Inleiding
Functies van het strafrecht zijn: repressief (vermogen ontnemen), instrumentele functie
(verleent bevoegdheden) en individu-beschermende functie.
Een doleus delict is een delict gepleegd met opzet, te herkennen aan woorden als
‘opzettelijk’ of werkwoorden als ‘mishandelen’.
Een culpoos delict is verwijtbaar delict, te herkennen aan ‘schuldig aan’ of ‘redelijkerwijs had
moeten vermoeden’.
● Omissiedelict is een delict dat nalaten strafbaar stelt
● Commissiedelict is een delict dat handelen strafbaar stelt
Algemene regels in het strafrecht:
1) Gewoonte is geen bron van strafbaarheid
2) Lex certa-beginsel: strafbaar feit moet duidelijk omschreven zijn
3) Analogie-verbod: een strafbepaling mag niet naar analogie worden toegepast
4) Nulla poena beginsel: geen feit is strafbaar dan een voorafgegane bepaalde wet
- Uitzondering (artikel 1 lid 2 SR)
Strafbaar feit
Een strafbaar feit is een menselijke gedraging die valt binnen een wettelijke
delictsomschrijving en die wederrechtelijk en verwijtbaar is.
Een menselijke gedraging en wettelijke delictsomschrijving worden bijzondere voorwaarden
genoemd omdat ze per geval verschillen.
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn elementen ook wel algemene voorwaarden
genoemd. Die elementen worden geacht aanwezig te zijn.
De voorwaarden van een strafbaar feit
Voorwaarde 1: Menselijke gedraging
(Rechts)personen; natuurlijk persoon, bv, nv (artikel 51 SR) (dieren zijn uitgesloten)
Gedraging; handelen of nalaten (commissie- en omissiedelicten)
Gedachten zijn niet strafbaar
Voorwaarde 2: Wettelijke delictsomschrijving
De wet moet aangeven dat iets strafbaar is
- Legaliteitsbeginsel (artikel 1 SR)
De bestanddelen moeten worden bewezen en de rechter moet uitleggen wat de
bestanddelen inhouden. De wetgever mag de bestanddelen niet te vaag maken, aangezien
dit in strijd is met het bestimmtheitsgebot (bepaaldheidsgebod).
Voorwaarde 3: Wederrechtelijkheid
De gedraging is in strijd met het recht (onrechtmatig)
- Wederrechtelijkheidbeginsel
,Element: hoeft niet bewezen te worden, vermoeden rijst van aanwezigheid
Rechtvaardigingsgrond
- Hiermee kan de wederrechtelijkheid worden weggenomen.
Voorwaarde 4: Verwijtbaarheid
Het moet gaan om schuld in de strafrechtelijke zin (schuldbeginsel)
Element
- Wordt geacht aanwezig te zijn
Tenzij er sprake is van een schulduitsluitingsgrond
Het woord ‘schuld’ heeft meerdere betekenissen
Schuld, opzet en culpa
Schuld (in brede zin) bestaat uit culpa en opzet.
Culpa (ook wel schuld in enge zin) bestaat uit onvoorzichtigheid en nalaten, het is de
verwijtbare onvoorzichtigheid. Opzet is met het oogmerk om te plegen.
Opzet (dolus)
(1) Doelopzet/ oogmerk (de ergste vorm) Klaas wil Willem vermoorden en koopt een geweer,
vervolgens schiet hij Willem dood.
(2) Opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn: het primaire gevolg staat onvermijdelijk vast.
Klaas heeft een hekel aan het gemeentehuis. Als Klaas op een dag zo boos is, gooit hij een
bom op het gemeentehuis waar Willem werkt. Willem overleed, ondanks dat dat niet per se
het doel was van Klaas.
(3) Voorwaardelijke opzet: het (primair) niet gewilde gevolg wordt alsnog voor lief
genomen, de aanmerkelijke kans daarop wordt bewust aanvaard. Klaas is kok en moet
een gerecht maken zonder noten omdat hij weet dat de klant een zware noten allergie heeft.
Het gaat hier om een klant waar hij een hekel aan heeft, daarom gooit Klaas alsnog een
nootje in het gerecht, dat zal hem leren, lekker even een paar dagen ziek zijn. Helaas overlijdt
de klant als gevolg van het eten van het nootje. Klaas heeft hier willens en weten de
aanmerkelijke kans aanvaard dat de klant zou te komen overlijden (HR Hoornse taart).
Schuld (culpa)
(1) Grove schuld (culpa lata)
- Bewuste schuld ongerechtvaardigd optimisme/ misplaatst vertrouwen in de
goede afloop
(2) Lichte schuld (culpa levis)
- Onbewuste schuld misplaatste onoplettendheid
Culpa is een element en wordt dus geacht aanwezig te zijn als aan alle bestanddelen is
voldaan. Als culpa een bestanddeel is, is het opgenomen in de delictsomschrijving en moet
het bewezen worden. Dit zie je in artikel 307 SR.
Culpa in causa = schuld in oorzaak
Gebruikt de wetgever het woord ‘opzet’ dan omvat dit alle opzetgradaties. Staat schuld in de
delictsomschrijving dan voldoet enkel ‘bewuste schuld’.
, De objectieve component van culpa, hoe meet je dat?
● Feitelijk deel
- De kans van het gevolg
- De ernst van het gevolg
● Normatieve deel
- Criteriumfiguur (‘normaal, redelijk denkend mens)
- Garantenstellung van sommige mensen verwacht je meer oplettendheid door
hun beroep/ kennis/ positie (HR Verpleegster)
- De wettelijke of maatschappelijke norm (vind de maatschappij dit oke)
- De voorzienbaarheid (HR Blackout)
De subjectieve componenten van culpa;
● Had je anders kunnen handelen? Als er aan de objectieve component is voldaan,
wordt er verondersteld dat er ook aan de subjectieve component is voldaan (je had
dan anders kunnen handelen)
- Tenzij sprake van schulduitsluitingsgrond.
Bestanddelen
De objectieve bestanddelen gaan over de feiten en zeggen niets over de houding van de
dader. Objectieve bestanddelen zijn: de gedraging, het gevolg en de omstandigheden.
De subjectieve bestanddelen gaan over de intentie van de dader. Dit kan opzet of culpa
(schuld in enge zin) zijn.
Legaliteitsbeginsel
De drie vormen van legaliteitsbeginsel zijn;
(1) Materieel legaliteitsbeginsel
(2) Formeel legaliteitsbeginsel
(3) Legaliteitsbeginsel in vervolging
Materieel legaliteitsbeginsel
Geregeld in artikel 1 SR en artikel 16 GW: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een
daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.
Het materieel legaliteitsbeginsel bestaat uit 4 aspecten:
1. Lex Scripta beginsel: Het moet in het geschreven recht aanwezig zijn wet in formele
zin, algemene plaatselijke verordeningen, Algemene Maatregelen van Bestuur
2. Lex Praevia beginsel: Een wet moet voor de gedraging van de verdachte al strafbaar
zijn (verbod van terugwerkende kracht). Het verbod op terugwerkende kracht geldt
alleen als het in nadeel is van de verdachte (art. 1 lid 2 Sr) Hieruit volgt dan ook het
lex mitior beginsel: bij verandering van de wet na het tijdstip waarop het feit begaan
is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.
3. Lex Certa beginsel: De bepaling in de wet moet specifiek genoeg zijn
(rechtszekerheid). Het is onmogelijk elke situatie in de wet te beschrijven.