Week 1
Materieel van formeel strafrecht onderscheiden
Het materiële strafrecht bepaalt welke bepalingen strafbaar zijn en welke
personen strafbaar mogen worden gesteld. Een belangrijke bron hiervoor is het
Wetboek van Strafrecht. Het formele strafrecht bevat de regels van het
strafproces. Een belangrijke bron hiervoor is het Wetboek van Strafvordering.
De manieren waarop strafbare feiten kunnen worden ingedeeld benoemen
Het strafrecht kan worden onderverdeeld in drie delen; het materiële recht, het
formele recht en het sanctierecht. Het sanctierecht heeft betrekking op de
voorwaarden waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten uitvoer
gelegd. Het sanctierecht is in beide boeken terug te vinden.
Commuun en bijzonder Strafrecht
Het strafrecht dat in de boeken is opgenomen, duidt men vaak aan als het
commune strafrecht. Daarnaast bestaan er veel strafbepalingen in andere wetten,
bijvoorbeeld in de Wegenverkeerswet 1994, de Wet wapens en munitie en de
Opiumwet. Deze wetten behoren tot het bijzonder strafrecht
Strafdoelen
Vergelding is de leedtoevoeging. Preventie is de voorkoming van strafbare feiten.
Preventie onderscheiden we in speciale preventie gericht op de verdachte en de
generale preventie, gericht op ieder andere dan de gestrafte.
De betekenis van het legaliteitsbeginsel schetsen
Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke
strafbepaling volgens Art 1 Sr. Het legaliteitsbeginsel bevordert rechtszekerheid en
voorkomt machtsmisbruik en willekeur bij strafbare feiten. De wetten worden
opgesteld door de democratische wetgever namelijk de regering en de Staten-
Generaal.
Bestanddelen van elementen onderscheiden
De bestanddelen moeten worden bewezen en staan altijd in de delictsomschrijving.
Het wordt expliciet in de wet opgenomen. Elementen zijn de wederrechtelijkheid en
de verwijtbaarheid van een strafbaar feit die niet persé in de delictsomschrijving zijn
opgenomen, maar wel wordt geacht vereist te zijn. Een “woord” kan nooit
bestanddeel en element tegelijkertijd zijn. Het is altijd de een of het ander.
De structuur van het strafbare feit schetsen
1. De menselijke gedraging
Het actief handelen of het nalaten van een plicht van de verdachte. De MG
verdachte kan hierbij ook een rechtspersoon zijn. Dit component moet
worden bewezen.
2. De wettelijke delictsomschrijving
De wettelijke delictsomschrijving moet als wetsartikel in de wet terug te DO
vinden zijn als een strafbaar feit. Dit component moet worden bewezen.
3. De wederrechtelijkheid
Het gedrag van de verdachte dat afkeuring verdient. De menselijke
gedraging moet in strijd zijn met het geschreven en ongeschreven recht. De W
wederrechtelijkheid wordt verondersteld aanwezig te zijn. Het is aan de
verdachte om dat te betwisten met een zogenoemde
rechtvaardigingsgrond. Die neemt de wederrechtelijkheid weg.
4. De verwijtbaarheid
De verdachte had anders moeten en kunnen handelen. De verwijtbaarheid V
wordt verondersteld aanwezig te zijn. Het is aan de verdachte om dat te
betwisten met een zogenaamde schulduitsluitingsgrond. Die neemt de
verwijtbaarheid weg.
, BEGINSELEN STRAFRECHT
Valt een van de componenten weg? Dan is er geen strafbaar feit. Het heeft
een dwingende volgorde.
De toegepaste interpretatiemethoden in een rechterlijke uitspraak vaststellen
I. Grammaticale interpretatiemethode
De letter van de wet.
II. Wethistorische interpretatiemethode
Aan de hand van de parlementaire geschiedenis van een wetsartikel wordt
onderzocht wat de betekenis is van dat wetsartikel.
III. Teleologische interpretatiemethode
Er wordt een bepaald doel of strekking van dat wetsartikel vooropgesteld.
IV. Rechtshistorische interpretatiemethode.
V. Systematische interpretatiemethode.
Het rechterlijk beslissingsmodel toepassen op een casus
Het beslissingsmodel bevat een dwingende volgorde.
Artikel 348 Sv Artikel 349 Sv.
De formele vormvragen
1. Is de dagvaarding geldig? Zo niet?
Hiervoor kijken we naar Art 261 Sv Nietigheid
van de
dagvaarding
2. Is de rechter bevoegd? Zo niet?
Hierbij kun je kijken naar de absolute en relatieve Onbevoegdhe
competentie. id van de
rechter dus
geen
vervolging
3. Is de officier van justitie ontvankelijk? Zo niet? OvJ
Als er sprake is van een vervolgingsbeletsel, dan mag de niet
OvJ niet vervolgen. ontvankelijk
4. Zijn er redenen om de vervolging te schorsen? Zo niet?
Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan een zodanige Schorsing
geestelijke stoornis. Dit komt zeer sporadisch voor. van de
vervolging.
Artikel 350 Sv Artikelen 352,
De materiële vormvragen 353 & 358 SV.
1. Kan het ten laste gelegde worden bewezen? Zo niet?
Bewijsvraag (MG) Vrijspraak
2. Welk strafbaar feit levert de gedraging op? Zo niet? OVAR
Kwalificatievraag (DO)
3. Is het feit strafbaar? Dus wederrechtelijk? Zo niet? OVAR
Wederrechtelijkheidsvraag (W)
4. Is de verdachte strafbaar? Dus verwijtbaar? Zo niet? OVAR
Verwijtbaarheidsvraag (V)
Een casusvraag beantwoorden aan de hand het model van rechtsvinding
I. Wat is de rechtsvraag? Hierbij stel je de rechtsvraag vast die beantwoordt
moet worden in de casus. Let op! Er kunnen soms meerdere rechtsvragen
zijn.
, BEGINSELEN STRAFRECHT
II. Welke rechtsregel moet worden gehanteerd bij de beantwoording van de
rechtsvraag? Hierbij kijk je welke rechtsregels van toepassing zijn.
a. Wat kan uit de wetgeving worden afgeleid?
b. Wat kan uit de jurisprudentie worden afgeleid?
c. Wat kan uit verdragen worden afgeleid?
d. Zegt de literatuur iets dat voor de beantwoording van de
rechtsvraag van belang kan zijn?
III. Toepassen. Hierbij pas je de rechtsregels toe aan de feiten en
omstandigheden die zich afspelen in de casus.
IV. Conclusie. Tot slot trek je een conclusie en geef je antwoord op de
rechtsvraag. Let op! Hierbij moet je goed betogen waarom je dat vindt.
De vereisten van een tenlastelegging
De vereisten van de tenlastelegging zijn opgesomd in Art 261 Sv.
-1 De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met
vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder
vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld.
-2 Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou
zijn begaan.
Feit
De tenlastelegging moet een bepaald gebeuren beschrijven. Een tenlastelegging die
te weinig specifiek, onduidelijk of innerlijk tegenstrijdig is, kan niet dienen als
grondslag voor een terechtzitting en zal derhalve leiden tot nietigheid van de
dagvaarding. In de rechtspraktijk worden tenlasteleggingen zodanig ingekleed dat
het voor de rechter duidelijk is welke delictsomschrijving de officier voor ogen had bij
het opstellen van de dagvaarding.
Tijd
Omdat een verdachte in de dagvaarding moet kunnen lezen wat hem precies wordt
verweten, is het nodig dat de tenlastelegging vermeldt omstreeks welke tijd de
verweten gedraging is begaan.
Plaats
Voor het vermelden van de plaats waar het ten laste gelegde feit begaan zou zijn,
geldt in beginsel hetzelfde als voor de vermelding van de tijd. De tenlastelegging
moet een plaats vermelden. Een onjuiste plaats maakt de dagvaarding niet nietig.
Pas als geen plaats wordt vermeld, is de dagvaarding nietig.
Wettelijke voorschriften
Dit houdt in dat tussen haakjes het artikelnummer staat van de delictsomschrijving
van het feit waarop de tenlastelegging is toegesneden. Zo weten de rechter en de
verdachte welk strafbaar feit de officier van justitie ten laste heeft willen leggen.
Wordt het wettelijk voorschrift niet genoemd, dan leidt dit overigens niet tot
nietigheid van de dagvaarding.
Omstandigheden
Met ‘omstandigheden’ wordt gedoeld op een nadere concretisering van de feiten. Het
niet vermelden van de hier bedoelde omstandigheden leidt tot nietigheid van de
dagvaarding.
Een veel gemaakte fout is dat de geldigheid van de dagvaarding wordt verward met
de bewijsbaarheid van de tenlastelegging. De geldigheid van een dagvaarding is
afhankelijk van de betekening en van de eisen van Art 261 Sv en niet van de
bewijsbaarheid van het ten laste gelegde feit. Een dagvaarding kan dus alleen gelig
zijn hij goed betekend is en melding maakt van een feit, een tijd en een plaats.
Art 261 Sv eist, voor wat betreft de geldigheid van de dagvaarding, dus niet dat het
genoemde feit en de genoemde plaats en tijd ook juist zijn.
, BEGINSELEN STRAFRECHT
Absolute competentie
Kantonrechter Overtredingen
Art 47 RO jo. Art 382 Sv
Politierechter Misdrijven met een gevangenisstraf van
Art 51 RO jo. Art 368 Sv maximaal één jaar.
De meervoudige Strafkamer Misdrijven
Art 45 RO jo. Art 268 lid 1 Sv
Relatieve competentie
De relatieve competentie is vaak de woonplaats van de verdachte of de plaats waar
het strafbare feit is begaan. Het is een geografische kwestie.
Week 2
Opsporingsonderzoek Onderzoek ter terechtzitting Rechtsmiddelen Tenuitvoerlegging
Procesdeelnemers
De verdachte
Er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden dat de persoon in kwestie een
strafbar feit heeft gepleegd. Er is geen zekerheid nodig dat dit inderdaad het geval is.
Het redelijke vermoeden mag niet zijn gebaseerd op een voorgevoel, maar moet
volgen uit feiten en omstandigheden. Zo kan de politie een tip krijgen dat op een
bepaalde plaats en tijd een container met cocaïne zal worden vervoerd (verdenking
buiten heterdaad). Het is goed mogelijk dat een verdenking ontstaat zonder dat al
een verdachte kan worden aangewezen. Soms valt het moment waarop een
verdenking ontstaat samen met het moment waarop iemand verdachte wordt (denk
aan betrapping op heterdaad).
Hollande Kleurling Arrest & Stormsteeg Arrest.
De verdachte heeft een aantal rechten;
a. Zwijgrecht
De verdachte mag niet worden gedwongen zichzelf te belasten in een
strafrechtelijke procedure. Dit uitgangspunt wordt het ‘nemo tenetur’
beginsel genoemd. Het komt er eigenlijk vooral op neer dat een verdachte
niet gedwongen mag worden een verklaring af te leggen. In Art 29 Sv komt
tot uitdrukking; op de verdachte mag geen ongeoorloofd druk worden
uitgeoefend pressieverbod. De verdachte is verder volgens dit artikel ook
niet verplicht om tijdens een verhoor antwoorden te geven op de vragen die
hem worden gesteld. Hij moet ook volgens Art 29 lid 2 Sv op de hoogte
worden gesteld van zijn zwijgrecht, dit noemt men cautie. Vóór ieder verhoor
van de verdachte moet deze cautie worden gegeven. Let op! Dus alleen bij
een verhoor wanneer er sprake is van een verdachte. Ontstaat tijdens het
gesprek een verdenking, dan zal alsnog de cautie gegeven moeten worden
wanneer meer vragen over het vermoede strafbare feit worden gesteld.
Plastic-Boodschap Arrest.
b. Recht op rechtsbijstand
De verdachte kan zich laten bijstaan door een raadsman. Deze bijstand wordt
rechtsbijstand genoemd. Het recht op rechtsbijstand wordt aan de verdachte
toegekend in Art 28 Sv.