Midterm belastingrecht
Hoorcollege week 1
Belasting: alle betalingen die de overheid op grond van een publiekrechtelijke
regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die
regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van een
privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene
regels vordert.
Er zijn twee soorten belastingen:
- Indirecte belasting: belasting die door een derde geheven wordt en is
kostprijsverhogend zoals btw en accijnzen
- Directe belasting: belasting die direct geheven wordt over het vermogen
(loon- en inkomstenbelasting)
De centrale overheid, provincies en gemeenten heffen los van elkaar ook
belastingen. Zo heffen enkele gemeenten hondenbelasting
De historie van belastingen:
De Romeinen hebben belastingen geïntroduceerd. De mensen die in
veroverde landen woonden moesten belasting betalen. Enkel de
inwonende van Rome hoefden geen belasting te betalen, andere boeren en
burgers wel. Grondbelasting was een directe heffing , gebaseerd op de
oppervlakte die een span ossen per dag kon ploegen. Vruchtbare grond
werd zwaarder belast dan droge grond (= draagkrachtbeginsel)
In de middeleeuwen gingen mensen steeds meer samenleven. Hierdoor
ontstond er behoefte aan collectieve voorzieningen. Mensen gingen
belastingen betalen om deze collectieve uitgaven te kunnen bekostigen.
Enkel de laagste klassen betaalde belasting. De adel (door militaire dienst)
en geestelijken (door gebeden) hadden hiervoor een vrijstelling.
Noodzakelijke levensbehoeften werden belast met accijns. Deze belasting
werd gebruikt om de vorst te betalen, maar ook voor stadsuitgaven.
Tijdens de Franse Revolutie met het heersen van Alva werden er drie
soorten belastingen ingevoerd
o De tiende penning. Dit was een soort btw. Omzetbelasting van 10%
op de verkoop van roerende zaken. Leidde tot de Tachtigjarige
Oorlog
o De twintigste penning. Omzetbelasting van 5% op de verkoop van
onroerende zaken
o De honderdste penning. Eenmalig 1% afdracht over alle roerende en
onroerende bezittingen
In de Gouden Eeuw toen de Republiek der Zeven Nederlanden ontstond,
was er nog geen samenhangend algemeen belastingstelsel. Er waren
alleen convooien en licenten (in- en uitvoerrechten)
Belastingheffing ten tijde van de Franse Bezetting werd het eerste
belastingstelsel ingevoerd door Gogel. Privileges werden afgeschaft en de
belastingheffing werd eerlijk verdeeld. Rijken betaalden meer en armen
minder. Accijns op levensbehoeften werd deels afgeschaft
, Belastingheffing in het Koninkrijk der Nederlanden: Willem I liet
indirecte belastingen verdwijnen en bereidde directe belastingen uit.
Nederland ging belasten op basis van inkomst, winst en vermogen. Er werd
een onderscheid gemaakt tussen bedrijfswinsten/arbeidsinkomsten en
vermogensinkomsten.
In 1914 voerde minister Treub de wet inkomstenbelasting in waarbij
inkomsten uit verschillende bronnen verder samengevoegd en belast
tegen een uniform tarief (synthetisch stelsel). Het vermogen werd belast in
de vermogensbelasting.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er verschillende stelsels
geïntroduceerd. Het besluit inkomstenbelasting 1941 belastte de reële
inkomsten, en niet meer de fictieve. Ook werd de bronnentheorie
geïntroduceerd: alleen inkomsten uit permanente bronnen worden belast,
geen opbrengsten.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam er eerst vermogensheffing om inflatie,
zwarte handel en oorlogswinsten aan te pakken, daarna de
anticumulatieregeling (= er mag niet meer dan 80% van het inkomen
afgedragen worden) en ten slotte de Wet inkomstenbelasting 2001
Soorten belastingen:
- Inkomstenbelasting: belast het inkomen
- Loonbelasting: belast het loon
- Vennootschapsbelasting: belast de winst van een vennootschap
- Dividendbelasting: belast dividenduitkeringen
- Omzetbelasting: belast de bruto verkoopprijs
Het doel van belastingen:
- Budgettaire functie: het dekken van de overheidsuitgaven
- Instrumentele functie: het ordenen van de maatschappij (milieu,
kinderen etc.) door gedrag uit te lokken vanuit de maatschappij
o Principiële grens: maatregel mag geen inbreuk maken op
rechtsbeginselen en moet overtuigend gemotiveerd worden
o Praktische grens: de doeltreffendheid (wordt het doel bereikt?) en
de doelmatigheid (proportioneel?) moeten in acht worden genomen
Bijvoorbeeld door middel van de vliegbelasting die het vliegen
moet verminderen
- Waarborgfunctie: om een bepaald sociaal of economisch doel te
bereiken
Er moet maatschappelijk iets geregeld worden > de politiek komt in actie >
het wordt fiscaal geregeld door in actie te komen
Heffingsgrondslag (waarover betaal ik belasting) x tarief (hoeveel belasting
betaal ik) = belasting
- Heffingsgrondslag
- Heffingssubject: van wie er belasting wordt geheven
- Heffingsobject: waarover belasting wordt geheven
- Genietingsmoment: het moment waarop de belasting wordt geheven
Belastingdruk: het percentage dat aangeeft hoeveel procent van het bruto-
inkomen er wordt uitgegeven aan belastingen.
,De wet van inkomstenbelasting (Wet IB 2001). Dit wetboek is erg gelaagd
opgebouwd.
Het belastingrecht hanteert een aantal beginselen:
- Fiscaal legaliteitsbeginsel: belastingen mogen enkel geheven worden
als het berust op een wettelijke grondslag.
- Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen moeten op gelijke manier
behandeld worden
- Profijtbeginsel: je moet belasting betalen als burger, omdat je baat hebt
van de voorzieningen die de overheid biedt.
- Draagkrachtbeginsel: inkomstenbelasting is een draagkrachtheffing.
Mensen met het hoogste inkomen betalen meer dan iemand met een lager
inkomen.
o Adam Smith noemde dit ‘ability to pay’
Draagkracht heeft verschillende vormen:
- Inkomen/winst:
o Maatschappelijk
o Economisch
o Juridisch
- Vermogen
- Consumptie
De vraag is hoe je draagkracht meet. Dit gebeurt met een benadering in de
inkomstenbelasting
Binnen de inkomstenbelasting is het zo ingedeeld dat het onderverdeeld is in
drie boxen. Dit is een analytische heffing (= de boxen hebben niets met elkaar
te maken, want het is een gescheiden systeem). Er bestaat ook synthetische
belastingheffing, maar dit is in Nederland afgeschaft.
Analytisch stelsel: inkomsten uit verschillende bronnen gerangschikt in boxen
(of iets vergelijkbaars) die verschillend worden belast. Bedragen kunnen niet
onderling worden verrekend. Er zijn echter twee uitzonderingen:
1. De persoonsgebonden aftrek: deze kan ‘over de boxen heen’ worden
verrekend. Deze aftrek wordt eerst van het inkomen in box 1 afgetrokken.
Het resterende bedrag van de aftrek wordt toegepast op het inkomen in
box 3 en ten slotte nog box 2 (art. 6:2 IB)
2. De verliezen uit aanmerkelijk belang: wanneer een belastingplichtige een
jaar lang geen aanmerkelijk belanghouder meer is en er nog een te
verrekenen verlies openstaat, kan max 24,5% van dit verlies worden
omgezet in een belastingkorting voor box 1 (art. 4:53 ib)
Synthetisch stelsel: Inkomsten worden samen opgeteld en vervolgens wordt
het tarief hierop toegepast
- Box 1: belastbare inkomen uit werk en woning
o Loon
o Winst uit onderneming
o Eigen woning: als je een woning koopt, moet je geld lenen om het
te kopen. Hiervoor ga je een hypotheek aan. Je moet rente over de
, geldlening betalen. Hypotheekrente is aftrekbaar van je inkomen in
box 1 en komt in mindering op het eigenwoningforfait.
o Overige werkzaamheden (tenzij normaal, actief
vermogensbeheer te buiten wordt gegaan art. 3:91 Wet IB, dus
meer dan normaal vermogensbeheer)
o Periodieke uitkeringen en verstrekkingen
o De negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
o De negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Verminderd met:
Aftrek wegens geen of geringe woningschuld
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Persoonsgebonden aftrek
Het tarief van box 1 is progressief. Hoe hoger het inkomen, hoe meer je
betaalt
- Box 2: belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang
o Inkomen uit BV (aandelenbelang van minimaal 5%)
o Inkomen uit NV (aandelenbelang van minimaal 5%)
Inkomen uit aanmerkelijk belang is gegeven in art. 4:12 wet
IB:
Aandelen of winstbewijzen, verminderd met de aftrekbare
kosten
Voordelen uit vervreemding van aandelen of winstbewijzen of
een gedeelte hiervan (vervreemdingsvoordelen), verminderd
met de persoonsgebonden aftrek
- Box 3: belastbare inkomen uit sparen en beleggen (over vermogen)
o Vermogen uit onroerende zaken die niet je eigen woning zijn
(verhuur)
o Vermogen uit effecten
o Vermogen uit sparen
Inkomen uit sparen en beleggen is gegeven in art 5:1 wet IB
Voordeel uit sparen en beleggen, verminderd met de
persoonsgebonden aftrek
Deze belasting is forfaitair. Dit houdt in dat we uitgaan van een bepaald
rendement (fictief rendement) over de vermogensbestanddelen die
daadwerkelijk behaald worden. Dit fictieve rendement ligt dichtbij de
werkelijke rendementspercentages voor sparen en beleggen.
Dit principe staat haaks op het draagkrachtbeginsel, omdat mensen met
een ‘lager inkomen’ evenveel of meer belasting betalen.
In het KERSTARREST is het geldende systeem van box 3 verworpen
Effectieve rendementspercentage: rendement / rendementsgrondslag
- Rendement: de som van 0,92% van banktegoeden en 5,88% van overige
bezittingen verminderd met 2,46% van schulden
We hebben een rangorderegeling (art. 2:14 IB). Als je iets tegenkomt in één
van de boxen wordt het niet meer belast in de andere boxen. De bepaling die je
als eerst tegenkomt in de wet geld dan. Als een bezitting in box 1 verkregen is,
wordt de schuld die is aangegaan om deze bezitting te verkrijgen ook
toegewezen in box 1.
Hoorcollege week 1
Belasting: alle betalingen die de overheid op grond van een publiekrechtelijke
regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die
regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van een
privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene
regels vordert.
Er zijn twee soorten belastingen:
- Indirecte belasting: belasting die door een derde geheven wordt en is
kostprijsverhogend zoals btw en accijnzen
- Directe belasting: belasting die direct geheven wordt over het vermogen
(loon- en inkomstenbelasting)
De centrale overheid, provincies en gemeenten heffen los van elkaar ook
belastingen. Zo heffen enkele gemeenten hondenbelasting
De historie van belastingen:
De Romeinen hebben belastingen geïntroduceerd. De mensen die in
veroverde landen woonden moesten belasting betalen. Enkel de
inwonende van Rome hoefden geen belasting te betalen, andere boeren en
burgers wel. Grondbelasting was een directe heffing , gebaseerd op de
oppervlakte die een span ossen per dag kon ploegen. Vruchtbare grond
werd zwaarder belast dan droge grond (= draagkrachtbeginsel)
In de middeleeuwen gingen mensen steeds meer samenleven. Hierdoor
ontstond er behoefte aan collectieve voorzieningen. Mensen gingen
belastingen betalen om deze collectieve uitgaven te kunnen bekostigen.
Enkel de laagste klassen betaalde belasting. De adel (door militaire dienst)
en geestelijken (door gebeden) hadden hiervoor een vrijstelling.
Noodzakelijke levensbehoeften werden belast met accijns. Deze belasting
werd gebruikt om de vorst te betalen, maar ook voor stadsuitgaven.
Tijdens de Franse Revolutie met het heersen van Alva werden er drie
soorten belastingen ingevoerd
o De tiende penning. Dit was een soort btw. Omzetbelasting van 10%
op de verkoop van roerende zaken. Leidde tot de Tachtigjarige
Oorlog
o De twintigste penning. Omzetbelasting van 5% op de verkoop van
onroerende zaken
o De honderdste penning. Eenmalig 1% afdracht over alle roerende en
onroerende bezittingen
In de Gouden Eeuw toen de Republiek der Zeven Nederlanden ontstond,
was er nog geen samenhangend algemeen belastingstelsel. Er waren
alleen convooien en licenten (in- en uitvoerrechten)
Belastingheffing ten tijde van de Franse Bezetting werd het eerste
belastingstelsel ingevoerd door Gogel. Privileges werden afgeschaft en de
belastingheffing werd eerlijk verdeeld. Rijken betaalden meer en armen
minder. Accijns op levensbehoeften werd deels afgeschaft
, Belastingheffing in het Koninkrijk der Nederlanden: Willem I liet
indirecte belastingen verdwijnen en bereidde directe belastingen uit.
Nederland ging belasten op basis van inkomst, winst en vermogen. Er werd
een onderscheid gemaakt tussen bedrijfswinsten/arbeidsinkomsten en
vermogensinkomsten.
In 1914 voerde minister Treub de wet inkomstenbelasting in waarbij
inkomsten uit verschillende bronnen verder samengevoegd en belast
tegen een uniform tarief (synthetisch stelsel). Het vermogen werd belast in
de vermogensbelasting.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er verschillende stelsels
geïntroduceerd. Het besluit inkomstenbelasting 1941 belastte de reële
inkomsten, en niet meer de fictieve. Ook werd de bronnentheorie
geïntroduceerd: alleen inkomsten uit permanente bronnen worden belast,
geen opbrengsten.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam er eerst vermogensheffing om inflatie,
zwarte handel en oorlogswinsten aan te pakken, daarna de
anticumulatieregeling (= er mag niet meer dan 80% van het inkomen
afgedragen worden) en ten slotte de Wet inkomstenbelasting 2001
Soorten belastingen:
- Inkomstenbelasting: belast het inkomen
- Loonbelasting: belast het loon
- Vennootschapsbelasting: belast de winst van een vennootschap
- Dividendbelasting: belast dividenduitkeringen
- Omzetbelasting: belast de bruto verkoopprijs
Het doel van belastingen:
- Budgettaire functie: het dekken van de overheidsuitgaven
- Instrumentele functie: het ordenen van de maatschappij (milieu,
kinderen etc.) door gedrag uit te lokken vanuit de maatschappij
o Principiële grens: maatregel mag geen inbreuk maken op
rechtsbeginselen en moet overtuigend gemotiveerd worden
o Praktische grens: de doeltreffendheid (wordt het doel bereikt?) en
de doelmatigheid (proportioneel?) moeten in acht worden genomen
Bijvoorbeeld door middel van de vliegbelasting die het vliegen
moet verminderen
- Waarborgfunctie: om een bepaald sociaal of economisch doel te
bereiken
Er moet maatschappelijk iets geregeld worden > de politiek komt in actie >
het wordt fiscaal geregeld door in actie te komen
Heffingsgrondslag (waarover betaal ik belasting) x tarief (hoeveel belasting
betaal ik) = belasting
- Heffingsgrondslag
- Heffingssubject: van wie er belasting wordt geheven
- Heffingsobject: waarover belasting wordt geheven
- Genietingsmoment: het moment waarop de belasting wordt geheven
Belastingdruk: het percentage dat aangeeft hoeveel procent van het bruto-
inkomen er wordt uitgegeven aan belastingen.
,De wet van inkomstenbelasting (Wet IB 2001). Dit wetboek is erg gelaagd
opgebouwd.
Het belastingrecht hanteert een aantal beginselen:
- Fiscaal legaliteitsbeginsel: belastingen mogen enkel geheven worden
als het berust op een wettelijke grondslag.
- Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen moeten op gelijke manier
behandeld worden
- Profijtbeginsel: je moet belasting betalen als burger, omdat je baat hebt
van de voorzieningen die de overheid biedt.
- Draagkrachtbeginsel: inkomstenbelasting is een draagkrachtheffing.
Mensen met het hoogste inkomen betalen meer dan iemand met een lager
inkomen.
o Adam Smith noemde dit ‘ability to pay’
Draagkracht heeft verschillende vormen:
- Inkomen/winst:
o Maatschappelijk
o Economisch
o Juridisch
- Vermogen
- Consumptie
De vraag is hoe je draagkracht meet. Dit gebeurt met een benadering in de
inkomstenbelasting
Binnen de inkomstenbelasting is het zo ingedeeld dat het onderverdeeld is in
drie boxen. Dit is een analytische heffing (= de boxen hebben niets met elkaar
te maken, want het is een gescheiden systeem). Er bestaat ook synthetische
belastingheffing, maar dit is in Nederland afgeschaft.
Analytisch stelsel: inkomsten uit verschillende bronnen gerangschikt in boxen
(of iets vergelijkbaars) die verschillend worden belast. Bedragen kunnen niet
onderling worden verrekend. Er zijn echter twee uitzonderingen:
1. De persoonsgebonden aftrek: deze kan ‘over de boxen heen’ worden
verrekend. Deze aftrek wordt eerst van het inkomen in box 1 afgetrokken.
Het resterende bedrag van de aftrek wordt toegepast op het inkomen in
box 3 en ten slotte nog box 2 (art. 6:2 IB)
2. De verliezen uit aanmerkelijk belang: wanneer een belastingplichtige een
jaar lang geen aanmerkelijk belanghouder meer is en er nog een te
verrekenen verlies openstaat, kan max 24,5% van dit verlies worden
omgezet in een belastingkorting voor box 1 (art. 4:53 ib)
Synthetisch stelsel: Inkomsten worden samen opgeteld en vervolgens wordt
het tarief hierop toegepast
- Box 1: belastbare inkomen uit werk en woning
o Loon
o Winst uit onderneming
o Eigen woning: als je een woning koopt, moet je geld lenen om het
te kopen. Hiervoor ga je een hypotheek aan. Je moet rente over de
, geldlening betalen. Hypotheekrente is aftrekbaar van je inkomen in
box 1 en komt in mindering op het eigenwoningforfait.
o Overige werkzaamheden (tenzij normaal, actief
vermogensbeheer te buiten wordt gegaan art. 3:91 Wet IB, dus
meer dan normaal vermogensbeheer)
o Periodieke uitkeringen en verstrekkingen
o De negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
o De negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Verminderd met:
Aftrek wegens geen of geringe woningschuld
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Persoonsgebonden aftrek
Het tarief van box 1 is progressief. Hoe hoger het inkomen, hoe meer je
betaalt
- Box 2: belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang
o Inkomen uit BV (aandelenbelang van minimaal 5%)
o Inkomen uit NV (aandelenbelang van minimaal 5%)
Inkomen uit aanmerkelijk belang is gegeven in art. 4:12 wet
IB:
Aandelen of winstbewijzen, verminderd met de aftrekbare
kosten
Voordelen uit vervreemding van aandelen of winstbewijzen of
een gedeelte hiervan (vervreemdingsvoordelen), verminderd
met de persoonsgebonden aftrek
- Box 3: belastbare inkomen uit sparen en beleggen (over vermogen)
o Vermogen uit onroerende zaken die niet je eigen woning zijn
(verhuur)
o Vermogen uit effecten
o Vermogen uit sparen
Inkomen uit sparen en beleggen is gegeven in art 5:1 wet IB
Voordeel uit sparen en beleggen, verminderd met de
persoonsgebonden aftrek
Deze belasting is forfaitair. Dit houdt in dat we uitgaan van een bepaald
rendement (fictief rendement) over de vermogensbestanddelen die
daadwerkelijk behaald worden. Dit fictieve rendement ligt dichtbij de
werkelijke rendementspercentages voor sparen en beleggen.
Dit principe staat haaks op het draagkrachtbeginsel, omdat mensen met
een ‘lager inkomen’ evenveel of meer belasting betalen.
In het KERSTARREST is het geldende systeem van box 3 verworpen
Effectieve rendementspercentage: rendement / rendementsgrondslag
- Rendement: de som van 0,92% van banktegoeden en 5,88% van overige
bezittingen verminderd met 2,46% van schulden
We hebben een rangorderegeling (art. 2:14 IB). Als je iets tegenkomt in één
van de boxen wordt het niet meer belast in de andere boxen. De bepaling die je
als eerst tegenkomt in de wet geld dan. Als een bezitting in box 1 verkregen is,
wordt de schuld die is aangegaan om deze bezitting te verkrijgen ook
toegewezen in box 1.