Methoden en technieken van de historicus hoorcollege 2
Maandag 11 november
Bronkritiek basis
Wat zijn primaire bronnen?
Primaire bronnen zijn overblijfselen(voorwerpen) of overleveringen(teksten) uit het
verleden waarmee historici het verleden kunnen reconstrueren.
Wat is bronkritiek?
Het gaat om de vraag in welke mate bronnen antwoord kunnen bieden op een
onderzoeksvraag. Dit gaat samen met de betrouwbaarheid van de bron. Bronnen zijn
gemaakt met een specifieke intentie en beïnvloed door de keuzes van de maker.
Oorsprong van bronkritiek:
De humanisten begonnen met het bestuderen van oude geschriften en deden onderzoek
naar de herkomst van de bron. Een voorbeeld is Valla die onderzoek deed naar de donatio
constantini waar de kerk haar wereldlijke macht aan ontlede, wat een latere vervalsing
bleek te zijn. Leopold van Ranke was een Duitse historicus en filosoof. Hij wilde het
verleden reconstrueren ‘wie est eigentlich gewesen ist’. Hij legde de nadruk op
objectiviteit en de betrouwbaarheid van de bronnen. Dit is daarna uitgewerkt tot een
wetenschjap.
De klassieke bronkritiek:
Is gericht op geschreven bronnen. De externe kritiek gaat over de vorm, de bron als een
object, en de interne kritiek gaat over de inhoud en interpretatie. Er zijn acht sub
kritieken met elk een vraag.
Echtheidskritiek:
Is de bron authentiek? Dit houd zich bezig met of de bron een vervalsing is, zoals de
dagboeken van Hitler in de jaren 60 die door naar het papier en de inkt te kijken een
vervalsing bleken te zijn.
Overleveringskritiek:
Is de bron origineel? Een autograve bron is door de auteur zelf geschreven. Is er een
klad? Is er een kopie? De kopieën van boeken worden is een stamboom weergegeven in
een stemma codicum.
, Herkomstkritiek:
Door wie, wanneer en waar is de bron opgesteld? De auteur kan genoemd zijn, of onder
een pseudoniem schrijven. Bij een pseudo-epigrafische tekst is deze per ongeluk
verkeerd gekoppeld, de echte auteur is niet bekend dus wordt de verkeerde aangegeven
met pseudo ervoor. Bij een apocriefe tekst is er onenigheid over wie de auteur is. Soms is
er verschil tussen de geestelijke-, materiële- en juridische auteur. Bij de tijd van opstel is
er soms een absolute datering bekend. Anders wordt er een relatieve datering gemaakt
met een terminus post quem, een tijd waarna het geschreven moest zijn, en een terminus
ante quem, een tijd waarvoor het geschreven moet zijn. De plaats kan ook absoluut
bekend zijn en anders relatief geschat worden.
Ontleningskritiek:
In welke mate heeft de auteur formuleringen aan anderen ontleend? Oorspronkelijk
betekend niet origineel. Soms zijn er expliciet of impliciet passages of concepten
overgenomen.
Intentiekritiek:
Wat lijken de doelstellingen van de auteur te zijn geweest? Een expliciete reden hoeft niet
de echte reden te zijn, ook bij teksten voor persoonlijk gebruik. Soms weet de auteur het
zelf ook niet. Gekleurde geschiedenis is ook heel interessant.
Bestemmingskritiek:
Wat was het beoogde publiek van de bron? De bron kan hieraan zijn aangepast. De
boodschap kan ook niet zo ontvangen zijn als die bedoeld is.
Geloofwaardigheidskritiek:
Welke informatie geeft de bron, en welke niet? Welke inlichtingskanalen heeft de auteur?
Zijn de feiten juist weergegeven of verzwegen? Op welke manier is de informatie
verkregen? Ook ooggetuigen herinneringen dingen vaak fout.
Interpretatiekritiek:
Met welke aannames en (voor)oordelen benadert de auteur de wereld om zich heen? Dit
is te zien aan woordgebruik. Mensen zijn beïnvloed door hun sociale cultuur en omgeving.
Discours is het taalgebruik in groepen. Een auteur is nooit een puur zelfdenkend wezen.
Maandag 11 november
Bronkritiek basis
Wat zijn primaire bronnen?
Primaire bronnen zijn overblijfselen(voorwerpen) of overleveringen(teksten) uit het
verleden waarmee historici het verleden kunnen reconstrueren.
Wat is bronkritiek?
Het gaat om de vraag in welke mate bronnen antwoord kunnen bieden op een
onderzoeksvraag. Dit gaat samen met de betrouwbaarheid van de bron. Bronnen zijn
gemaakt met een specifieke intentie en beïnvloed door de keuzes van de maker.
Oorsprong van bronkritiek:
De humanisten begonnen met het bestuderen van oude geschriften en deden onderzoek
naar de herkomst van de bron. Een voorbeeld is Valla die onderzoek deed naar de donatio
constantini waar de kerk haar wereldlijke macht aan ontlede, wat een latere vervalsing
bleek te zijn. Leopold van Ranke was een Duitse historicus en filosoof. Hij wilde het
verleden reconstrueren ‘wie est eigentlich gewesen ist’. Hij legde de nadruk op
objectiviteit en de betrouwbaarheid van de bronnen. Dit is daarna uitgewerkt tot een
wetenschjap.
De klassieke bronkritiek:
Is gericht op geschreven bronnen. De externe kritiek gaat over de vorm, de bron als een
object, en de interne kritiek gaat over de inhoud en interpretatie. Er zijn acht sub
kritieken met elk een vraag.
Echtheidskritiek:
Is de bron authentiek? Dit houd zich bezig met of de bron een vervalsing is, zoals de
dagboeken van Hitler in de jaren 60 die door naar het papier en de inkt te kijken een
vervalsing bleken te zijn.
Overleveringskritiek:
Is de bron origineel? Een autograve bron is door de auteur zelf geschreven. Is er een
klad? Is er een kopie? De kopieën van boeken worden is een stamboom weergegeven in
een stemma codicum.
, Herkomstkritiek:
Door wie, wanneer en waar is de bron opgesteld? De auteur kan genoemd zijn, of onder
een pseudoniem schrijven. Bij een pseudo-epigrafische tekst is deze per ongeluk
verkeerd gekoppeld, de echte auteur is niet bekend dus wordt de verkeerde aangegeven
met pseudo ervoor. Bij een apocriefe tekst is er onenigheid over wie de auteur is. Soms is
er verschil tussen de geestelijke-, materiële- en juridische auteur. Bij de tijd van opstel is
er soms een absolute datering bekend. Anders wordt er een relatieve datering gemaakt
met een terminus post quem, een tijd waarna het geschreven moest zijn, en een terminus
ante quem, een tijd waarvoor het geschreven moet zijn. De plaats kan ook absoluut
bekend zijn en anders relatief geschat worden.
Ontleningskritiek:
In welke mate heeft de auteur formuleringen aan anderen ontleend? Oorspronkelijk
betekend niet origineel. Soms zijn er expliciet of impliciet passages of concepten
overgenomen.
Intentiekritiek:
Wat lijken de doelstellingen van de auteur te zijn geweest? Een expliciete reden hoeft niet
de echte reden te zijn, ook bij teksten voor persoonlijk gebruik. Soms weet de auteur het
zelf ook niet. Gekleurde geschiedenis is ook heel interessant.
Bestemmingskritiek:
Wat was het beoogde publiek van de bron? De bron kan hieraan zijn aangepast. De
boodschap kan ook niet zo ontvangen zijn als die bedoeld is.
Geloofwaardigheidskritiek:
Welke informatie geeft de bron, en welke niet? Welke inlichtingskanalen heeft de auteur?
Zijn de feiten juist weergegeven of verzwegen? Op welke manier is de informatie
verkregen? Ook ooggetuigen herinneringen dingen vaak fout.
Interpretatiekritiek:
Met welke aannames en (voor)oordelen benadert de auteur de wereld om zich heen? Dit
is te zien aan woordgebruik. Mensen zijn beïnvloed door hun sociale cultuur en omgeving.
Discours is het taalgebruik in groepen. Een auteur is nooit een puur zelfdenkend wezen.