Pathologie voor verpleegkundigen
H1 §1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Homeostase is inwendig evenwicht en aandoening (ziekte) is een verstoring van het homeostase. Pathologie is de leer van aandoeningen.
Anatomie de bouw van het lichaam en fysiologie het functioneren van het lichaam. Pathofysiologie is de leer van afwijkende processen die
tot ziekte leiden en het effect daarvan op het lichaam.
H1 §1.3 Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van oorzaken aan aandoeningen. Endogene factoren is van binnenuit, exogene factoren van buitenaf. Idiopatische
aandoening als de etiologie nog niet duidelijk is, vaak wel risicoverhoging factoren aanwijsbaar. Als de aandoening ontstaat door ingreep
door zorgdeskundige heet het iatrogene aandoening. Congenitaal betekend aangeboren.
Pathogenese beschrijft processen in het lichaam die, in reactie op de oorzaak (etiologie) tot ziekte kunnen leiden.
H1 §1.4 risicofactoren
Kans op aandoening vergroten.
Endogene factoren – leeftijd, geslacht, erfelijk, overgewicht, aanwezigheid andere aandoening.
Exogene factoren – fysisch, chemisch, stress, leefstijl.
H2 §2.1 Afweersysteem
Immuunsysteem is het afweersysteem. Lichaamsvreemde stof die het afweersysteem activeert noemen we antigeen.
Het Aspecifieke deel moet eerst geactiveerd worden dat het specifieke afweersysteem wordt blootgesteld aan antigeen. Het afweersysteem
bouwt weerstand, immuniteit. Aspecifieke/aangeboren afweer is altijd in het lichaam aanwezig en altijd actief.
In de luchtweg zitten trilhaartjes die de schadelijke stoffen naar de mond transporteren.
Speeksel in de keel is een barrière.
Zweet en talg in de huid.
In de ogen traanvocht.
Schadelijke micro organismen die door de eerste verdedigingslinie komen, komen aan bij de tweede. Hier vinden verschillende processen
plaats.
Ontsteking:
Rubor – roodheid
Calor – warmte
Dolor – pijn
Tumor – zwelling
Functio laesie – verlies van functie
Deze symptomen zijn het gevolg van de vaatveranderenderingen die optreden als reactie op ontstekingsmediatoren zoals histamine. Dit is
de vasculaire fase van afweer, dan is er verhoogde doorlaatbaarheid van de wanden in omgeving ontsteking, verwijding kleine bloedvaten
(vasodilatatie). Ontstekingsmediatoren worden afgegeven door oa mestcellen (witte bloedcellen in weefsels).
Bij koorts gaat de lichaamstermostaat in de hypothalamus onder invloed van prostaglandinen hoger dan anders. Prostaglandinen komen
vrij. Afweersysteem in hogere versnelling: fagocytose wordt gestimuleerd , productie antilichamen verhoogd, weefselherstel versneld.
Functies van lymfestelsel zijn afweer, vetabsorptie uit de dunne darm en transport van weefselvocht.
NK cellen herkent geïnfecteerde cellen en scheid perforine af, wat het celmembraan vernietigd.
Cytokinen zijn eiwitten die fungeren als chemische boodschappers voor het immuunsysteem.
Interferonen zijn eiwitten die door de geïnfecteerde cellen wordt afgegeven. En stimuleren de macrofagen en NKcellen.
Immunologisch geheugen. Immuunsysteem onthoud en herkent specifieke antigenen en dus infecties.
Humorale immuniteit maken de antistoffen, B-cellen. Een deel rijpt uit tot plasmacellen. Dit noemen we immunoglobulinen. Zij binden zich
aan de extracellulaire antigenen. Ander deel ontwikkeld zich tot geheugencellen. Zij herkennen de eerdere infecties. Secundaire
immuunrespons.
1
H1 §1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Homeostase is inwendig evenwicht en aandoening (ziekte) is een verstoring van het homeostase. Pathologie is de leer van aandoeningen.
Anatomie de bouw van het lichaam en fysiologie het functioneren van het lichaam. Pathofysiologie is de leer van afwijkende processen die
tot ziekte leiden en het effect daarvan op het lichaam.
H1 §1.3 Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van oorzaken aan aandoeningen. Endogene factoren is van binnenuit, exogene factoren van buitenaf. Idiopatische
aandoening als de etiologie nog niet duidelijk is, vaak wel risicoverhoging factoren aanwijsbaar. Als de aandoening ontstaat door ingreep
door zorgdeskundige heet het iatrogene aandoening. Congenitaal betekend aangeboren.
Pathogenese beschrijft processen in het lichaam die, in reactie op de oorzaak (etiologie) tot ziekte kunnen leiden.
H1 §1.4 risicofactoren
Kans op aandoening vergroten.
Endogene factoren – leeftijd, geslacht, erfelijk, overgewicht, aanwezigheid andere aandoening.
Exogene factoren – fysisch, chemisch, stress, leefstijl.
H2 §2.1 Afweersysteem
Immuunsysteem is het afweersysteem. Lichaamsvreemde stof die het afweersysteem activeert noemen we antigeen.
Het Aspecifieke deel moet eerst geactiveerd worden dat het specifieke afweersysteem wordt blootgesteld aan antigeen. Het afweersysteem
bouwt weerstand, immuniteit. Aspecifieke/aangeboren afweer is altijd in het lichaam aanwezig en altijd actief.
In de luchtweg zitten trilhaartjes die de schadelijke stoffen naar de mond transporteren.
Speeksel in de keel is een barrière.
Zweet en talg in de huid.
In de ogen traanvocht.
Schadelijke micro organismen die door de eerste verdedigingslinie komen, komen aan bij de tweede. Hier vinden verschillende processen
plaats.
Ontsteking:
Rubor – roodheid
Calor – warmte
Dolor – pijn
Tumor – zwelling
Functio laesie – verlies van functie
Deze symptomen zijn het gevolg van de vaatveranderenderingen die optreden als reactie op ontstekingsmediatoren zoals histamine. Dit is
de vasculaire fase van afweer, dan is er verhoogde doorlaatbaarheid van de wanden in omgeving ontsteking, verwijding kleine bloedvaten
(vasodilatatie). Ontstekingsmediatoren worden afgegeven door oa mestcellen (witte bloedcellen in weefsels).
Bij koorts gaat de lichaamstermostaat in de hypothalamus onder invloed van prostaglandinen hoger dan anders. Prostaglandinen komen
vrij. Afweersysteem in hogere versnelling: fagocytose wordt gestimuleerd , productie antilichamen verhoogd, weefselherstel versneld.
Functies van lymfestelsel zijn afweer, vetabsorptie uit de dunne darm en transport van weefselvocht.
NK cellen herkent geïnfecteerde cellen en scheid perforine af, wat het celmembraan vernietigd.
Cytokinen zijn eiwitten die fungeren als chemische boodschappers voor het immuunsysteem.
Interferonen zijn eiwitten die door de geïnfecteerde cellen wordt afgegeven. En stimuleren de macrofagen en NKcellen.
Immunologisch geheugen. Immuunsysteem onthoud en herkent specifieke antigenen en dus infecties.
Humorale immuniteit maken de antistoffen, B-cellen. Een deel rijpt uit tot plasmacellen. Dit noemen we immunoglobulinen. Zij binden zich
aan de extracellulaire antigenen. Ander deel ontwikkeld zich tot geheugencellen. Zij herkennen de eerdere infecties. Secundaire
immuunrespons.
1