Samenvatting Erfrecht II
Week 1
Per 1 januari 2003 is er nieuw erfrecht en dat betekent dat je te maken krijgt met
overgangsrecht. Denk aan een overlijden voor 1 januari 2003 en het afwikkelen van de
nalatenschap na 1 januari 2003. Hoe ga je hiermee om? Art. 68a Overgangswet BW: nieuw
erfrecht heeft onmiddellijke werking. Er gelden uitzonderingen, bijvoorbeeld art. 69
Overgangswet BW: onmiddellijke werking, maar vermogensrechten onder oud erfrecht
worden geëerbiedigd.
- Art. 79 – 81 (+ 127) Overgangswet BW: nietige, vernietigbare en geldige
rechtshandelingen.
Art. 4:43 BW: uiterste wilsbeschikkingen kunnen niet worden vernietigd door misbruik van
omstandigheden. De reden hiervoor is dat de notaris erop moet toezien dat dit wordt
voorkomen en testateur zit alleen bij de notaris.
- In Curacao kan vernietigbaarheid wel.
- Verboden beschikking: geen beschikking ten aanzien van BIG-personen (arts,
verpleegkundige, etc.). De beschikkingen zijn geldig, maar vernietigbaar.
o Onder oud erfrecht was sprake van nietigheid in plaats van
vernietigbaarheid. Art. 127 Overgangswet BW: alles wat geldig was, blijft
geldig en voor het overige gelden de sancties van het nieuwe erfrecht.
Art. 133 Overgangswet BW zegt dat voor een executeur, benoemd onder oud recht, de
regels gelden van het nieuwe erfrecht. Hij is beheersexecuteur geworden indien in het
testament gemaakt onder oud recht aan hem het bezit van de nalatenschap is toegekend.
Plaatsvervulling is iets uit versterferfrecht en niet uit testamentair erfrecht, dus als in een
testament geen plaatsvervulling is opgenomen, dan vindt aanwas plaats (art. 4:48 BW).
Vroeger bestond plaatsvervulling alleen bij vooroverlijden van een erfgenaam en niet bij
verwerping.
De uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:46 BW) is geen overgangsrecht, maar dat
kan het wel worden als er gebruik wordt gemaakt van begrippen die naar oud en nieuw
recht een andere betekenis hebben.
- Bij een begrip in een testament onder oud recht waarbij de nalatenschap openvalt
onder nieuw recht, moet het begrip worden uitgelegd naar oud recht.
Hof Amsterdam 8 juli 2014: ‘als je niet doet wat ik wil, dan legitieme’. Hier is de legitieme
een strafsanctie en geen onterving.
Om onverdeeldheid tussen de langstlevende en kinderen te voorkomen, is de wettelijke
verdeling (art. 4:13 BW) in de wet gekomen. Vroeger werd een ouderlijke boedelverdeling
gemaakt (art. 1167 OBW) om dit te voorkomen: alle drie erfgenamen, maar erflater
verdeeld alvast zodat de langstlevende alle goederen krijgt en de kinderen een tegoedbon.
De ouderlijke boedelverdeling is de blauwdruk voor de wettelijke verdeling geweest.
- Ouderlijke boedelverdeling was minder sterk dan de wettelijke verdeling, want de
ouderlijke boedelverdeling was testamentair erfrecht en de wettelijke verdeling is
versterferfrecht. Je kon bereiken dat kinderen geen recht hadden op een
, goederenrechtelijke legitieme. De legitieme was toen nog erfgenaamschap en nu
alleen een aanspraak in geld.
- Met de ouderlijke boedelverdeling kon je de goederenrechtelijke legitieme
omzetten in een aanspraak in geld. Je kon de kinderen alleen in de erfrechtelijke
wachtkamer houden als de langstlevende verzorgingsbehoeftig was en erflater
een dringende morele verplichting had om de langstlevende verzorgd achter te
laten.
- Onder huidig recht kan je geen ouderlijke boedelverdeling maken, want ondanks
de testeervrijheid hebben we een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen
(art. 4:42 BW).
o Art. 4:82 BW is de nieuwe ouderlijke boedelverdeling met als gedachte
ongestoord voortleven als langstlevende.
- Vroeger konden alleen gehuwden de ouderlijke boedelverdeling maken en
samenwoners niet. Samenwoners konden wel testamenten maken, maar de
kinderen niet de legitieme in goederen afnemen. Art. 4:82 BW is ook voor andere
levensgezellen.
HR De Visser/Harms: verzorging van de langstlevende gaat boven de belangen van de
legitimaris. Legitimarissen moeten genoegen nemen met een niet-onmiddellijk opeisbare
vordering uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling.
Week 2
Vroeger werd je door een beroep op de legitieme erfgenaam, maar nu niet meer. Je wordt
legitimaris. Soorten legitimarissen:
1. Niets-verkrijgende legitimaris: onterfd en je krijgt niets, dus ook geen legaat bijv.
2. Ontevreden legitimaris: je doet mee en bent erfgenaam/legataris, maar je bent niet
blij met wat je krijgt.
3. Aanvullende legitimaris: combinatie van 1 en 2. Je doet mee als legitimaris, maar
krijgt niet genoeg.
Niets-verkrijgende legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. C is onterfd.
- Door beroep op art. 4:63 e.v. BW (legitieme portie) krijgt C ½ van de waarde van wat
hij als erfgenaam zou hebben gekregen. Het gaat om waarde, want een legitimaris
is schuldeiser van de nalatenschap.
- C krijgt ¼ van de legitimaire massa = actief – passief + giften. Giften nemen we in
aanmerking, want anders kan aan de legitieme worden ontgaan. Art. 4:66 – 4:69
BW geven regels met betrekking tot giften. Alleen giften gedaan in de laatste 5 jaar
voor overlijden tellen mee, met uitzondering van schenkingen aan
afstammelingen.
- Bedrag wat uit de berekening van de legitimaire massa komt, is de legitieme portie.
Dat bedrag is opeisbaar 6 maanden na overlijden (art. 4:81 BW), soms geldt een
uitzondering (art. 4:82 BW).
Uitwinbaarheid, aansprakelijkheid en draagplicht legitieme:
- Legitimaris kan verhaal nemen op de nalatenschap als afgescheiden vermogen (=
uitwinbaarheid).
, - Aansprakelijk zijn de erfgenamen en begiftigden (art. 4:79 + 4:80 BW), want giften
tellen ook mee. Legatarissen zijn in beginsel niet aansprakelijk, tenzij sprake is van
de uitzondering. Legitimarissen moeten zelf naar de begiftigde om zijn legitieme
portie te gaan ophalen als de nalatenschap niet voldoet.
- Wie draagt de legitieme (= draagplicht)? De erfgenamen of legatarissen naar
evenredigheid (art. 4:87 BW).
Ontevreden legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. C is onterfd en B is benoemd tot
enig erfgenaam onder een vervelende last. De nalatenschap is €1.000.000.
- De legitieme van B = (½ x ½) x €1.000.000 = €250.000. Op grond van art. 4:70 + 4:71
BW kunnen dingen in mindering komen. Legitieme portie – schenkingen/giften =
legitimaire aanspraak.
- Legitimaire aanspraak – makingen – erfrechtelijke verkrijgingen = legitimair tekort.
B moet alles wat hij via erfrecht verkrijgt imputeren en daardoor blijft er niets over.
- Als sprake is van een verkrijging onder voorwaarde, last of bewind, is sprake van
een inferieure verkrijging (art. 4:72 + 4:73 BW) en kan je verwerpen met afleggen
van een contantenverklaring. Elke voorwaarde maakt de verkrijging inferieur, dus
iets is snel inferieur. De termijn van 3 maanden is te verlengen, zelfs als de termijn
is verlopen (art. 4:77 BW).
o Sommige bewinden zijn niet inferieur (art. 4:75 BW).
Aanvullende legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. B is benoemd tot enig
erfgenaam. C krijgt een legaat van €200.000.
- Waarde legitieme portie is bij een nalatenschap van €1.000.000: ½ x ½ x
€1.000.000 = €250.000. Waarde legitieme is hoger dan de waarde van het legaat,
maar het legaat komt in mindering. Er is dus een legitimair tekort van €50.000.
- Je doet naast je verkrijging een aanvullend beroep op je legitieme portie. Je hebt
dan twee petten op: legataris en legitimaris.
Vruchtgebruik-testament:
- Casus: A is gehuwd met B en ze hebben twee kinderen: C en D. A maakt een
vruchtgebruik-testament en de kinderen worden blooteigenaar. B wordt
vruchtgebruiker van de nalatenschap.
- Vruchtgebruik moet gevestigd worden door de blooteigenaren. Dit kan je doen
door een testamentaire last op te leggen met als sanctie bij niet-nakoming de
vervallenverklaring (art. 4:130 BW). Een andere mogelijkheid is om B als
afwikkelingsbewindvoerder en executeur te noemen, zodat je B alle
bevoegdheden kan geven die je wilt. B kan dan ook het legaat aan zichzelf afgeven
en het vruchtgebruik vestigen. Een legaat is namelijk een schuld van de
nalatenschap (art. 4:144 jo. 4:7 BW) en de executeur moet schulden voldoen. Ook
kan je een derde tot executeur benoemen.
- Als C niet blij is met blooteigendom kan C wellicht een beroep doen op zijn
legitieme portie. Voor de berekening kijken we naar de erfgenamen van art. 4:10
BW. Als B geen echtgenoot is, doet B niet mee. Kijk dan is sprake is van een
inferieure verkrijging. Art. 4:72 lid 2 BW: legaat anders dan betalen van een
Week 1
Per 1 januari 2003 is er nieuw erfrecht en dat betekent dat je te maken krijgt met
overgangsrecht. Denk aan een overlijden voor 1 januari 2003 en het afwikkelen van de
nalatenschap na 1 januari 2003. Hoe ga je hiermee om? Art. 68a Overgangswet BW: nieuw
erfrecht heeft onmiddellijke werking. Er gelden uitzonderingen, bijvoorbeeld art. 69
Overgangswet BW: onmiddellijke werking, maar vermogensrechten onder oud erfrecht
worden geëerbiedigd.
- Art. 79 – 81 (+ 127) Overgangswet BW: nietige, vernietigbare en geldige
rechtshandelingen.
Art. 4:43 BW: uiterste wilsbeschikkingen kunnen niet worden vernietigd door misbruik van
omstandigheden. De reden hiervoor is dat de notaris erop moet toezien dat dit wordt
voorkomen en testateur zit alleen bij de notaris.
- In Curacao kan vernietigbaarheid wel.
- Verboden beschikking: geen beschikking ten aanzien van BIG-personen (arts,
verpleegkundige, etc.). De beschikkingen zijn geldig, maar vernietigbaar.
o Onder oud erfrecht was sprake van nietigheid in plaats van
vernietigbaarheid. Art. 127 Overgangswet BW: alles wat geldig was, blijft
geldig en voor het overige gelden de sancties van het nieuwe erfrecht.
Art. 133 Overgangswet BW zegt dat voor een executeur, benoemd onder oud recht, de
regels gelden van het nieuwe erfrecht. Hij is beheersexecuteur geworden indien in het
testament gemaakt onder oud recht aan hem het bezit van de nalatenschap is toegekend.
Plaatsvervulling is iets uit versterferfrecht en niet uit testamentair erfrecht, dus als in een
testament geen plaatsvervulling is opgenomen, dan vindt aanwas plaats (art. 4:48 BW).
Vroeger bestond plaatsvervulling alleen bij vooroverlijden van een erfgenaam en niet bij
verwerping.
De uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:46 BW) is geen overgangsrecht, maar dat
kan het wel worden als er gebruik wordt gemaakt van begrippen die naar oud en nieuw
recht een andere betekenis hebben.
- Bij een begrip in een testament onder oud recht waarbij de nalatenschap openvalt
onder nieuw recht, moet het begrip worden uitgelegd naar oud recht.
Hof Amsterdam 8 juli 2014: ‘als je niet doet wat ik wil, dan legitieme’. Hier is de legitieme
een strafsanctie en geen onterving.
Om onverdeeldheid tussen de langstlevende en kinderen te voorkomen, is de wettelijke
verdeling (art. 4:13 BW) in de wet gekomen. Vroeger werd een ouderlijke boedelverdeling
gemaakt (art. 1167 OBW) om dit te voorkomen: alle drie erfgenamen, maar erflater
verdeeld alvast zodat de langstlevende alle goederen krijgt en de kinderen een tegoedbon.
De ouderlijke boedelverdeling is de blauwdruk voor de wettelijke verdeling geweest.
- Ouderlijke boedelverdeling was minder sterk dan de wettelijke verdeling, want de
ouderlijke boedelverdeling was testamentair erfrecht en de wettelijke verdeling is
versterferfrecht. Je kon bereiken dat kinderen geen recht hadden op een
, goederenrechtelijke legitieme. De legitieme was toen nog erfgenaamschap en nu
alleen een aanspraak in geld.
- Met de ouderlijke boedelverdeling kon je de goederenrechtelijke legitieme
omzetten in een aanspraak in geld. Je kon de kinderen alleen in de erfrechtelijke
wachtkamer houden als de langstlevende verzorgingsbehoeftig was en erflater
een dringende morele verplichting had om de langstlevende verzorgd achter te
laten.
- Onder huidig recht kan je geen ouderlijke boedelverdeling maken, want ondanks
de testeervrijheid hebben we een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen
(art. 4:42 BW).
o Art. 4:82 BW is de nieuwe ouderlijke boedelverdeling met als gedachte
ongestoord voortleven als langstlevende.
- Vroeger konden alleen gehuwden de ouderlijke boedelverdeling maken en
samenwoners niet. Samenwoners konden wel testamenten maken, maar de
kinderen niet de legitieme in goederen afnemen. Art. 4:82 BW is ook voor andere
levensgezellen.
HR De Visser/Harms: verzorging van de langstlevende gaat boven de belangen van de
legitimaris. Legitimarissen moeten genoegen nemen met een niet-onmiddellijk opeisbare
vordering uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling.
Week 2
Vroeger werd je door een beroep op de legitieme erfgenaam, maar nu niet meer. Je wordt
legitimaris. Soorten legitimarissen:
1. Niets-verkrijgende legitimaris: onterfd en je krijgt niets, dus ook geen legaat bijv.
2. Ontevreden legitimaris: je doet mee en bent erfgenaam/legataris, maar je bent niet
blij met wat je krijgt.
3. Aanvullende legitimaris: combinatie van 1 en 2. Je doet mee als legitimaris, maar
krijgt niet genoeg.
Niets-verkrijgende legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. C is onterfd.
- Door beroep op art. 4:63 e.v. BW (legitieme portie) krijgt C ½ van de waarde van wat
hij als erfgenaam zou hebben gekregen. Het gaat om waarde, want een legitimaris
is schuldeiser van de nalatenschap.
- C krijgt ¼ van de legitimaire massa = actief – passief + giften. Giften nemen we in
aanmerking, want anders kan aan de legitieme worden ontgaan. Art. 4:66 – 4:69
BW geven regels met betrekking tot giften. Alleen giften gedaan in de laatste 5 jaar
voor overlijden tellen mee, met uitzondering van schenkingen aan
afstammelingen.
- Bedrag wat uit de berekening van de legitimaire massa komt, is de legitieme portie.
Dat bedrag is opeisbaar 6 maanden na overlijden (art. 4:81 BW), soms geldt een
uitzondering (art. 4:82 BW).
Uitwinbaarheid, aansprakelijkheid en draagplicht legitieme:
- Legitimaris kan verhaal nemen op de nalatenschap als afgescheiden vermogen (=
uitwinbaarheid).
, - Aansprakelijk zijn de erfgenamen en begiftigden (art. 4:79 + 4:80 BW), want giften
tellen ook mee. Legatarissen zijn in beginsel niet aansprakelijk, tenzij sprake is van
de uitzondering. Legitimarissen moeten zelf naar de begiftigde om zijn legitieme
portie te gaan ophalen als de nalatenschap niet voldoet.
- Wie draagt de legitieme (= draagplicht)? De erfgenamen of legatarissen naar
evenredigheid (art. 4:87 BW).
Ontevreden legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. C is onterfd en B is benoemd tot
enig erfgenaam onder een vervelende last. De nalatenschap is €1.000.000.
- De legitieme van B = (½ x ½) x €1.000.000 = €250.000. Op grond van art. 4:70 + 4:71
BW kunnen dingen in mindering komen. Legitieme portie – schenkingen/giften =
legitimaire aanspraak.
- Legitimaire aanspraak – makingen – erfrechtelijke verkrijgingen = legitimair tekort.
B moet alles wat hij via erfrecht verkrijgt imputeren en daardoor blijft er niets over.
- Als sprake is van een verkrijging onder voorwaarde, last of bewind, is sprake van
een inferieure verkrijging (art. 4:72 + 4:73 BW) en kan je verwerpen met afleggen
van een contantenverklaring. Elke voorwaarde maakt de verkrijging inferieur, dus
iets is snel inferieur. De termijn van 3 maanden is te verlengen, zelfs als de termijn
is verlopen (art. 4:77 BW).
o Sommige bewinden zijn niet inferieur (art. 4:75 BW).
Aanvullende legitimaris:
- Casus: A overlijdt en heeft twee kinderen: B en C. B is benoemd tot enig
erfgenaam. C krijgt een legaat van €200.000.
- Waarde legitieme portie is bij een nalatenschap van €1.000.000: ½ x ½ x
€1.000.000 = €250.000. Waarde legitieme is hoger dan de waarde van het legaat,
maar het legaat komt in mindering. Er is dus een legitimair tekort van €50.000.
- Je doet naast je verkrijging een aanvullend beroep op je legitieme portie. Je hebt
dan twee petten op: legataris en legitimaris.
Vruchtgebruik-testament:
- Casus: A is gehuwd met B en ze hebben twee kinderen: C en D. A maakt een
vruchtgebruik-testament en de kinderen worden blooteigenaar. B wordt
vruchtgebruiker van de nalatenschap.
- Vruchtgebruik moet gevestigd worden door de blooteigenaren. Dit kan je doen
door een testamentaire last op te leggen met als sanctie bij niet-nakoming de
vervallenverklaring (art. 4:130 BW). Een andere mogelijkheid is om B als
afwikkelingsbewindvoerder en executeur te noemen, zodat je B alle
bevoegdheden kan geven die je wilt. B kan dan ook het legaat aan zichzelf afgeven
en het vruchtgebruik vestigen. Een legaat is namelijk een schuld van de
nalatenschap (art. 4:144 jo. 4:7 BW) en de executeur moet schulden voldoen. Ook
kan je een derde tot executeur benoemen.
- Als C niet blij is met blooteigendom kan C wellicht een beroep doen op zijn
legitieme portie. Voor de berekening kijken we naar de erfgenamen van art. 4:10
BW. Als B geen echtgenoot is, doet B niet mee. Kijk dan is sprake is van een
inferieure verkrijging. Art. 4:72 lid 2 BW: legaat anders dan betalen van een