Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting - Bestuursrecht en Staatsrecht

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
39
Geüpload op
26-05-2025
Geschreven in
2022/2023

Samenvatting bevat aantekeningen van colleges, aantekeningen van lessen en uitwerking van literatuur samengevat in éen document.

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Staatsrecht:
Hoofdstuk 1.3:
De rechtsregels die het staatsgezag en de organisatie van de staat vastleggen worden constitutie of
staatsregelingen genoemd. De Nederlandse constitutie is te vinden in de Grondwet, het Statuut voor
het Koninkrijk, in verdragen en het gewoonterecht. Daarnaast bevatten organieke wetten regels van
staatrecht, behoren de eigen reglementen van de staatsorganen tot de Nederlandse constitutie en
geeft de jurisprudentie een nadere interpretatie.

Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden  Het Statuut regelt de organisatie van het Koninkrijk
en de onderlinge verhoudingen en samenwerkingen tussen Nederland en de overzeese delen van het
Koninkrijk.

Grondwet  De Grondwet regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat en de
staatsorganen en de verdeling van de staatsmacht. De Grondwet vult het Statuut aan voor wat
betreft zaken die het gehele Koninkrijk betreffen. Verder bevat de Grondwet de grondrechten, die
burgers beschermen tegen al te grote inbreuken door de staat. De verankering van de grondrechten
in de Grondwet biedt extra zekerheid, aangezien dit de hoogste wet is in Nederland.

Organieke wetten, reglementen  Als de Grondwet bepaalt dat iets nader geregeld moet worden in
een wet in formele zin spreken we van een organieke wet. VB: de Gemeentewet en de Provinciewet.
Reglementen van de staatsorganen regelen onder andere de gang van zaken bij vergaderingen en
andere werkzaamheden. VB: Reglement van Orde voor de Ministerraad en Reglementen van Orde
van de Eerste en Tweede Kamer.

Gewoonterecht  Omdat het staatsrecht zich ontwikkelt, vinden we dit ook in (ongeschreven)
regels van gewoonterecht. Van een gewoonte is sprake als een bepaald gebruik waarvan men vindt
dat het juridisch gezien zo hoort, een zekere tijd voortduurt. VB: vertrouwensregel

Verdragen en Europese maatregelen  De regels in verdragen die rechtstreeks van toepassing zijn
in Nederland, zijn bronnen van het Nederlandse staatsrecht. Daarnaast zijn er ook Europese
verordeningen en richtlijnen die rechtstreeks doorwerken in het nationale recht van de lidstaten van
de EU, dit zijn ook bronnen van staatsrecht.

Jurisprudentie  Met de uitspraken van rechters over een bepaald geschil verduidelijken zij de
bestaande rechtsregels en passen zij deze toe op het concrete geval. Op deze manier wordt, waar het
om zaken gaat die het staatsrecht betreft, ook nieuw staatsrecht gevormd.

Hoofdstuk 2:
Het gaat er om dat ieder mens bepaalde rechten heeft die horen bij mens-zijn. Deze mensenrechten
worden grondrechten genoemd en zijn onvervreemdbaar, dat wil zeggen dat ze niet aan een ander
kunnen worden overgedragen. Grondrechten kunnen worden ingedeeld in twee groepen: klassieke
grondrechten en sociale grondrechten. De grondrechten zijn te vinden in de Grondwet.

Klassieke grondrechten  waarborgen in zekere zin de vrijheden van burgers die de overheid (zo
veel mogelijk) moet respecteren, waardoor voor de burger een staatsvrije sfeer wordt gewaarborgd.
Dergelijke grondrechten zijn waarborgnormen en worden ook wel vrijheidsrechten genoemd. Zij zijn
al eeuwen erkend.
Sociale grondrechten  vormen als het ware een opdracht voor de overheid om ervoor te zorgen
dat er sociale gerechtigheid heerst in de samenleving en dat iedere burger kan beschikken over
voldoende gezondheidszorg, onderwijs en inkomen zodat hij zichzelf kan ontplooien. Omdat burgers
de benodigde actie van de overheid niet persoonlijk kunnen afdwingen en men daarom twijfelde aan
het juridische gewicht van deze instructienormen, zijn de sociale grondrechten pas in 1983 in de

1

,Grondwet opgenomen. Belangrijke Europese verdragen waarin mensenrechten zijn vastgelegd zijn
het EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden), dat vooral vrijheidsrechten bevat. Het ESH (Europees Sociaal Handvest), waarin naast de
hiervoor genoemde sociale grondrechten ook bijvoorbeeld het recht voor werknemers om te staken
is opgenomen. Op mondiaal niveau heeft de Algemene Vergadering van de VN de grondrechten uit
de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verwerkt in het IVBPR (Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten) ook wel BUPO genoemd en in het ECOSOC (Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten). Het BUPO bevat naast de reeds
genoemde mensenrechten onder andere nog het verbod op foltering en wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling of bestraffing, het verbod op slavernij en dwangarbeid en het recht op
gezinsleven, ter bescherming van gezin en huwelijk. Naast grondrechten uit het EVRM bevat het
Handvest ook een aantal andere rechten, zoals het recht op asiel en het recht op behoorlijk bestuur,
en belangrijke sociale beginselen als bescherming tegen ongerechtvaardigd ontslag, toegang tot
sociale zekerheid en sociale bijstand.

Grondrechten hebben in de eerste plaats hun werking in de relatie tussen de overheid en de burger.
We spreken dan van een verticale werking. Bij klassieke grondrechten gaat het om onthouding van
bemoeienis door de overheid; bij sociale grondrechten moet de overheid juist actief ingrijpen. Ook in
de relatie tussen burgers spelen grondrechten echter een rol. De kern van de horizontale werking
van de grondrechten, dus tussen burgers onderling, bestaat eruit dat burgers elkaars grondrechten
moeten respecteren, maar dat mate waarin een grondrecht doorwerkt per situatie kan verschillen.
De vrijheidsrechten uit het EVRM en het BUPO zijn gelet op hun inhoud in de relatie van de burger
tot de overheid voor iedereen bindend. Zij hebben dus rechtstreekse werking.

Grondrechten kunnen botsen zoals bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting tegen het verbod op
discriminatie. Een extra moeilijkheid bij de beoordeling van de doorwerking van grondrechten in
horizontale verhoudingen, is dat partijen door het sluiten van een overeenkomst zelf afspraken
kunnen maken die een grondrecht beperkt. De rechter zal bij de beoordeling van een geschil tussen
burgers het grondrecht van de één als zwaarwegend belang afwegen tegen de belangen van de
ander. Sommige grondrechten zijn alleen grondwettelijk gewaarborgd voor degenen die de
Nederlandse nationaliteit bezitten. Dergelijke grondrechten, die voorwaarden stellen aan de
nationaliteit, worden burgerschapsrechten genoemd. Hoewel grondrechten voor de burger een
staatsvrije sfeer waarborgen, kan de overheid grondrechten ook beperken. Het beperken van
grondrechten is gebonden aan 4 duidelijke voorwaarden:
 De mogelijkheid om grondrechten te bepreken moet worden vastgelegd in de Grondwet of
in een verdrag
 De beperking dient ter bescherming van een bepaald doel dat in de Grondwet of het verdrag
is aangegeven.
 De beperking en/of de bevoegdheid om te beperken, moet worden vastgelegd in een wet in
formele zin of in een lagere regeling die daarop is gebaseerd
 (Soms) De beperking moet noodzakelijk in een democratische samenleving
Uiteindelijk moet de beperking van een grondrecht altijd terug te voeren zijn op de Grondwet.
Sommige verdragen zoals het EVRM stellen voor de beperking van bepaalde, rechtstreeks werkende
grondrechten in het verdrag als extra voorwaarde dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een
democratische samenleving. Beperking is dan alleen toegestaan als daarvoor een dringend
maatschappelijk belang bestaat en als de inbreuk op het grondrecht in redelijke verhouding staat tot
het doel dat met de beperking is gediend.

Klassieke grondrechten:
- Recht op gelijke behandeling (art. 1 Gw, art. 14 EVRM, art. 26 BUPO)
- Recht om in het Koninkrijk der Nederlanden te zijn en het land te verlaten (art. 2 Gw, art. 2
van het Vierde Protocol bij het EVRM, art. 12 lid 1 BUPO)

2

, - Recht om in Nederlandse overheidsdienst benoemd te kunnen worden (art. 3 Gw)
- Recht van petitie (art. 5 Gw)
- Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (art. 6 Gw, art. 9 EVRM, art. 18 BUPO)
- Vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw, art. 10 EVRM, art. 19 BUPO)
- Vrijheid van vereniging (art. 8 Gw, art. 11 EVRM, art. 22 BUPO)’
- Recht tot vergadering en betoging (art. 9 Gw, art. 11 EVRM, art. 21 BUPO)
- Recht op privacy (art. 10 Gw, art. 8 EVRM, art. 17 BUPO)
- Recht op onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11 Gw, artt. 2,3 en 8 EVRM en het zesde
Protocol bij het EVRM)
- Huisrecht (art. 12 Gw, art. 8 EVRM, art. 17 BUPO)
- Recht op briefgeheim, telefoon- en telegraafgeheim (art. 13 Gw, art. 8 EVRM, art. 17 BUPO)
- Recht op eigendom (art. 14 Gw, art. 1 Eerste Protocol bij EVRM)
- Recht om niet van zijn vrijheid te worden beroofd (art. 15 Gw, art. 5 EVRM, art. 9 BUPO)
- Recht op toegang tot de rechter (art. 17 Gw, art. 6 EVRM, art. 14 BUPO)
- Recht op rechtsbijstand (art. 18 Gw, art. 6 lid 3 EVRM, art. 14 lid 3 BUPO)

2.2.4:
Meerderjarige Nederlanders hebben een zogeheten actief kiesrecht, dit is het recht om leden van de
Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de gemeenteraad te kiezen (art. 54 en 129 Gw). Daarnaast
geeft art. 4 Gw hun het recht om zelf als lid van een van deze vertegenwoordigende organen gekozen
te worden (passief kiesrecht). Vreemdelingen bezitten dit grondrecht niet maar verkrijgen na 5 jaar
rechtmatig verblijf in Nederland wel een wettelijk kiesrecht, zowel actief als passief, voor de
gemeenteraad (art. B3 Kieswet en art. 10 Gemeentewet). Art. 4 Gw biedt de wetgever de
mogelijkheid om het kiesrecht te beperken en hiervan is ook gebruikgemaakt. De rechter kan
namelijk degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een bepaald strafbaar feit en daarvoor
veroordeeld is, het kiesrecht ontnemen (art. 28 lid 1 onder 3 Sr).

Burgers kunnen zich niet direct beroepen op sociale grondrechten, maar deze instructienormen
vormen een opdracht aan de overheid om burgers in staat te stellen zichzelf te ontplooien. De
opdracht tot het scheppen van voldoende werkgelegenheid (art. 19 Gw) biedt geen garantie op werk,
maar dwingt de overheid wel om werkgelegenheid te stimuleren. Ook kunnen werken in goede
arbeidsomstandigheden is een sociaal grondrecht. De Nederlandse overheid legt de
verantwoordelijkheid hiervoor steeds meer bij de werkgevers en werknemers, maar stelt wel de
doelen voor gezond en veilig werken vast en de wettelijke bescherming van werknemers. Het recht
op sociale zekerheid (art. 20 Gw) is in Nederland gewaarborgd in diverse socialezekerheidswetten.
Met vergunningen, regels en beleidsplannen op basis van diverse milieuwetten en
ruimtelijkeordeningswetten houdt de overheid greep op milieubelastende activiteiten en de
verdeling van de schaarse ruimte in de fysieke leefomgeving, waardoor voor burgers een goed
leefmilieu (art. 21 Gw) kan worden gerealiseerd. Bestuursrechtelijke procedures bieden burgers de
mogelijkheid om zijn belangen op dit gebied bij de overheid onder de aandacht te brengen en over
dit besluit van de overheid een rechterlijk oordeel te vragen. Voor gezondheidszorg,
woongelegenheid en ontplooiingsmogelijkheden (art. 22 Gw) geldt, hoewel in mindere mate,
hetzelfde. De vrijheid van onderwijs (art. 23 Gw) verplicht de overheid om te zorgen voor onderwijs.
Sociale grondrechten hebben geen rechtstreekse werking, behalve het stakingsrecht (art. 6 lid 4 ESH)

Er moet ook een systeem zijn dat toeziet op de naleving en dat regelt hoe burgers op die
grondrechten beroep kunnen doen. Een geschil over grondrechten kan worden voorgelegd aan de
nationale rechter. Een beroep op de rechter buiten Nederland is pas mogelijk na eindoordeel van de
Nederlandse rechter(s). Het EVRM kent het individueel klachtrecht, het statenklachtrecht en een
rapportageplicht. Iedereen die meent dat een staat die partij is bij het EVRM één van zijn
grondrechten heeft geschonden kan nadat zijn mogelijkheden bij de Nederlandse rechter zijn
uitgeput een klacht indienen bij het EHRM (art. 34 EVRM). Staten die partij zijn bij het ESH moeten

3

, elke 2 jaar verantwoording afleggen aan de Raad van Europa over de naleving van de (sociale)
grondrechten in de verdrag (art. 21 ESH). Voor de (sociale) grondrechten in het ECOSOC geldt een
rapportageplicht aan de Verenigde Naties (art. 16 ECOSOC). Het BUPO kent een statenklachtrecht
(art. 41 BUPO) een rapportageplicht (art. 40 BUPO) en een individueel klachtenrecht. Dit wordt
behandeld door het speciale Comité voor de Mensenrechten.

Hoofdstuk 3:
3.1:
Gedecentraliseerde eenheidsstaat  In een dergelijke staatsvorm heeft de centrale overheid een
deel van haar regelgevende en bestuurlijke taken en bevoegdheden overgedragen aan lagere
overheden, zodat het staatsgezag deels op centraal en deels op decentraal niveau ligt. Op centraal
niveau zijn er naast de organen van het openbaar lichaam staat, zoals de regering en de ministers,
nog honderden zelfstandige bestuursorganen met publiekrechtelijke taken en bevoegdheden. Deze
bestuursorganen worden speciaal opgericht voor overheidstaken die zij moeten uitvoeren of zij
krijgen deze taken toebedeeld. Provincies, gemeenten en waterschappen vormen het openbaar
bestuur voor het decentrale grondgebied of taakgebied waarvoor zij zijn ingesteld (artt. 123 en 133
Gw). Daarnaast kan de wet openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen
instellen om op decentraal niveau overheidstaken uit te voeren (art. 134 Gw). VB: Nederlandse Orde
van Advocaten. Alle organen in de verschillende bestuurslagen voeren de overheidstaken uit op hun
niveau en kunnen daarnaast zelfstandig hun interne aangelegenheden regelen en besturen. De
centrale overheid handhaaft de eenheid van staat door toezicht te houden op (lagere) overheden en
door wettelijke kaders te stellen voor de uitvoering van de taken. Zowel de centrale overheid als de
lagere overheden hebben in het bewaren van de eenheid elk een eigen verantwoordelijkheid.

3.2:
Democratische rechtsstaat  Dit begrip heeft betrekking op de verdeling van de macht binnen een
staat. In een democratische rechtsstaat hebben burgers invloed op de overheid en is ook de overheid
aan regels gebonden. Een democratische rechtstaat draagt de volgende kenmerken:
 De overheid mag slechts optreden op grond van algemene regels die democratisch tot stand
zijn gekomen (legaliteitsbeginsel)
 De macht van de overheid is verdeeld over verschillende organen of personen in de staat
 Een onafhankelijke rechter biedt de burgers bescherming tegen overheidsoptreden dat
willekeurig is of op een andere manier in strijd is met het recht
 Burgers hebben fundamentele rechten die de overheid moet eerbiedigen
Het legaliteitsbeginsel, verdeling van overheidsmacht, onafhankelijke rechtspraak en eerbieding van
grondrechten zijn de grondslagen van een democratische rechtsstaat.

Legaliteitsbeginsel  Elk publiekrechtelijk optreden van de overheid moet een basis hebben in
wetten die (mede) door de volksvertegenwoordiging tot stand zijn gekomen. Ook de overheid moet
zich dus houden aan het recht.

Trias Politica  De scheiding der machten. Een van de kenmerken van een democratische
rechtsstaat is de verdeling van overheidsmacht over verschillende organen of personen in de staat.
De drie functies van de overheid: wetgeving, bestuur en rechtspraak, zouden uitgevoerd moeten
worden door drie afzonderlijke organen die zich elk met één van die taken bezighouden. De
wetgeving moet in handen zijn van de volksvertegenwoordiging, overheidsorganen moeten deze
wetten uitvoeren en de rechter moet er op toezien dat de wet goed wordt toegepast.
Wetgevende macht  De wetgeving komt in Nederland op centraal niveau tot stand door de Staten-
Generaal en de regering gezamenlijk (art. 81 Gw)
Uitvoerende macht  De uitvoerende macht is de regering. De uitvoerende macht kan ook alleen
regels vaststellen. Dit gebeurt dan in de vorm van een Koninklijk Besluit, dat door de Koning wordt
ondertekend (art. 89 Gw). Deze zogeheten Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) zijn vaak

4

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
26 mei 2025
Aantal pagina's
39
Geschreven in
2022/2023
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$4.76
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
aniekdonkers

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
aniekdonkers Hogeschool Zuyd
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
5
Lid sinds
11 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
13
Laatst verkocht
1 maand geleden

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen