ECONOMIE VOOR BEDRIJFSKUNDE – 75% TENTAMEN HC 6 T/M 10
HC 6 - INTRODUCTIE MICRO-ECONOMIE + VRAAG, AANBOD
EN WELVAART
Economie draait om keuze en interactie en het genereren van welvaart.
Welvaart: niet alleen geld of materiele zaken, maar alles wat mensen gelukkig maakt.
Keuze: nodig omdat middelen schaars zijn en op verschillende manieren ingezet kunnen worden.
Interactie: keuzes van individuen zijn niet onafhankelijk van elkaar.
Ruil (handel) op markten speelt belangrijke rol: kan een belangrijke bron van welvaart zijn.
Micro-economie:
Gaat vooral over hoe individuen keuzes maken en hoe deze keuzes interacteren bijvoorbeeld
op een markt.
Bekijkt steeds 1 markt tegelijk, niet de interactie tussen markten.
Smith's onzichtbare hand: markten werken goed dus als individuen hun eigen welvaart
nastreven, bevordert dit de welvaart van de samenleving als geheel.
Maar markten werken vaak niet goed of leiden tot onwenselijke uitkomsten.
Dan kan overheidsingrijpen vaak tot een betere uitkomst leiden.
KEUZE EN WELVAART
Economie gaat over kiezen bij schaarste:
Je moet er iets voor doen of opgeven (tijd/geld) om iets te krijgen → opofferingskosten (opportunity
cost).
Je weegt deze kosten af tegen de opbrengsten.
Opbrengst is de subjectieve waarde voor een individu.
Bij een goede keuze is de opbrengst hoger dan de kosten → creëert welvaart.
Welvaartswinst individu = subjectieve waarde - opportunity cost
Welvaartswinst bij koop op markt:
In dit geval kosten = prijs.
Subjectieve waarde uitgedrukt in geld = betalingsbereidheid.
Welvaartswinst = betalingsbereidheid - prijs → individueel consumentensurplus.
Welvaartswinst bij verkoop op markt:
Verkoper/producent verkoopt als (subjectieve) kosten < prijs.
Welvaartswinst = prijs - kosten → individueel producenten surplus.
VRAAG EN AANBOD
Vraagcurve: laat zien hoeveel mensen bereid zijn om te kopen/vragen bij verschillende prijzen.
Relatie tussen vraag en prijs.
Verschuiving van de vraagcurve: verandering in de gevraagde hoeveelheid gegeven de prijs (prijs
constant houden).
,Welke factoren zorgen voor een verschuiving van de vraagcurve:
Veranderingen in voorkeuren.
Veranderingen in de prijzen van gerelateerde goederen:
Substituten: stijging van de prijs van goed 1 verhoogt de vraag naar goed 2. Cola en Pepsi.
Complementen: stijging van de prijs van goed 1 verlaagt de vraag naar goed 2. Tandpasta en
borstel.
Verandering in inkomen:
Normale goederen: stijging inkomen verhoogt vraag.
Inferieure goederen: stijging inkomen verlaagt vraag.
Veranderingen in verwachtingen (aandelenmarkt, bitcoins).
Andere factoren: alle factoren die van invloed zijn op de betalingsbereidheid van
consumenten.
Beweging langs de vraagcurve: een verandering in de gevraagde hoeveelheid als gevolg van een
verandering in de prijs.
Totale consumentensurplus: de som van de individuele consumenten-surplussen van alle kopers van
een goed. Geeft de gezamenlijke welvaartswinst van alle kopers op een markt weer. Een daling van
de prijs zorgt voor een toename van het totale consumentensurplus.
Totale consumentensurplus = totale welvaartswinst consumenten dat wordt gegenereerd door het
bestaan van een markt van een goed is gelijk aan de oppervlakte onder de vraagcurve en boven de
prijs van het goed.
, Aanbodcurve: laat zien hoeveel aanbieders bereid zijn om tegen verschillende prijzen te
verkopen/leveren; relatie hoeveelheid en prijs.
Verschuiving van de aanbodcurve: verandering in het aanbod gegeven de prijs (alle factoren behalve
prijs).
Waardoor verschuift de aanbodcurve:
Veranderingen in voorkeuren.
Veranderingen in de inputprijzen (minder duur = meer aanbod). Input: goed dat wordt
gebruikt om een ander goed te produceren.
Veranderingen in technologie (zet inputs efficiënter om naar output).
Veranderingen in verwachtingen (verwachting dat de aandelenkoers stijgt = minder aanbod).
Overige factoren: weer/klimaat, aantal producenten, alle factoren die van invloed zijn op de
bereidheid om te verkopen.
Beweging langs de aanbodcurve: een verandering in de aangeboden hoeveelheid als gevolg van een
verandering in de prijs.
Totale producentensurplus: de som van de individuele producenten surplussen van alle verkopers
van een goed. Geeft de gezamenlijke welvaartswinst van alle verkopers op een markt weer. Een
stijging van de prijzen verhoogt het producentensurplus.
Totale producentensurplus = totale welvaartswinst producenten van het bestaan van een markt van
een goed is gelijk aan de oppervlakte boven de aanbodcurve maar onder de prijs op de markt.
HC 6 - INTRODUCTIE MICRO-ECONOMIE + VRAAG, AANBOD
EN WELVAART
Economie draait om keuze en interactie en het genereren van welvaart.
Welvaart: niet alleen geld of materiele zaken, maar alles wat mensen gelukkig maakt.
Keuze: nodig omdat middelen schaars zijn en op verschillende manieren ingezet kunnen worden.
Interactie: keuzes van individuen zijn niet onafhankelijk van elkaar.
Ruil (handel) op markten speelt belangrijke rol: kan een belangrijke bron van welvaart zijn.
Micro-economie:
Gaat vooral over hoe individuen keuzes maken en hoe deze keuzes interacteren bijvoorbeeld
op een markt.
Bekijkt steeds 1 markt tegelijk, niet de interactie tussen markten.
Smith's onzichtbare hand: markten werken goed dus als individuen hun eigen welvaart
nastreven, bevordert dit de welvaart van de samenleving als geheel.
Maar markten werken vaak niet goed of leiden tot onwenselijke uitkomsten.
Dan kan overheidsingrijpen vaak tot een betere uitkomst leiden.
KEUZE EN WELVAART
Economie gaat over kiezen bij schaarste:
Je moet er iets voor doen of opgeven (tijd/geld) om iets te krijgen → opofferingskosten (opportunity
cost).
Je weegt deze kosten af tegen de opbrengsten.
Opbrengst is de subjectieve waarde voor een individu.
Bij een goede keuze is de opbrengst hoger dan de kosten → creëert welvaart.
Welvaartswinst individu = subjectieve waarde - opportunity cost
Welvaartswinst bij koop op markt:
In dit geval kosten = prijs.
Subjectieve waarde uitgedrukt in geld = betalingsbereidheid.
Welvaartswinst = betalingsbereidheid - prijs → individueel consumentensurplus.
Welvaartswinst bij verkoop op markt:
Verkoper/producent verkoopt als (subjectieve) kosten < prijs.
Welvaartswinst = prijs - kosten → individueel producenten surplus.
VRAAG EN AANBOD
Vraagcurve: laat zien hoeveel mensen bereid zijn om te kopen/vragen bij verschillende prijzen.
Relatie tussen vraag en prijs.
Verschuiving van de vraagcurve: verandering in de gevraagde hoeveelheid gegeven de prijs (prijs
constant houden).
,Welke factoren zorgen voor een verschuiving van de vraagcurve:
Veranderingen in voorkeuren.
Veranderingen in de prijzen van gerelateerde goederen:
Substituten: stijging van de prijs van goed 1 verhoogt de vraag naar goed 2. Cola en Pepsi.
Complementen: stijging van de prijs van goed 1 verlaagt de vraag naar goed 2. Tandpasta en
borstel.
Verandering in inkomen:
Normale goederen: stijging inkomen verhoogt vraag.
Inferieure goederen: stijging inkomen verlaagt vraag.
Veranderingen in verwachtingen (aandelenmarkt, bitcoins).
Andere factoren: alle factoren die van invloed zijn op de betalingsbereidheid van
consumenten.
Beweging langs de vraagcurve: een verandering in de gevraagde hoeveelheid als gevolg van een
verandering in de prijs.
Totale consumentensurplus: de som van de individuele consumenten-surplussen van alle kopers van
een goed. Geeft de gezamenlijke welvaartswinst van alle kopers op een markt weer. Een daling van
de prijs zorgt voor een toename van het totale consumentensurplus.
Totale consumentensurplus = totale welvaartswinst consumenten dat wordt gegenereerd door het
bestaan van een markt van een goed is gelijk aan de oppervlakte onder de vraagcurve en boven de
prijs van het goed.
, Aanbodcurve: laat zien hoeveel aanbieders bereid zijn om tegen verschillende prijzen te
verkopen/leveren; relatie hoeveelheid en prijs.
Verschuiving van de aanbodcurve: verandering in het aanbod gegeven de prijs (alle factoren behalve
prijs).
Waardoor verschuift de aanbodcurve:
Veranderingen in voorkeuren.
Veranderingen in de inputprijzen (minder duur = meer aanbod). Input: goed dat wordt
gebruikt om een ander goed te produceren.
Veranderingen in technologie (zet inputs efficiënter om naar output).
Veranderingen in verwachtingen (verwachting dat de aandelenkoers stijgt = minder aanbod).
Overige factoren: weer/klimaat, aantal producenten, alle factoren die van invloed zijn op de
bereidheid om te verkopen.
Beweging langs de aanbodcurve: een verandering in de aangeboden hoeveelheid als gevolg van een
verandering in de prijs.
Totale producentensurplus: de som van de individuele producenten surplussen van alle verkopers
van een goed. Geeft de gezamenlijke welvaartswinst van alle verkopers op een markt weer. Een
stijging van de prijzen verhoogt het producentensurplus.
Totale producentensurplus = totale welvaartswinst producenten van het bestaan van een markt van
een goed is gelijk aan de oppervlakte boven de aanbodcurve maar onder de prijs op de markt.