Sociologie
Les 1 - Voorbereiding
Literatuur
Weenink, D., Rusinovic, K., Wilterdink, N. & Heerikhuizen, B. van (2017). Samenlevingen. Inleiding
in de sociologie. Groningen: Noordhoff Uitgevers
• Bestudeer hoofdstuk 1, paragraaf 5 sub paragraaf 1
• Bestudeer hoofdstuk 2, paragraaf 1, sub paragraaf 1 en 2
• Bestudeer hoofdstuk 2, paragraaf 7 t/m sub paragraaf 2
• Bestudeer hoofdstuk 6, paragraaf 1 en 2
Samenvatting:
Fundamentele afhankelijkheid van anderen: Mensen die afhankelijk zijn van de zorg van
anderen.
Ferale kinderen: Kinderen die groot gebracht zijn door dieren.
Interdependentie: Onderlinge afhankelijkheid en samenhang
Contract theorieën: verbond, sociaal contract
Kritiek op de contract theorieën: er werd ontkent dat er ooit een tijd was dat mensen
onafhankelijk van elkaar zouden hebben geleefd.
Durkheim; sociale voorwaarden voor individualisme: voorwaarden waaronder het gevoel van
individuele autonomie zich kon ontwikkelen. Sterke arbeidsdeling en centraal staatsgezag.
Onderlinge afhankelijkheid en macht: mensen beïnvloeden elkaar dwingend, er wordt macht
over elkaar uitgeoefend.
Asymmetrische verhoudingen: wanneer iemand in hogere mate afhankelijk is van de ander.
Degene die het minst afhankelijk is heeft het meeste macht.
Individualisering: mensen laten zich bij belangrijke keuzes minder leiden door hun directe sociale
omgeving.
Bindingen: Waar mensen afhankelijk van zijn; economisch, politiek, cognitief, sociaal.
Kenmerken van jagers en verzamelaars-samenlevingen:
- Kleine samenlevingen
- Enkele tientallen mensen die door huwelijk en verwantschap met elkaar zijn verbonden
- Geen centraal politiek gezag (staatloos)
- Ongelijkheid in macht en bezit is relatief klein
- Lokale groep is economisch in hoge mate zelfvoorzienend
- Geografische mobiliteit : groepen vestigen zich op een plek voor een bepaalde tijd om na enige
tijd naar een nieuwe plek te vertrekken met meer voedsel.
- Geringe arbeidsdeling : arbeidsdeling naar sekse en leeftijd, jagen (of vissen) wordt gedaan
door de mannen terwijl vrouwen zich meer bezig houden met verzamelen, voedsel bereiding en
verzorging van kinderen. Kinderen gaan pas werken vanaf een bepaalde leeftijd zodat ze wel
gaan bijdragen aan deze samenlevingsvorm.
- Geringe sociale differentiatie, culturele homogeniteit is groot.
- Beperkt bezit van materiële goederen
- Accumulatie ( het langzaam opslaan van materiaal of bijvoorbeeld energie, met als doel het op
een later tijdstip weer te gebruiken) van bezit is nauwelijks mogelijk
Veranderingen in jagers en verzamelaars-samenlevingen:
- Veranderingen op laag tempo, onder invloed van het natuurlijk milieu, migratie, contacten met
andere samenlevingen, technologische en andere culturele vernieuwingen.
- Vernieuwingen die de overlevingskansen vergrootten waren vooral de uitvinding, verbreiding en
verbetering van werktuigen zoals bijlen, speren, houwelen pijl en boog, touwen en visnetten.
- Ingrijpende veranderingen vonden plaats door de agrarische revolutie
- Machtigere, complexere, omvangrijkere samenlevingen namen het over door de revolutie.
,Overgang naar landbouw en veeteelt:
Temperaturen stegen na de ijstijd en gebieden werden rijp voor gewas.
Aan alleen jagen en verzamelen hadden mensen niet meer voldoende, er moest gewas worden
geteeld om te eten.
Agrarische revolutie:
Een proces van opeenvolgende vernieuwingen.
Shifting cultivation - door het kappen en verbranden van bomen wordt telkens nieuwe grond
ontgonnen.
Maatschappelijke differentiatie: Mensen verschillen in arbeid, kennis, houdingen en oriëntaties,
status en privileges van elkaar.
Bezitsaccumulatie:
Schrift:
Arbeidsverhoudingen
1. Betrekkingen/relatie tussen mensen in arbeidsorganisaties
2. De positie van verschillende mensen op de arbeidsmarkt
3. Verhoudingen tussen georganiseerde belangengroepen op het gebied van
arbeidsvoorwaarden, zoals vakbonden en werkgeversorganisaties
Disciplinering van arbeid -> vervreemding - Taylor en scientific management (taylorisme ):
productieve taken moesten volgens zijn leer in de meest elementaire handelingen worden
uitgesplitst, werknemers moesten door een uitgekiend stelsel van materiële prikkels tot
maximale prestaties worden gebracht, het arbeidstempo moest met behulp van regelmatige
metingen zo hoog mogelijk worden opgevoerd (rigoureuze scheiding tussen planning en
uitvoering, managers en arbeiders, waarbij aan de laatsten vrijwel ieder initiatief ontnomen
wordt);
- Uitvoering van Taylors visie werd uiteindelijk ook wel fordisme genoemd;
Organisatiecultuur: de normen, waarden, idealen, rituelen en gewoonten die in de onderneming
gangbaar zijn.
Fordisme: Massaproductie in grote gestructureerde bedrijven. Een strikte scheiding tussen
planning, controle en uitvoering. Hoge mate van baan- en inkomenszekerheid voor werknemers.
overgang naar Postfordisme: Productie gaat veel meer plaatsvinden in kleinere, verspreide
bedrijfseenheden met een flexibele taakstelling organisatiecultuur en deels vlottend, flexibel
personeelsbestand.
Flexibilisering: Groei van het aantal werknemers met tijdelijke contracten, groei van aantal
zzp’ers.
Ontwikkelingen in de kwaliteit van de arbeid: Blauner met zijn driefasentheorie stelt dat de
kwaliteit van de arbeid in de overgang van ambachtelijke naar gemechaniseerde productie
eerst verslechtert, maar vervolgens bij verdere automatisering weer verbetert: de
eenvoudigste handelingen worden dan steeds meer door machines overgenomen, zodat het
werk minder routinematig wordt;
- Degradatiethese van Braverman: industrieel-kapitalistische verhoudingen brengen
voortgaande arbeidssplitsing, taakvereenvoudiging en verscherpte controle van bovenaf met
zich mee.
Arbeidsmarkt: de afhankelijkheidsverhoudingen tussen grote aantallen mensen in hun
hoedanigheid van vragers en aanbieders van betaalde arbeid.
, Ongelijke kansen op de arbeidsmarkt.
De arbeidsmarkt is gesegmenteerd (segmentatie): zij bestaat uit verschillende categorieën
vragers en aanbieders, die min of meer gescheiden segmenten of deelmarkten vormen.
Volgens de theorie van de dubbele arbeidsmarkt kunnen in de arbeidsmarkt van moderne
industrieel-kapitalistische samenlevingen grosso modo twee segmenten onderscheiden
worden onderscheiden:
- ‘primair’ segment bestaande uit arbeidsposities met relatief gunstige
arbeidsvoorwaarden, betrekkelijk hoge lonen, pensioenvoorzieningen en garanties tegen
ontslag
- ‘secundair’ segment bestaande uit laagbetaalde, onzekere arbeidsposities waarvoor
weinig of geen scholing is vereist.
Soorten werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid = werkloosheid die verloopt volgens onbeheerste
conjunctuurcycli van toe- en afnemende bedrijvigheid, heeft te maken met de stand van de
economie.
Frictiewerkloosheid = het feit dat vraag en aanbod in verschillende segmenten van de
arbeidsmarkt onvoldoende op elkaar zijn afgestemd.
Structurele werkloosheid = werkloosheid ontstaan door industriële ontwikkelingen op lange
termijn, zoals automatisering en verplaatsing van productie naar elders.
Gevolgen van werkloosheid zijn: sociaal, psychisch, de kans bestaat dat men in een vicieuze
cirkel terecht komt.
Industrialisering en vorming van vakbonden, die opkomen voor de rechten van de arbeider en
hun loonpositie verbeteren: regulering klassenstrijd, in Nederland al snel uitermate
vergevorderd.
Door de toename van werkloosheid heeft er een verzwakking van de vakbeweging
plaatsgevonden
Voorwaarden voor het ontstaan van stratificatie:
1. Arbeidsindeling 1. Jachtsamenleving
2. Surplusproductie 2. Agrarische samenleving
3. Surpus toe-eigening 3. Industriële samenleving
Sociale ongelijkheid ( Hoger & Lager ) is de ongelijke verdeling over personen en groepen van
zaken die belangrijk worden geacht in een samenleving en de ongelijke waardering en
behandeling van hen op basis van maatschappelijke positie en leefstijl. Ook rechten en plichten
zijn niet gelijkelijk verdeeld. Verschillen in macht en daarmee verbonden sociale privileges.
Sociale stratificatie is het indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen waartussen
een ongelijkheidsverhouding bestaat. Het indelen gebeurt op basis van sociale categorieën, zoals
geslacht, opleidingsniveau of etniciteit. De verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit
gezinnen, families of huishoudens bestaande groeperingen waartussen
ongelijkheidsverhoudingen bestaan en waarvan het lidmaatschap althans ten dele sociaal erfelijk
is.
Voorwaarden voor het ontstaan van Sociale stratificatie
- Surplusproductie
- Arbeidsdeling
Meer of minder eenzijdige afhankelijkheid = wanneer 2 mensen in dezelfde mate van elkaar
afhankelijk zijn.Ze oefenen macht op elkaar uit zonder dat er sprake is van een machtsverschil. De
een heeft hier en daar de overmacht, dan weer de ander. Het wisselt elkaar af.
Machtsoverwicht = wanneer de een meer macht heeft dan de ander.
Les 1 - Voorbereiding
Literatuur
Weenink, D., Rusinovic, K., Wilterdink, N. & Heerikhuizen, B. van (2017). Samenlevingen. Inleiding
in de sociologie. Groningen: Noordhoff Uitgevers
• Bestudeer hoofdstuk 1, paragraaf 5 sub paragraaf 1
• Bestudeer hoofdstuk 2, paragraaf 1, sub paragraaf 1 en 2
• Bestudeer hoofdstuk 2, paragraaf 7 t/m sub paragraaf 2
• Bestudeer hoofdstuk 6, paragraaf 1 en 2
Samenvatting:
Fundamentele afhankelijkheid van anderen: Mensen die afhankelijk zijn van de zorg van
anderen.
Ferale kinderen: Kinderen die groot gebracht zijn door dieren.
Interdependentie: Onderlinge afhankelijkheid en samenhang
Contract theorieën: verbond, sociaal contract
Kritiek op de contract theorieën: er werd ontkent dat er ooit een tijd was dat mensen
onafhankelijk van elkaar zouden hebben geleefd.
Durkheim; sociale voorwaarden voor individualisme: voorwaarden waaronder het gevoel van
individuele autonomie zich kon ontwikkelen. Sterke arbeidsdeling en centraal staatsgezag.
Onderlinge afhankelijkheid en macht: mensen beïnvloeden elkaar dwingend, er wordt macht
over elkaar uitgeoefend.
Asymmetrische verhoudingen: wanneer iemand in hogere mate afhankelijk is van de ander.
Degene die het minst afhankelijk is heeft het meeste macht.
Individualisering: mensen laten zich bij belangrijke keuzes minder leiden door hun directe sociale
omgeving.
Bindingen: Waar mensen afhankelijk van zijn; economisch, politiek, cognitief, sociaal.
Kenmerken van jagers en verzamelaars-samenlevingen:
- Kleine samenlevingen
- Enkele tientallen mensen die door huwelijk en verwantschap met elkaar zijn verbonden
- Geen centraal politiek gezag (staatloos)
- Ongelijkheid in macht en bezit is relatief klein
- Lokale groep is economisch in hoge mate zelfvoorzienend
- Geografische mobiliteit : groepen vestigen zich op een plek voor een bepaalde tijd om na enige
tijd naar een nieuwe plek te vertrekken met meer voedsel.
- Geringe arbeidsdeling : arbeidsdeling naar sekse en leeftijd, jagen (of vissen) wordt gedaan
door de mannen terwijl vrouwen zich meer bezig houden met verzamelen, voedsel bereiding en
verzorging van kinderen. Kinderen gaan pas werken vanaf een bepaalde leeftijd zodat ze wel
gaan bijdragen aan deze samenlevingsvorm.
- Geringe sociale differentiatie, culturele homogeniteit is groot.
- Beperkt bezit van materiële goederen
- Accumulatie ( het langzaam opslaan van materiaal of bijvoorbeeld energie, met als doel het op
een later tijdstip weer te gebruiken) van bezit is nauwelijks mogelijk
Veranderingen in jagers en verzamelaars-samenlevingen:
- Veranderingen op laag tempo, onder invloed van het natuurlijk milieu, migratie, contacten met
andere samenlevingen, technologische en andere culturele vernieuwingen.
- Vernieuwingen die de overlevingskansen vergrootten waren vooral de uitvinding, verbreiding en
verbetering van werktuigen zoals bijlen, speren, houwelen pijl en boog, touwen en visnetten.
- Ingrijpende veranderingen vonden plaats door de agrarische revolutie
- Machtigere, complexere, omvangrijkere samenlevingen namen het over door de revolutie.
,Overgang naar landbouw en veeteelt:
Temperaturen stegen na de ijstijd en gebieden werden rijp voor gewas.
Aan alleen jagen en verzamelen hadden mensen niet meer voldoende, er moest gewas worden
geteeld om te eten.
Agrarische revolutie:
Een proces van opeenvolgende vernieuwingen.
Shifting cultivation - door het kappen en verbranden van bomen wordt telkens nieuwe grond
ontgonnen.
Maatschappelijke differentiatie: Mensen verschillen in arbeid, kennis, houdingen en oriëntaties,
status en privileges van elkaar.
Bezitsaccumulatie:
Schrift:
Arbeidsverhoudingen
1. Betrekkingen/relatie tussen mensen in arbeidsorganisaties
2. De positie van verschillende mensen op de arbeidsmarkt
3. Verhoudingen tussen georganiseerde belangengroepen op het gebied van
arbeidsvoorwaarden, zoals vakbonden en werkgeversorganisaties
Disciplinering van arbeid -> vervreemding - Taylor en scientific management (taylorisme ):
productieve taken moesten volgens zijn leer in de meest elementaire handelingen worden
uitgesplitst, werknemers moesten door een uitgekiend stelsel van materiële prikkels tot
maximale prestaties worden gebracht, het arbeidstempo moest met behulp van regelmatige
metingen zo hoog mogelijk worden opgevoerd (rigoureuze scheiding tussen planning en
uitvoering, managers en arbeiders, waarbij aan de laatsten vrijwel ieder initiatief ontnomen
wordt);
- Uitvoering van Taylors visie werd uiteindelijk ook wel fordisme genoemd;
Organisatiecultuur: de normen, waarden, idealen, rituelen en gewoonten die in de onderneming
gangbaar zijn.
Fordisme: Massaproductie in grote gestructureerde bedrijven. Een strikte scheiding tussen
planning, controle en uitvoering. Hoge mate van baan- en inkomenszekerheid voor werknemers.
overgang naar Postfordisme: Productie gaat veel meer plaatsvinden in kleinere, verspreide
bedrijfseenheden met een flexibele taakstelling organisatiecultuur en deels vlottend, flexibel
personeelsbestand.
Flexibilisering: Groei van het aantal werknemers met tijdelijke contracten, groei van aantal
zzp’ers.
Ontwikkelingen in de kwaliteit van de arbeid: Blauner met zijn driefasentheorie stelt dat de
kwaliteit van de arbeid in de overgang van ambachtelijke naar gemechaniseerde productie
eerst verslechtert, maar vervolgens bij verdere automatisering weer verbetert: de
eenvoudigste handelingen worden dan steeds meer door machines overgenomen, zodat het
werk minder routinematig wordt;
- Degradatiethese van Braverman: industrieel-kapitalistische verhoudingen brengen
voortgaande arbeidssplitsing, taakvereenvoudiging en verscherpte controle van bovenaf met
zich mee.
Arbeidsmarkt: de afhankelijkheidsverhoudingen tussen grote aantallen mensen in hun
hoedanigheid van vragers en aanbieders van betaalde arbeid.
, Ongelijke kansen op de arbeidsmarkt.
De arbeidsmarkt is gesegmenteerd (segmentatie): zij bestaat uit verschillende categorieën
vragers en aanbieders, die min of meer gescheiden segmenten of deelmarkten vormen.
Volgens de theorie van de dubbele arbeidsmarkt kunnen in de arbeidsmarkt van moderne
industrieel-kapitalistische samenlevingen grosso modo twee segmenten onderscheiden
worden onderscheiden:
- ‘primair’ segment bestaande uit arbeidsposities met relatief gunstige
arbeidsvoorwaarden, betrekkelijk hoge lonen, pensioenvoorzieningen en garanties tegen
ontslag
- ‘secundair’ segment bestaande uit laagbetaalde, onzekere arbeidsposities waarvoor
weinig of geen scholing is vereist.
Soorten werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid = werkloosheid die verloopt volgens onbeheerste
conjunctuurcycli van toe- en afnemende bedrijvigheid, heeft te maken met de stand van de
economie.
Frictiewerkloosheid = het feit dat vraag en aanbod in verschillende segmenten van de
arbeidsmarkt onvoldoende op elkaar zijn afgestemd.
Structurele werkloosheid = werkloosheid ontstaan door industriële ontwikkelingen op lange
termijn, zoals automatisering en verplaatsing van productie naar elders.
Gevolgen van werkloosheid zijn: sociaal, psychisch, de kans bestaat dat men in een vicieuze
cirkel terecht komt.
Industrialisering en vorming van vakbonden, die opkomen voor de rechten van de arbeider en
hun loonpositie verbeteren: regulering klassenstrijd, in Nederland al snel uitermate
vergevorderd.
Door de toename van werkloosheid heeft er een verzwakking van de vakbeweging
plaatsgevonden
Voorwaarden voor het ontstaan van stratificatie:
1. Arbeidsindeling 1. Jachtsamenleving
2. Surplusproductie 2. Agrarische samenleving
3. Surpus toe-eigening 3. Industriële samenleving
Sociale ongelijkheid ( Hoger & Lager ) is de ongelijke verdeling over personen en groepen van
zaken die belangrijk worden geacht in een samenleving en de ongelijke waardering en
behandeling van hen op basis van maatschappelijke positie en leefstijl. Ook rechten en plichten
zijn niet gelijkelijk verdeeld. Verschillen in macht en daarmee verbonden sociale privileges.
Sociale stratificatie is het indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen waartussen
een ongelijkheidsverhouding bestaat. Het indelen gebeurt op basis van sociale categorieën, zoals
geslacht, opleidingsniveau of etniciteit. De verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit
gezinnen, families of huishoudens bestaande groeperingen waartussen
ongelijkheidsverhoudingen bestaan en waarvan het lidmaatschap althans ten dele sociaal erfelijk
is.
Voorwaarden voor het ontstaan van Sociale stratificatie
- Surplusproductie
- Arbeidsdeling
Meer of minder eenzijdige afhankelijkheid = wanneer 2 mensen in dezelfde mate van elkaar
afhankelijk zijn.Ze oefenen macht op elkaar uit zonder dat er sprake is van een machtsverschil. De
een heeft hier en daar de overmacht, dan weer de ander. Het wisselt elkaar af.
Machtsoverwicht = wanneer de een meer macht heeft dan de ander.