Hoofdstuk 1: Kiezen
Opofferingskosten: opbrengst van het beste niet gekozen alternatief.
Koopkracht: reëel inkomen; hoeveelheid van goederen en diensten die je kunt kopen van
je inkomen.
Uitleg:
1. Inkomen
2. Prijs (van het product) → Algemene prijs pijl.
Voorbeeld: inkomen = €10,-
prijs product = €2,-
koopkracht = €10,-/€2,- = 5
reëel inkomen = 5
nominaal inkomen = €10,-
Inflatie: gemiddelde prijsstijging van een land.
Budget: De som van alle middelen van iemand
Budgetlijn: De lijn van alle productcombinaties die je maximaal met een
bepaald budget kunt kopen. Rekenkundig: p1 ༚ q 1 + p2 ༚ q 2
Dominante strategie: ongeacht de keuze van een ander komt er bij één keuze voor jezelf
de best mogelijke uitkomst uit.
Gevangenen dilemma: als beide partijen dominante strategie doen komt er niet de beste
gezamenlijke uitkomst uit, meestal de allerslechtste voor beiden.
Hoe de optimale uitkomst bereiken?
● Collectieve dwang vanuit de overheid
● Contract: bindende afspraak tussen de twee partijen
● Zelfbinding: partij geeft zelf aan om voor een keuze te kiezen, als deze zich hier niet
aan houdt leidt hij of zij reputatieschade.
Constante kosten: veranderen niet als je productieomvang gaat veranderen.
Variabele kosten: veranderen wél a
ls je de productieomvang gaat veranderen.
Afschrijvingskosten: (aanschafwaarde - restwaarde) / levensduur
Hoofdstuk 2: Jeugd
Stroomgrootheid: momentopname, bijvoorbeeld lenen
Voorraadgrootheid: periode, langdurig, bijvoorbeeld sparen
Gini-coëfficiënt: A / (A+B) ;
Uitkomst rond de 1 → inkomensverschillen groot.
Uitkomst precies 0 → inkomensverschillen zijn er NIET.
Hoe groter het getal (/hoe dichter bij 1), hoe groter de inkomensverschillen