Je eerste reactie op een ander die je niet kent baseer je op wat je ziet en je reageert niet op een
ander zoals hij is. Dit zijn interpretaties.
Je zou een ontmoeting met een ander aan de hand van het volgende kunnen weergeven:
- Kenmerken en gedrag van de ander
- Jouw waarnemingen van die kenmerken of van het gedrag
- Jouw interpretatie van je waarnemingen
- Jouw reactie op je eigen interpretatie
- Jouw waarneming en jouw reactie door de andere
- De interpretatie van de ander van zijn waarneming
- De reactie van de ander op zijn interpretatie
- Jouw waarneming van die reactie
- Enzovoort
Op deze wijze communiceren wij met elkaar
Bij communicatie wil de ene persoon iets aan de andere persoon laten weten. Degene die informatie
geeft is de zender en degene die informatie krijgt is de ontvanger. Hetgeen dat de zender aan de
ontvanger wil laten weten is de boodschap. Dit alles vind plaats in de context van de situatie.
Zender encodering boodschap kanaal decodering boodschap ontvanger waarneming
interpretatie gedragskeuze
Waarnemings- en interpretatie fouten kunnen leiden tot ernstige communicatiestoornissen
Factoren die het proces van waarnemen en interpreteren beïnvloeden:
1. Contextuele factoren
a. De plaats waar gecommuniceerd word (slechte akoestiek bijvoorbeeld)
b. Aanwezigheid van derden (niet zeggen wat je wil zeggen)
c. Tijdsdruk (niet voldoende rust in je hoofd)
d. Pregnantie (verandering/ beweging , afwijking , herhaling en intensiteit)
2. Factoren aan de kant van de zender
a. De zender wil informatie achterhouden
b. De zender weet niet precies wat hij wil/ moet zeggen.
c. De zender is erg met zichzelf bezig ( gespannen situatie, bijvoorbeeld concentreren)
d. De zender spreekt een andere taal dan de ontvanger
e. Pregnantie van de zender (non-verbaal komt niet overeen met verbaal)
3. Factoren aan de kant van de ontvanger
a. Kennis en ervaring (wij selecteren informatie die ons bekend voorkomt)
b. Gevoelens (anders als je op gemak bent dan als je op je gemak bent)
c. Aandacht (richten op informatie die voor ons doel nodig is)
d. Opvatting, normen, waarden en cultuur (nemen eerder iets op als dit past binnen ons
referentiekader)
e. Motivatie (iemand die baat heeft bij de informatie neemt het beter op)
f. Humeur
g. Lichamelijke gesteldheid
h. Afweermechanisme (informatie kan zo dreigend zijn dat we er even doof voor zijn)
4. Interpretatiefouten
a. Acceptatie van selectieve informatie ( je accepteert dat je selectief waarneemt en
verandert daar niets aan)
b. Te snel begrijpen en reageren (je neemt gewoon niet de tijd om de situatie te begrijpen)
, c. Generaliseren (we komen vaak tot een algemeen oordeel op grond van enkele
gebeurtenissen)
d. Vooroordelen (ongegronde en voorbarige opvattingen)
e. Stereotypering (hierbij scheer je een hele groep over een kam, dat is typisch een
psycholoog)
f. Halo-effect (worden vaak misleid door het uitstralingseffect van enkele eigenschappen,
“hij speelt accordeon dus hij zal wel gezellig zijn”)
g. Identificatie (wanneer je je sterk met iemand identificeert zal dat waarnemingen en
interpretatie van die persoon flink beïnvloeden)
h. Projectie (je eigen gevoelens op iemand projecteren)
i. Persoonlijke norm (af te meten aan hoe we het zelf zouden willen horen)
Hoe kun je waarnemings en interpretatie fouten voorkomen? Je moet je bewust worden van al deze
factoren en hun werking, veel informatie verzamelen om tot een interpretatie te komen. Dus
oefenen!
Je moet als hulpverlener in staat zijn onbevooroordeeld met een cliënt te communiceren, met een
uitnodigende houding naar zijn probleem te luisteren en vanuit professionele opvattingen goede
vragen te stellen en zijn woorden goed te interpreteren. “ik begrijp uit je woorden dat” je toetst
jezelf dus “je maakt op mij een teneer geslagen indruk”
Hoofdstuk 2 non-verbaal
Een gesprek bestaat uit meer dan alleen woorden. In een gesprek schakelt vrijwel iedereen zijn hele -
lichaam in. Met je non-verbale houding zend je dus evengoed boodschappen uit als met de woorden
die je uitspreekt. Als je echt wil weten wat er in iemand omgaat, kun je dat vaak beter uit zijn non-
verbale gedrag opmaken dan uit wat hij zegt. In je non-verbale gedrag ben je meestal eerlijker dan in
je verbale gedrag. Je moet je ervan bewust zijn dat een ander ook uit jouw non-verbale gedrag
probeert op te maken wat er met je aan de hand is.
Het grootste deel van de boodschap wordt overgebracht middels non-verbale communicatie. Niet
alles kan adequaat op een verbale wijze tot uitdrukking worden gebracht. Een troostend gebaar kan
veel meer troost bieden dan welke woorden je ook wil zeggen. In gesprekken vindt de communicatie
op verschillende niveaus tegelijk plaats: op het niveau van de inhoud (wat er gezegd wordt) (meestal
verbaal) en op het niveau van de onderlinge betrekking (hoe het gezegd wordt)(meestal non-verbaal)
elke boodschap bevat telkens deze 2 kanten. Uit onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld het uitdrukken van
gevoelens slechts voor 7 procent via een verbale boodschap gebeurd, voor 38 procent door intonatie
en voor 55 procent via gezichtsuitdrukking (de 7-38-55 regel). Wanneer non-verbaal en verbaal
gedrag met elkaar in strijd zijn wint non-verbaal gedrag. De betekenis van een zin kan totaal
veranderen als je de klemtoon anders legt. In andere culturen kunnen andere waarden aan bepaald
non-verbaal gedrag worden gelegd.
Non- verbaal gedrag speelt een belangrijke rol in de omgang tussen mensen. Het kan daarbij
verschillende functies hebben:
- Aanwijzingen geven over eigenschappen, attitudes en identiteit
- Ondersteunen en reguleren van de verbale communicatie
- Vervangen van verbale communicatie
- Reguleren van onderlinge verhouding