Annotatie bij arrest van 29 juli 2024, C-202/24, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster)
Inleiding
De Brexit in 2020 betekende niet het einde van de samenwerking tussen EU-lidstaten en het Verenigd
Koninkrijk (hierna: VK) in het strafrechtelijk domein, maar zorgde wel voor een verminderd niveau van
‘wederzijds vertrouwen’.1 De justitiële samenwerking tussen ‘soevereine gelijken’ wordt sindsdien beheerst door
de Handels- en samenwerkingsovereenkomst (HSO), en niet langer door het EAB zoals dat het geval is indien
sprake is van twee EU-lidstaten.2
Feiten en rechtsvraag
De Ierse rechter (onderdeel van het VK) vaardigde in 2020 naar aanleiding van verdenking van misdrijven van
terroristische aard vier aanhoudingsbevelen tegen MA uit. Bij de hoogste Ierse rechter stelde MA dat zijn
overlevering aan het VK onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel is, omdat het VK haar regels met betrekking
tot voorwaardelijke invrijheidsstelling – voor hem ongunstig – heeft gewijzigd. 3 De kern van de onderhavige
zaak draait enerzijds om de vraag of een lidstaat een aanhoudingsbevel mag weigeren indien er een risico op
schending van het legaliteitsbeginsel bestaat, gelet op het feit dat de gezochte persoon bij veroordeling
onderworpen is aan een strenger regime van voorwaardelijke invrijheidsstelling dan op het moment van het
vermeende misdrijf. Anderzijds is aan de orde in hoeverre de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet controleren
of de autoriteit van de lidstaat dat om uitlevering vraagt, de grondrechten van de betrokkene respecteert. 4
Advocaat-generaal
Volgens advocaat-generaal Szpunar (hierna: A-G) dient een nationale rechterlijke autoriteit die een
overleveringsverzoek van het VK ontvangt, zelf na te gaan – uitgaande van objectieve en betrouwbare gegevens
– of de uitlevering van de betrokkene diens rechten uit art. 49 lid 1 Handvest schendt. Indien de betrokkene een
risico op schending van diens rechten in kwestie loopt kan het overleveringsverzoek worden geweigerd, mits
daar substantiële aanwijzingen voor bestaan. De A-G betoogt dat het feit dat de gezochte persoon, indien
veroordeeld, onder striktere voorwaarden valt dan op de dag van het vermeende delict, an sich geen schending
van art. 49 lid 1 Handvest (legaliteitsbeginsel) vormt. In dit geval bestaat er geen grond om het
aanhoudingsbevel niet ten uitvoer te leggen, zo overweegt hij.5
Analyse
Het beginsel van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning vormt de fundamentele basis voor
strafrechtelijke samenwerking tussen lidstaten. 6 De tenuitvoerlegging van een EAB is de norm, terwijl
weigering daarvan slechts als uitzondering geldt. 7 Deze zaak vormt een belangrijke ontwikkeling in het kader
van de discussie over in hoeverre overleveringen geweigerd kunnen worden indien een uitvaardigende lidstaat
fundamentele rechten dreigt te ondermijnen. Dit speelt des te sterker nu het VK sinds de Brexit in 2020 geen
EU-lidstaat meer is.8 De Brexit maakt dat geen sprake is van het overleveringsmechanisme uit het EAB. 9
Hierdoor ligt het vertrouwen in het Brits rechtsstelsel niet langer op hetzelfde niveau in vergelijking tot EU-
lidstaten onderling.10 De overlevering van personen die verdacht worden van een strafbaar feit tussen het VK en
1
M.K. Bulterman, ‘Brexit en strafrechtelijke samenwerking: de gevolgen van het perspectief van vertrek uit de Unie voor de
tenuitvoerlegging van een EAB’, NtEr 2019/1-2, p. 32.
2
J.E. Larik & R.A. Wessel, ‘De Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK: partnerschap of
conflictbeheersing?’, NtEr 2022/1-2, p. 1.
3
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 19-25.
4
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 34.
5
Concl. A-G M. Szpunar 27 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:559 (Alchaster).
6
Zie de arresten van 25 juli 2018, minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU,
EU:C:2018:586, r.o 40 en 41, en 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind), C-261/22,
EU:C:2023:1017, r.o 35 en 36.
7
HvJ EU 21 december 2023, C-261/22, ECLI:EU:C:2023:1017, r.o 37 en 43; art. 1 EAB-Kaderbesluit.
8
‘Brexit - EU-VK akkoord: nieuwe regels’, rijksoverheid.nl.
9
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 61 jo. 71.
10
J.W. Ouwekerk, commentaar op Wet van 14 juli 2021, in: T&C Internationaal strafrecht en strafrechtelijke samenwerking,
Stb. 355: Inleidende opmerkingen (online, bijgewerkt 1 oktober 2024), p. 1 onder b. Zie ook R.A. Wessel & J.E. Larik,
Inleiding
De Brexit in 2020 betekende niet het einde van de samenwerking tussen EU-lidstaten en het Verenigd
Koninkrijk (hierna: VK) in het strafrechtelijk domein, maar zorgde wel voor een verminderd niveau van
‘wederzijds vertrouwen’.1 De justitiële samenwerking tussen ‘soevereine gelijken’ wordt sindsdien beheerst door
de Handels- en samenwerkingsovereenkomst (HSO), en niet langer door het EAB zoals dat het geval is indien
sprake is van twee EU-lidstaten.2
Feiten en rechtsvraag
De Ierse rechter (onderdeel van het VK) vaardigde in 2020 naar aanleiding van verdenking van misdrijven van
terroristische aard vier aanhoudingsbevelen tegen MA uit. Bij de hoogste Ierse rechter stelde MA dat zijn
overlevering aan het VK onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel is, omdat het VK haar regels met betrekking
tot voorwaardelijke invrijheidsstelling – voor hem ongunstig – heeft gewijzigd. 3 De kern van de onderhavige
zaak draait enerzijds om de vraag of een lidstaat een aanhoudingsbevel mag weigeren indien er een risico op
schending van het legaliteitsbeginsel bestaat, gelet op het feit dat de gezochte persoon bij veroordeling
onderworpen is aan een strenger regime van voorwaardelijke invrijheidsstelling dan op het moment van het
vermeende misdrijf. Anderzijds is aan de orde in hoeverre de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet controleren
of de autoriteit van de lidstaat dat om uitlevering vraagt, de grondrechten van de betrokkene respecteert. 4
Advocaat-generaal
Volgens advocaat-generaal Szpunar (hierna: A-G) dient een nationale rechterlijke autoriteit die een
overleveringsverzoek van het VK ontvangt, zelf na te gaan – uitgaande van objectieve en betrouwbare gegevens
– of de uitlevering van de betrokkene diens rechten uit art. 49 lid 1 Handvest schendt. Indien de betrokkene een
risico op schending van diens rechten in kwestie loopt kan het overleveringsverzoek worden geweigerd, mits
daar substantiële aanwijzingen voor bestaan. De A-G betoogt dat het feit dat de gezochte persoon, indien
veroordeeld, onder striktere voorwaarden valt dan op de dag van het vermeende delict, an sich geen schending
van art. 49 lid 1 Handvest (legaliteitsbeginsel) vormt. In dit geval bestaat er geen grond om het
aanhoudingsbevel niet ten uitvoer te leggen, zo overweegt hij.5
Analyse
Het beginsel van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning vormt de fundamentele basis voor
strafrechtelijke samenwerking tussen lidstaten. 6 De tenuitvoerlegging van een EAB is de norm, terwijl
weigering daarvan slechts als uitzondering geldt. 7 Deze zaak vormt een belangrijke ontwikkeling in het kader
van de discussie over in hoeverre overleveringen geweigerd kunnen worden indien een uitvaardigende lidstaat
fundamentele rechten dreigt te ondermijnen. Dit speelt des te sterker nu het VK sinds de Brexit in 2020 geen
EU-lidstaat meer is.8 De Brexit maakt dat geen sprake is van het overleveringsmechanisme uit het EAB. 9
Hierdoor ligt het vertrouwen in het Brits rechtsstelsel niet langer op hetzelfde niveau in vergelijking tot EU-
lidstaten onderling.10 De overlevering van personen die verdacht worden van een strafbaar feit tussen het VK en
1
M.K. Bulterman, ‘Brexit en strafrechtelijke samenwerking: de gevolgen van het perspectief van vertrek uit de Unie voor de
tenuitvoerlegging van een EAB’, NtEr 2019/1-2, p. 32.
2
J.E. Larik & R.A. Wessel, ‘De Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK: partnerschap of
conflictbeheersing?’, NtEr 2022/1-2, p. 1.
3
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 19-25.
4
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 34.
5
Concl. A-G M. Szpunar 27 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:559 (Alchaster).
6
Zie de arresten van 25 juli 2018, minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU,
EU:C:2018:586, r.o 40 en 41, en 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind), C-261/22,
EU:C:2023:1017, r.o 35 en 36.
7
HvJ EU 21 december 2023, C-261/22, ECLI:EU:C:2023:1017, r.o 37 en 43; art. 1 EAB-Kaderbesluit.
8
‘Brexit - EU-VK akkoord: nieuwe regels’, rijksoverheid.nl.
9
HvJ EU 29 juli 2024, Zaak C-202/24 (Alchaster), r.o. 61 jo. 71.
10
J.W. Ouwekerk, commentaar op Wet van 14 juli 2021, in: T&C Internationaal strafrecht en strafrechtelijke samenwerking,
Stb. 355: Inleidende opmerkingen (online, bijgewerkt 1 oktober 2024), p. 1 onder b. Zie ook R.A. Wessel & J.E. Larik,