Abiotische factoren = alles wat niet leeft; temperatuur, wind, lichtsterkte,
bodemsamenstelling.
Biotische factoren = alles wat leeft; hoeveelheid voedsel, predator,
voortplantingsaanwezigheid.
Opbouw wetenschappelijke naam (binominaal) = geslacht – soort – (ondersoort).
Populatiegrootte hangt af van:
1. Natuurlijke vijanden.
2. Hoeveelheid voedsel bepaald of predatoren toenemen, daarna nemen ze
weer af:
3. Aanwezigheid van ziektes.
Vb. predator-prooi relaties = muizen vossen/roofvogels/…
Plaag verstoort het evenwicht, hierdoor wordt de draagkracht van een gebied
overschreden.
Veel dezelfde organismen in een gebied = monocultuur, voorbeeld in landbouw:
Voordeel: gemak, veel van 1 product/gewas.
Nadeel: lage biodiversiteit, uitputting, ziekteverspreiding.
Termen bij biologische landbouw:
Gewone mest
Natuurlijke vijanden inzetten voor bestrijding
Handmatig ongedierte verwijderen
Netten ophangen om vraat te voorkomen
Meer biodiversiteit dus kleinere percelen
Voordeel ongeslachtelijke voortplanting = kloneren, dus geen partner nodig.
Voordeel geslachtelijke voortplanting = bescherming tegen genetische mutaties
door de grotere genetische diversiteit.
Trofische niveaus: producent Consument 1e orde Consument 2e orde
Consument 3e …
Hoofdstuk 6
§1 Soorten benoemen en indelen
Organismen behoren tot een bepaalde soort zodra er overeenkomstige
kenmerken zijn die bij onderlinge kruising vruchtbare nakomelingen krijgen en
overeenkomsten hebben in het DNA.
Als er dus twee verschillende soorten met elkaar kruisen dan komen er
onvruchtbare hybride nakomelingen uit. Er is een indeling van organismen
gemaakt op basis van algemene kenmerken: soorten families orden rijken
, domeinen. Waarbij er drie domeinen zijn met elk een eigen type RNA: archaea,
bacteriën en eukaryoten.
§2 Populatiegrootte en populatiebeheer
Een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied vormen een
populatie. En deze populatie is te bepalen door: tellen, schatten, vangst-terug
vangstmethode of DNA-technieken. Populaties groeien door geboorte en
immigratie en nemen af door sterfte en emigratie. Daarnaast maakt het
natuurbeheer de gebieden leefbaar voor de soorten door o.a.: barrières op te
heffen, bescherming, dieren uitzetten of herintroduceren, ontsnippering of juist
populatiegroei te remmen (jacht).
De grootste invloed op het aantal organisme dat in een gebied kan leven heet de
beperkende factor. Daarnaast bepaald de draagkracht van een gebied wat de
maximale hoeveelheid van voedsel en schuil- en nestgelegenheid die het gebied
voor organismen kan bieden.
§3 De leefomgeving van soorten
Adaptaties = erfelijke aanpassingen waardoor individuen van een soort grotere
overlevingskansen krijgen.
Habitat = de plaats waar een diersoort voorkomt. Niche = hoe een soort de
omgeving gebruikt en beïnvloedt.
Doordat sommige soorten in eenzelfde habitat (plaats) voorkomen maar een
verschillende niche hebben zorgt dit ervoor dat er concurrentie wordt vermeden.
De meeste dieren van een soort leven op een optimumwaarde voor een
abiotische factor. Als de waarde hier buiten liggen dan kan geen een dier
overleven.
§4 Voedselketens en relaties tussen soorten
Er zijn 3 typen dieren: herbivoor, carnivoor (predator-prooirelatie) en omnivoor.
Deze zijn verbonden in een voedselketen. In een voedsel web zijn de schakels uit
de voedselketens van een bepaald gebied met elkaar verbonden. Persistente
(blijvende) gifstoffen accumuleren (ophopen/stapelen op) in de voedselketen.
Symbiose = een langdurige relaties tussen twee soorten: (3 soorten)
1. Mutualisme = beide soorten voordeel
2. Commensalisme en epifytisme = ene voordeel en ander geen voor- of
nadeel.
3. Parasitisme = ene voordeel en ander nadeel.
§5 Kleine en nieuwe populaties
Een populatie met een kleine genetische variatie heeft het meestal een lage
fitness/kwetsbaar.
Ook kunnen populaties verarmen/krimpen door genetic drift en inteelt (kruisen
van soorten).
In een nieuwe kleine populatie is vaak een stichtereffect (invloed van stichtende
individuen in een populatie op genen) aanwezig.