Scheikunde hatseflats 10 voor je examen
Gemaakt door johannes julius
,Sfeer: Materie
Subsfeer M1: deeltjesmodellen
1. Herkennen van stoffen, formules en ionen
Je moet van een naam de bijbehorende formule of symbool kunnen geven, en andersom.
• Niet metalen en metalen: Zoals O2 (zuurstof), Fe (ijzer), Cl2 (chloor),
Na (natrium), enz
• Bekende moleculen: Zoals H2O (water), NH3 (ammoniak), H2SO4 (zwavelzuur).
• Ionen: Bijvoorbeeld Na⁺, SO₄²⁻, Fe³⁺, NH₄⁺.
Je moet deze formules kunnen herkennen én zelf opschrijven als je de naam ziet. Of de
vaardigheden hebben om deze formules op te zoeken in de Binas.
2. Binaire moleculaire stoffen
Je moet een formule kunnen opstellen op basis van een naam zoals:
Stikstofdioxide → NO₂
En andersom: je ziet NO → weet dat het stikstofmonoxide is.
3. Begrippen kennis
Je moet begrippen snappen zoals:
• Aggregatietoestanden: (s) = vast, (l) = vloeibaar, (g) = gas, (aq) = opgelost in water.
• Alcoholen, carbonzuren: Stoffen met OH-groepen of COOH-groepen.
• Index: Het kleine cijfer in een formule dat het aantal atomen aangeeft (bijv. H₂O).
• Triviale naam: De gewone naam (bijv. water i.p.v. diwaterstofmonoxide).
4. Atoombouw
Je moet een atoom kunnen beschrijven met:
• Kern: bevat protonen en neutronen.
• Elektronenwolk: elektronen in schillen.
• Massagetal en atoomnummer: bijv. koolstof heeft atoomnummer 6.
• Isotopen: zelfde atoom, verschillend aantal neutronen.
5. Covalentie
Geeft aan hoeveel bindingen een atoom maakt:
• H, F, Cl, Br, I → 1 binding
• O, S → 2
• N, P → 3
• C, Si → 4
Ezelsbruggetje voor de meest belangrijke is HONC H=1 O=2 N=3 C=4. Hou dit in
gedachte bij het opstellen van een structuurformule.
,6. Stoffencategorieën
Je moet kunnen zeggen of iets een:
• Metaal is (bijv. koper),
• (Macro)moleculaire stof (bijv. plastic),
• Zout (zoals NaCl, opgebouwd uit ionen).
7. Ontleedbaar of niet?
• Ontleedbaar: bestaat uit meerdere atoomsoorten, kan je ontleden
(bijv. H₂O → H₂ + O₂)
• Niet-ontleedbaar: bestaat uit een soort atoom (bijv. O2 of Fe)
8. Moleculaire stof vs. Zout
• Moleculaire stof: opgebouwd uit moleculen (bijv. H₂O)
• Zout: opgebouwd uit positieve en negatieve ionen (bijv. NaCl)
9. Verhoudingsformule zout
Bijvoorbeeld:
• Na⁺ en Cl⁻ → NaCl
• Al³⁺ en O²⁻ → Al₂O₃
Je moet dit zelf kunnen combineren. Hier wordt de ladingen van de stoffen gelijkgemaakt
bij het tweede voorbeeld heb je 3+ en 2- om dan deze ladingen gelijk te maken doe je 2
keer de stof met 3+ en 2 keer de stof met 2-.
10. Kristalwater
Bij hydraten zie je iets als:
• CuSO₄∙5H₂O → dit betekent dat er 5 watermoleculen per zout aanwezig zijn.
11. Microstructuur
Je moet:
• Molecuulformules (zoals C₂H₆O) en
• Structuurformules (tekening van hoe atomen aan elkaar zitten) kunnen herkennen.
12. Structuurformule ↔ Molecuulformule
Uit een molecuulformule moet je de structuurformule kunnen opstellen en andersom.
Ook met je kunnen werken met structuurisomerie. Bijv. uit C₂H₆O de structuur tekenen
van ethanol of methoxymethaan (beide hebben die formule).
, 13. Naam ↔ Structuur
Voor moleculen tot 6 C-atomen met één functionele groep moet je de naam kunnen
geven én de structuur tekenen. Voorbeelden:
• Butaan, pentanol, hexaanzuur, broomethaan, enz.
Subsfeer M2: Eigenschappen en modellen
1. Zuivere stoffen en mengsels
Je moet het verschil kennen tussen een zuivere stof en een mengsel.
Zuivere stof: bestaat uit één soort deeltje (bijv. alleen H₂O). Heeft een vast smelt- en
kookpunt.
Mengsel: bevat meerdere soorten deeltjes (bijv. water en alcohol samen). Heeft een smelt-
of kooktraject (temperatuur verandert geleidelijk).
Op microniveau: bij een zuivere stof zijn alle deeltjes gelijk, bij een mengsel zijn het er
verschillende die door elkaar zitten.
2. Smelt- en kookgedrag
Je moet het verschil weten tussen een zuivere stof en een mengsel bij verhitting.
Zuivere stof: smelt of kook bij één vaste temperatuur.
Mengsel: smelt of kook over een traject, dus de temperatuur verandert geleidelijk.
3. Mengsels herkennen en benoemen
Je moet deze soorten mengsels kunnen herkennen en uitleggen:
Emulsie: mengsel van twee vloeistoffen die niet goed mengen (zoals olie en water).
Emulgator: stof die ervoor zorgt dat een emulsie stabiel blijft (zoals zeep).
Legering: mengsel van metalen, zoals brons of staal.
Oplossing: de opgeloste stof is helemaal verdeeld in de vloeistof.
– Onverzadigd: er kan nog meer stof in oplossen.
– Verzadigd: er kan niks meer in oplossen, de rest blijft op de bodem liggen.
Suspensie: troebel mengsel van vaste deeltjes in een vloeistof (zoals zand in water). De
deeltjes zakken op den duur naar beneden.
Gemaakt door johannes julius
,Sfeer: Materie
Subsfeer M1: deeltjesmodellen
1. Herkennen van stoffen, formules en ionen
Je moet van een naam de bijbehorende formule of symbool kunnen geven, en andersom.
• Niet metalen en metalen: Zoals O2 (zuurstof), Fe (ijzer), Cl2 (chloor),
Na (natrium), enz
• Bekende moleculen: Zoals H2O (water), NH3 (ammoniak), H2SO4 (zwavelzuur).
• Ionen: Bijvoorbeeld Na⁺, SO₄²⁻, Fe³⁺, NH₄⁺.
Je moet deze formules kunnen herkennen én zelf opschrijven als je de naam ziet. Of de
vaardigheden hebben om deze formules op te zoeken in de Binas.
2. Binaire moleculaire stoffen
Je moet een formule kunnen opstellen op basis van een naam zoals:
Stikstofdioxide → NO₂
En andersom: je ziet NO → weet dat het stikstofmonoxide is.
3. Begrippen kennis
Je moet begrippen snappen zoals:
• Aggregatietoestanden: (s) = vast, (l) = vloeibaar, (g) = gas, (aq) = opgelost in water.
• Alcoholen, carbonzuren: Stoffen met OH-groepen of COOH-groepen.
• Index: Het kleine cijfer in een formule dat het aantal atomen aangeeft (bijv. H₂O).
• Triviale naam: De gewone naam (bijv. water i.p.v. diwaterstofmonoxide).
4. Atoombouw
Je moet een atoom kunnen beschrijven met:
• Kern: bevat protonen en neutronen.
• Elektronenwolk: elektronen in schillen.
• Massagetal en atoomnummer: bijv. koolstof heeft atoomnummer 6.
• Isotopen: zelfde atoom, verschillend aantal neutronen.
5. Covalentie
Geeft aan hoeveel bindingen een atoom maakt:
• H, F, Cl, Br, I → 1 binding
• O, S → 2
• N, P → 3
• C, Si → 4
Ezelsbruggetje voor de meest belangrijke is HONC H=1 O=2 N=3 C=4. Hou dit in
gedachte bij het opstellen van een structuurformule.
,6. Stoffencategorieën
Je moet kunnen zeggen of iets een:
• Metaal is (bijv. koper),
• (Macro)moleculaire stof (bijv. plastic),
• Zout (zoals NaCl, opgebouwd uit ionen).
7. Ontleedbaar of niet?
• Ontleedbaar: bestaat uit meerdere atoomsoorten, kan je ontleden
(bijv. H₂O → H₂ + O₂)
• Niet-ontleedbaar: bestaat uit een soort atoom (bijv. O2 of Fe)
8. Moleculaire stof vs. Zout
• Moleculaire stof: opgebouwd uit moleculen (bijv. H₂O)
• Zout: opgebouwd uit positieve en negatieve ionen (bijv. NaCl)
9. Verhoudingsformule zout
Bijvoorbeeld:
• Na⁺ en Cl⁻ → NaCl
• Al³⁺ en O²⁻ → Al₂O₃
Je moet dit zelf kunnen combineren. Hier wordt de ladingen van de stoffen gelijkgemaakt
bij het tweede voorbeeld heb je 3+ en 2- om dan deze ladingen gelijk te maken doe je 2
keer de stof met 3+ en 2 keer de stof met 2-.
10. Kristalwater
Bij hydraten zie je iets als:
• CuSO₄∙5H₂O → dit betekent dat er 5 watermoleculen per zout aanwezig zijn.
11. Microstructuur
Je moet:
• Molecuulformules (zoals C₂H₆O) en
• Structuurformules (tekening van hoe atomen aan elkaar zitten) kunnen herkennen.
12. Structuurformule ↔ Molecuulformule
Uit een molecuulformule moet je de structuurformule kunnen opstellen en andersom.
Ook met je kunnen werken met structuurisomerie. Bijv. uit C₂H₆O de structuur tekenen
van ethanol of methoxymethaan (beide hebben die formule).
, 13. Naam ↔ Structuur
Voor moleculen tot 6 C-atomen met één functionele groep moet je de naam kunnen
geven én de structuur tekenen. Voorbeelden:
• Butaan, pentanol, hexaanzuur, broomethaan, enz.
Subsfeer M2: Eigenschappen en modellen
1. Zuivere stoffen en mengsels
Je moet het verschil kennen tussen een zuivere stof en een mengsel.
Zuivere stof: bestaat uit één soort deeltje (bijv. alleen H₂O). Heeft een vast smelt- en
kookpunt.
Mengsel: bevat meerdere soorten deeltjes (bijv. water en alcohol samen). Heeft een smelt-
of kooktraject (temperatuur verandert geleidelijk).
Op microniveau: bij een zuivere stof zijn alle deeltjes gelijk, bij een mengsel zijn het er
verschillende die door elkaar zitten.
2. Smelt- en kookgedrag
Je moet het verschil weten tussen een zuivere stof en een mengsel bij verhitting.
Zuivere stof: smelt of kook bij één vaste temperatuur.
Mengsel: smelt of kook over een traject, dus de temperatuur verandert geleidelijk.
3. Mengsels herkennen en benoemen
Je moet deze soorten mengsels kunnen herkennen en uitleggen:
Emulsie: mengsel van twee vloeistoffen die niet goed mengen (zoals olie en water).
Emulgator: stof die ervoor zorgt dat een emulsie stabiel blijft (zoals zeep).
Legering: mengsel van metalen, zoals brons of staal.
Oplossing: de opgeloste stof is helemaal verdeeld in de vloeistof.
– Onverzadigd: er kan nog meer stof in oplossen.
– Verzadigd: er kan niks meer in oplossen, de rest blijft op de bodem liggen.
Suspensie: troebel mengsel van vaste deeltjes in een vloeistof (zoals zand in water). De
deeltjes zakken op den duur naar beneden.