Thema 6: Ontwikkelingspsychologie: cognitieve ontwikkeling
Je kunt de fasen uit theorie van Piaget en hun belangrijkste kenmerken benoemen.
De theorie van Piaget beschrijft de cognitieve ontwikkeling in verschillende fasen [1, 2]. De
fasen en hun belangrijkste kenmerken zijn [1]:
Sensomotorische fase (geboorte tot 2 jaar):
Ontwikkeling van zintuigen, motoriek, geheugen en objectpermanentie [1].
Het idee van een object los van zichzelf en het besef dat ideeën kunnen worden
voorgesteld, wat het begin is van symbolisch denken [1].
Baby's leren door middel van interactie met de wereld [3].
In deze fase is het denken gebaseerd op acties [3].
Er is een ontwikkeling van reflexen, naar gewoontevorming, naar het combineren van
acties [3].
De circulaire reacties zijn een belangrijke activiteit van de ontwikkeling in deze fase
[3].
Preoperationele fase (2 tot 7 jaar):
Ontwikkeling van taal, fijne motoriek en symbolisch denken [1].
Egocentrisch denken (de wereld alleen vanuit zichzelf bekijken) [1].
Kinderen kunnen objecten symbolisch representeren [4].
Kinderen in deze fase zijn niet in staat tot conservatie (het besef dat hoeveelheid
gelijk blijft, ook al verandert de vorm) [5].
Centratie is een belangrijk kenmerk van deze fase, waarbij kinderen zich op één
aspect van een stimulus concentreren [5].
Intuïtief denken is ook een kenmerk van deze fase, waarbij kinderen zich baseren op
wat ze voelen en aannemen [6].
Concreet operationele fase (7 tot 12 jaar):
Ontwikkeling van conservatiebegrip (het besef dat kwantiteit niet gerelateerd is aan
fysieke verschijning) [1].
Kinderen begrijpen het principe van reversibiliteit (het begrijpen dat een proces kan
worden omgekeerd) [1].
Logisch denken (begrippen tijd, afstand en snelheid) [1].
Kinderen in deze fase kunnen logisch nadenken over concrete gebeurtenissen [7].
Kinderen overwinnen hun egocentrisme en centreren niet meer [6].
Kinderen ontwikkelen het vermogen tot decentratie [7].
Formeel operationele fase (12 jaar tot volwassenheid):
Ontwikkeling van logisch redeneren (verbanden zien en begrijpen) en abstract
denken (het denken komt los van het concrete) [1].
Mensen kunnen abstract en hypothetisch denken [8].
Adolescenten zijn in staat tot formeel-operationeel denken [9].
In deze fase kunnen mensen nadenken over hun eigen denkprocessen [10].
De fasen van Piaget worden gekenmerkt door een bepaalde manier van denken en
begrijpen van de wereld [1, 11]. Piaget stelde dat de ontwikkeling van het denken in een
vaste volgorde verloopt [1].