economie voor bedrijfskunde
Gemaakt @30 januari 2025 08:50
onderwerp economie voor bedrijfskunde
periode jaar 1 semester 2
hoorcollege 1
Wat is economie?
Krugman en wells (hoofdstuk 1): ‘Economics is the social science that studies the production, distribution
and consumption of goods and services’ → eng welvaartsbegrip
overzicht macro-economie
meten omvang van de economie (bbp)
(nominale) bbp: de totale waarde van alle eindproducten en einddiensten die in een bepaalde periode in
een economie zijn geproduceerd. Bij het berekenen van het bbp reken je onderlingen leveringen niet mee,
anders wordt het dubbel meegeteld.
Totale waarde eindproducten en einddiensten = toegevoegde waarde
1. tellen alleen de waarde van het eindproduct
2. berekenen toegevoegde waarde = omzet - onderlinge leveringen
3 manieren om bbp te meten
1. productie: toegevoegde waarden van bedrijven
2. inkomen: som van primaire inkomens: loon, winst, rente, huur en pacht
3. bestedingen: Y = C + I + O + E - M
inflatie/deflatie
Het reeële bbp is het nominale bbp gedeeld door het prijsniveau.
nominale bbp is de totale waarde van alle goederen en diensten tegen huidige prijzen.
prijsniveau is een index die de gemiddelde prijzen in de economie meet. Als dit stijgt, spreken we van
inflatie.
reële bbp corrigeert het nominale bbp voor prijsveranderingen door te delen door het prijsniveau. Dit
geeft een zuiverder beeld van de economische groei omdat het prijseffecten eruit filtert.
Formule: Reëel BBP = (Nominaal BBP / Prijsniveau) × 100
Voorbeeld: Als het nominale BBP €1000 is en het prijsniveau 110, dan is het reële BBP: (1000/110) × 100 =
€909,09
economie voor bedrijfskunde 1
, Inflatie is problematisch voor de economie:
Het maakt prijzen variabeler en onvoorspelbaarder
Het wordt moeilijker voor bedrijven om te bepalen welke prijs ze moeten vragen voor hun producten
Het creëert economische onzekerheid
Het kan leiden tot een neerwaartse prijsspiraal (low price spiral)
Deze effecten zijn belangrijk omdat ze de economische planning en besluitvorming voor zowel bedrijven
als consumenten bemoeilijken. Het reële BBP wordt daarom ook gecorrigeerd voor inflatie om een
zuiverder beeld van de economische groei te krijgen.
structuur/conjunctuur
Het feitelijke niveau van de economie is soms hoger (expansie) en soms
lager (recessie) dan het trendmatige niveau.
verschil Y*/Y =
structurele groei
trendmatige groei
langetermijngroei
potentiële groei
Door nieuwe technologieën en betere organisatie
Het verschil tussen Y en Y* = conjunctuur.
In de praktijk vertoont de economie niet zo’n regelmatig patroon.
expansie; positieve output gap; overbesteding; hoogconjunctuur
recessie; negatieve output gap; onderbesteding; laag conjunctuur
adam smith: 1776 the wealth of nations
Klassieken: geloof in de marktwerking. Als deze goed werkt, schept elk aanbod zijn eigen vraag. Daardoor
geld Y=Y*. Marktwerking is als het aan bepaalde voorwaarden is voldaan een heel succesvol economisch
mechanisme. Verklaart het succes van de EU ( interne markt, vrijhandel tussen EU landen bevordert
marktwerking) In zijn tijd was er marktkantilisme: stonden hogen import tarieven en doorvoor werden
landen armer.
John Maynard keynes: 1936 The General Theory
Keynes benadrukte dat markten niet altijd perfect functioneren, waardoor de werkelijke economische
output (Y) kan afwijken van het potentiële niveau (Y*). Een goed voorbeeld is een negatieve
vertrouwensschok, zoals tijdens de coronacrisis. Als mensen en bedrijven onzeker worden over de
toekomst, ontstaat er een negatieve spiraal:
economie voor bedrijfskunde 2
, Gezinnen gaan meer sparen uit voorzorg
Bedrijven stellen investeringen uit
Dit leidt tot minder bestedingen in de economie
Waardoor de productie daalt
Dit veroorzaakt hogere werkloosheid
Wat weer leidt tot nog minder vertrouwen
En zo wordt de neerwaartse spiraal versterkt
Keynes noemde dit de 'animal spirits' - het economisch gedrag wordt sterk beïnvloed door
psychologische factoren zoals vertrouwen en sentiment. Deze psychologische factoren worden mede
bepaald door de economische omgeving, die het koop- en investeringsgedrag kan stimuleren of juist
afremmen.
macro-economische kringloop
1. Gezinnen: Y = C + B + S
2. bedrijven: Y = C + I + O + E - M (= ook wel de
effectieve vraag)
3. (S-I) + (B-O) = E-M
Nationaal spaarsaldo ((S-I) + (B-O)) = saldo lopende
rekening E-M
besparingen: (S=Y-C-O)
meten welvaart
drie belangrijke punten uit over BBP-groei:
BBP-groei is exponentieel van aard
Er bestaat een vuistregel om te berekenen hoe lang het duurt voordat het BBP verdubbelt: deel 70
door het groeipercentage. Kleine verschillen in BBP-groei kunnen op termijn grote effecten hebben op
het niveau
Er lijkt een positieve relatie te zijn tussen BBP en 'brede welvaart' (algemeen welzijn), maar BBP-
maximalisatie staat niet automatisch gelijk aan maximale welvaart. Een nadeel is dat er veel
verschillende indicatoren zijn voor brede welvaart, wat een eenduidig beeld bemoeilijkt
hoorcollege 2 / week 2
economische groei op lange termijn
economie voor bedrijfskunde 3
, data over bbp-groei / inkomensverschillen
De economische groei op lange termijn bepaalt de welvaartsverschillen tussen landen. Als maatstaf wordt
hier het reële bbp per hoofd van de bevolking gebruikt.
Reëel BBP per hoofd van de bevolking: Dit is de belangrijkste maatstaf om welvaart te meten. Het
wordt uitgedrukt in de formule Y = N x Y/N, waarbij:
N de omvang van de bevolking is
Y/N het reëel BBP per hoofd van de bevolking is
Twee welvaartsbegrippen:
Regel BBP: kijkt naar gemiddelde goederen en diensten per persoon
Brede welvaart: een breder begrip dat naast goederen en diensten ook andere behoeften
meeneemt, zoals sociale aspecten en gezondheid
bronnen van economische groei
arbeid en kapitaal
In de afbeelding hiernaast wordt het Solow groeimodel
weergegeven. Het Solow groeimodel kan als volgt worden
weergegeven: Y = A (K,L)
Waarbij:
Y = reëel bbp
L = hoeveel arbeid
K = hoeveelheid kapitaal
A = totale factor productiviteit, alles wat kan toenemen behalve
L en K (de stand van de technologie)
Op de assen van het model staat Kt+1 en Kt, deze worden
gebruikt om de kapitaalvoorraad op verschillende tijdstippen
aan te geven:
Kt staat voor de kapitaalvoorraad op het huidige moment
Kt+1 staat voor de kapitaalvoorraad in de volgende periode
Op de 45-graden lijn geldt Kt+1 = Kt, wat het evenwichtspunt
aangeeft waar de kapitaalvoorraad stabiel blijft. Dit punt wordt
ook wel de 'steady state' genoemd, waar de investeringen
gelijk zijn aan de afschrijvingen.
Belangrijke kenmerken van het model zijn:
Het model gaat uit van afnemende meeropbrengsten van kapitaal
Op lange termijn helpt meer kapitaal niet om Y/N of Y/L te verhogen
De economie convergeert naar een evenwichtspunt K* (de steady state), waar de investeringen gelijk zijn
aan de afschrijvingen.
De productiefactor arbeid (L) groeit op de lange termijn ongeveer even snel als de bevolking (N). De
welvaart wordt afgemeten aan het bbp per hoofd van de bevolking, dus het verhogen van de
bevolkingsgroei leidt niet tot een hogere welvaart. Voor welvaart is niet de hoogte van Y maar de
economie voor bedrijfskunde 4
Gemaakt @30 januari 2025 08:50
onderwerp economie voor bedrijfskunde
periode jaar 1 semester 2
hoorcollege 1
Wat is economie?
Krugman en wells (hoofdstuk 1): ‘Economics is the social science that studies the production, distribution
and consumption of goods and services’ → eng welvaartsbegrip
overzicht macro-economie
meten omvang van de economie (bbp)
(nominale) bbp: de totale waarde van alle eindproducten en einddiensten die in een bepaalde periode in
een economie zijn geproduceerd. Bij het berekenen van het bbp reken je onderlingen leveringen niet mee,
anders wordt het dubbel meegeteld.
Totale waarde eindproducten en einddiensten = toegevoegde waarde
1. tellen alleen de waarde van het eindproduct
2. berekenen toegevoegde waarde = omzet - onderlinge leveringen
3 manieren om bbp te meten
1. productie: toegevoegde waarden van bedrijven
2. inkomen: som van primaire inkomens: loon, winst, rente, huur en pacht
3. bestedingen: Y = C + I + O + E - M
inflatie/deflatie
Het reeële bbp is het nominale bbp gedeeld door het prijsniveau.
nominale bbp is de totale waarde van alle goederen en diensten tegen huidige prijzen.
prijsniveau is een index die de gemiddelde prijzen in de economie meet. Als dit stijgt, spreken we van
inflatie.
reële bbp corrigeert het nominale bbp voor prijsveranderingen door te delen door het prijsniveau. Dit
geeft een zuiverder beeld van de economische groei omdat het prijseffecten eruit filtert.
Formule: Reëel BBP = (Nominaal BBP / Prijsniveau) × 100
Voorbeeld: Als het nominale BBP €1000 is en het prijsniveau 110, dan is het reële BBP: (1000/110) × 100 =
€909,09
economie voor bedrijfskunde 1
, Inflatie is problematisch voor de economie:
Het maakt prijzen variabeler en onvoorspelbaarder
Het wordt moeilijker voor bedrijven om te bepalen welke prijs ze moeten vragen voor hun producten
Het creëert economische onzekerheid
Het kan leiden tot een neerwaartse prijsspiraal (low price spiral)
Deze effecten zijn belangrijk omdat ze de economische planning en besluitvorming voor zowel bedrijven
als consumenten bemoeilijken. Het reële BBP wordt daarom ook gecorrigeerd voor inflatie om een
zuiverder beeld van de economische groei te krijgen.
structuur/conjunctuur
Het feitelijke niveau van de economie is soms hoger (expansie) en soms
lager (recessie) dan het trendmatige niveau.
verschil Y*/Y =
structurele groei
trendmatige groei
langetermijngroei
potentiële groei
Door nieuwe technologieën en betere organisatie
Het verschil tussen Y en Y* = conjunctuur.
In de praktijk vertoont de economie niet zo’n regelmatig patroon.
expansie; positieve output gap; overbesteding; hoogconjunctuur
recessie; negatieve output gap; onderbesteding; laag conjunctuur
adam smith: 1776 the wealth of nations
Klassieken: geloof in de marktwerking. Als deze goed werkt, schept elk aanbod zijn eigen vraag. Daardoor
geld Y=Y*. Marktwerking is als het aan bepaalde voorwaarden is voldaan een heel succesvol economisch
mechanisme. Verklaart het succes van de EU ( interne markt, vrijhandel tussen EU landen bevordert
marktwerking) In zijn tijd was er marktkantilisme: stonden hogen import tarieven en doorvoor werden
landen armer.
John Maynard keynes: 1936 The General Theory
Keynes benadrukte dat markten niet altijd perfect functioneren, waardoor de werkelijke economische
output (Y) kan afwijken van het potentiële niveau (Y*). Een goed voorbeeld is een negatieve
vertrouwensschok, zoals tijdens de coronacrisis. Als mensen en bedrijven onzeker worden over de
toekomst, ontstaat er een negatieve spiraal:
economie voor bedrijfskunde 2
, Gezinnen gaan meer sparen uit voorzorg
Bedrijven stellen investeringen uit
Dit leidt tot minder bestedingen in de economie
Waardoor de productie daalt
Dit veroorzaakt hogere werkloosheid
Wat weer leidt tot nog minder vertrouwen
En zo wordt de neerwaartse spiraal versterkt
Keynes noemde dit de 'animal spirits' - het economisch gedrag wordt sterk beïnvloed door
psychologische factoren zoals vertrouwen en sentiment. Deze psychologische factoren worden mede
bepaald door de economische omgeving, die het koop- en investeringsgedrag kan stimuleren of juist
afremmen.
macro-economische kringloop
1. Gezinnen: Y = C + B + S
2. bedrijven: Y = C + I + O + E - M (= ook wel de
effectieve vraag)
3. (S-I) + (B-O) = E-M
Nationaal spaarsaldo ((S-I) + (B-O)) = saldo lopende
rekening E-M
besparingen: (S=Y-C-O)
meten welvaart
drie belangrijke punten uit over BBP-groei:
BBP-groei is exponentieel van aard
Er bestaat een vuistregel om te berekenen hoe lang het duurt voordat het BBP verdubbelt: deel 70
door het groeipercentage. Kleine verschillen in BBP-groei kunnen op termijn grote effecten hebben op
het niveau
Er lijkt een positieve relatie te zijn tussen BBP en 'brede welvaart' (algemeen welzijn), maar BBP-
maximalisatie staat niet automatisch gelijk aan maximale welvaart. Een nadeel is dat er veel
verschillende indicatoren zijn voor brede welvaart, wat een eenduidig beeld bemoeilijkt
hoorcollege 2 / week 2
economische groei op lange termijn
economie voor bedrijfskunde 3
, data over bbp-groei / inkomensverschillen
De economische groei op lange termijn bepaalt de welvaartsverschillen tussen landen. Als maatstaf wordt
hier het reële bbp per hoofd van de bevolking gebruikt.
Reëel BBP per hoofd van de bevolking: Dit is de belangrijkste maatstaf om welvaart te meten. Het
wordt uitgedrukt in de formule Y = N x Y/N, waarbij:
N de omvang van de bevolking is
Y/N het reëel BBP per hoofd van de bevolking is
Twee welvaartsbegrippen:
Regel BBP: kijkt naar gemiddelde goederen en diensten per persoon
Brede welvaart: een breder begrip dat naast goederen en diensten ook andere behoeften
meeneemt, zoals sociale aspecten en gezondheid
bronnen van economische groei
arbeid en kapitaal
In de afbeelding hiernaast wordt het Solow groeimodel
weergegeven. Het Solow groeimodel kan als volgt worden
weergegeven: Y = A (K,L)
Waarbij:
Y = reëel bbp
L = hoeveel arbeid
K = hoeveelheid kapitaal
A = totale factor productiviteit, alles wat kan toenemen behalve
L en K (de stand van de technologie)
Op de assen van het model staat Kt+1 en Kt, deze worden
gebruikt om de kapitaalvoorraad op verschillende tijdstippen
aan te geven:
Kt staat voor de kapitaalvoorraad op het huidige moment
Kt+1 staat voor de kapitaalvoorraad in de volgende periode
Op de 45-graden lijn geldt Kt+1 = Kt, wat het evenwichtspunt
aangeeft waar de kapitaalvoorraad stabiel blijft. Dit punt wordt
ook wel de 'steady state' genoemd, waar de investeringen
gelijk zijn aan de afschrijvingen.
Belangrijke kenmerken van het model zijn:
Het model gaat uit van afnemende meeropbrengsten van kapitaal
Op lange termijn helpt meer kapitaal niet om Y/N of Y/L te verhogen
De economie convergeert naar een evenwichtspunt K* (de steady state), waar de investeringen gelijk zijn
aan de afschrijvingen.
De productiefactor arbeid (L) groeit op de lange termijn ongeveer even snel als de bevolking (N). De
welvaart wordt afgemeten aan het bbp per hoofd van de bevolking, dus het verhogen van de
bevolkingsgroei leidt niet tot een hogere welvaart. Voor welvaart is niet de hoogte van Y maar de
economie voor bedrijfskunde 4