje dan
mag je een week lang geen TV kijken.
Klassiek conditioneren
Conditioneren = leren (een link leggen tussen stimulus en respons). Klassiek conditioneren:
reflexmatige respons. Hoe nieuwe stimuli (S) onvrijwillige responsen (reflexen) kunnen controleren,
als gevolg van leren. Operant conditioneren: vrijwillige respons. Hoe vrijwillige responsen (R)
veranderen door de consequenties (gevolgen) die zij hebben (S = reinforcers). Bv: vechten met je
broer of zus (R) → tik van je ouders (S) → niet meer vechten R.
Op basis van deze behavioristische principes zijn een aantal vormen van gedragstherapie populair
geworden:
- Systematic Desensitization: specifiek voor angsten en fobieën. Dit is het stapsgewijs
blootstellen van het individu aan het gevreesde object/situatie in combinatie met
relaxatietechnieken.
- Exposure therapy: voor angsten en fobieën, maar daarnaast ook gericht op het voorkomen
van het vermijden van bepaalde situaties en gedragingen. Dit wordt gedaan met shaping
en chaining. Shaping is het belonen van gedrag dat steeds dichter bij het uiteindelijk