Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Uitgebreide (complete) collegeaantekeningen Civiele rechtspleging 2025 (LETTERLIJK UITGETYPT)

Beoordeling
5.0
(1)
Verkocht
20
Pagina's
173
Geüpload op
29-05-2025
Geschreven in
2024/2025

Uitgebreide collegeaantekeningen van het vak Civiele rechtspleging. Ik heb alle relevante stof letterlijk meegetypt en ook de relevante afbeeldingen (van de dia's) heb ik in het document geplakt! De jurisprudentie komt ook uitvoerig aan bod!

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Hoorcollege 1 (15 april ’25): Inleiding tot het vak en het bewijsrecht

LET OP: Op het tentamen is één vraag aangewezen (staat erbij) en het antwoord op die vraag
wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van de inhoud, maar ook of dat in enigszins
fatsoenlijk Nederlands is opgeschreven. Daaronder wordt verstaan basisschool niveau:
schrijven in volzinnen (geen puntenlijstjes) die beginnen met hoofdletter en eindigen met
punt, correcte Nederlandse spelling en grammatica, de juiste woorden en het formuleren van
lopende zinnen.
- Bij de oefenvragen van deze week is een antwoord van een student geplakt, waar je de
fouten uit moet halen.

Vier verdiepende onderdelen (capita selecta) van dit vak
1. Bewijsrecht
Bijvoorbeeld: er is een verzekeringsovereenkomst, brandverzekering, het verzekerde
pand brandt af en de verzekeraar zegt dat dit komt omdat jij (de verzekerde) bewust
roekeloos bent geweest door in de keuken te gaan barbecueën. Dat moet wel komen
vast te staan dat er bewust roekeloos gehandeld is.
2. Hoger beroep
Hier gaan we dieper op in. De centrale vraag is: waarover moet de hoger beroep
rechter zich wel/niet uitlaten? Stel je verliest een procedure bij de rechtbank in eerste
aanleg, ten onrechte natuurlijk, dus je gaat in hoger beroep. Dan krijg je gelijk van het
hof, maar toch verlies je de procedure, dat kan dan (zie week 4).
3. Arbitrage
Dat is een vorm van geschilbeslechting buiten de rechter om. Je kan dan je eigen
‘rechters’ kiezen. Daar is een hele aparte manier van procederen voor, dat is boek 4
Rv. Hier gaat dit jaar een college over.
4. Beslag- en executierecht
Dit zijn de alpha en omega van het procesrecht en van het vermogensrecht. Het begint
met goederen, zaken en met name vorderingen als het om procederen gaat en
uiteindelijk als je een titel hebt gekregen van een rechter, je hebt gelijk gekregen, hoe
kom je dan aan het geld? Daar gaat het executierecht over. Daarmee sluit het
procesrecht weer aan op het materiele recht, meestal op het goederenrecht in dat geval.

Inleiding bewijsrecht

Algemeen
- Belang van het bewijsrecht in civiele zaken
- Belang van goede beheersing van het bewijsrecht
- Plaats van het bewijs(recht) in het civiele proces
- Plaats van het bewijsrecht in de wet

Civiele procedures worden gewonnen en verloren op basis van de feiten, bijna niet op basis
van het recht. Heel af en toe heb je een zuiver juridisch geschil, maar in verreweg de meeste
gevallen gaat het om de feiten en het bewijsrecht gaat om de feitenvaststelling: wat is er
gebeurd, althans wat komt in rechte vast te staan wat er is gebeurd? Dat er ruimte tussen zit
wat echt gebeurd is en wat de rechter vaststelt, dat zullen we zien en daarop kan je procedure
winnen/verliezen. De rechter moet zijn uitspraak daarop baseren.

Overeenkomsten kan je vormvrij en mondeling sluiten, hoe beslis je dan de inhoud als
daarover geschil is? Getuigen? Dat kan, maar als alleen twee partijen aanwezig waren bij het

,sluiten van de overeenkomst en partij zeggen tegenovergestelde? Dan kom je met
getuigenverklaringen niet ver, daarop kan je de procedure winnen/verliezen. Iemand verkoopt
en levert een huis, die verkoper wist dat het fundament van het huis niet goed in elkaar zat en
dat dit van de buitenkant niet te zien is en een bouwkundige dit niet snel zou opmerken,
verkoper heeft dit verzwegen. De koper komt erachter, hoe bewijs je dan dat de verkoper dit
wist? Als je beroep op dwaling wilt doen, moet je wel bewijzen dat die andere partij heeft
gezwegen waar hij iets moest vertellen, maar hij kan pas iets vertellen als hij iets weet. Hoe
bewijs je dat in die procedure als de verkoper gewoon zegt dat hij het niet wist? Dan is het
misschien de vraag of je zo’n procedure wel moet beginnen. Wat zou je dan als advocaat
doen, welke vragen zou je dan stellen? Wat heeft de verkoper wel/niet verteld? Wat is er
gebeurd? Hoe gaan we dat bewijzen, zijn daar verslagen/e-mails/appjes? Als jouw klant dan
aangeeft dat er niet zo veel is, dan zal je als advocaat moeten zeggen: we kunnen wel
procederen, maar als de andere partij glashard ontkent dan krijgen wij de bewijslast, wij
moeten bewijzen dat hij heeft gezwegen waar spreken plicht was en als we dat niet kunnen
bewijzen gaat de rechter ons geen gelijk geven. Dan ben je 1,5 jaar verder, 10.000 euro armer
en dan heb je nog steeds niets. Een advocaat moet dus vanaf het begin in kaart brengen hoe
kansrijk een procedure is.

Een voorbeeld uit de jurisprudentie: Er is een verhuurder van een veewagen, daar worden
varkens in vervoerd. Veewagen wordt door B gehuurd. Het is een mondelingen
overeenkomst, er staat niets op papier. Er wordt gesproken over de verzekering van die
wagen, daar draait het zo over. Nadat die overeenkomst is gesloten en de huurder met de
wagen is weggereden, zegt de verhuurder de WA-verzekering (verplichte
aansprakelijkheidsverzekering) op. Die huurder veroorzaakt een ongeval waar een derde bij
betrokken is, er wordt schade voor ongeveer 55.000 euro veroorzaakt aan die derde. De derde
komt erachter dat er geen WA-verzekering is, er valt dus niets te claimen onder de
verzekeraar. Dan hebben we in Nederland een waarborgfonds dat die kosten voor de derde
voorschiet, dus die derde is tevreden en is uit beeld. Dat waarborgfonds wil zijn geld
natuurlijk wel terug, dus die spreekt de verhuurder als eigenaar van de auto aan en zegt: jij
moet zorgen voor een WA-verzekering. De verhuurder zoekt regres op de huurder, die
dagvaardt de huurder en zegt: in onze mondelinge overeenkomst hebben we afgesproken dat
jij zou zorgen voor een WA-verzekering. Huurder zegt dat alleen cascoverzekering is
afgesproken, dus de schade die eventueel aan de wagen zelf zou optreden, maar geen
aansprakelijkheid wegens derde. Vrij duidelijke casus van twee partijen die lijnrecht
tegenover elkaar staan zonder dat er iets op papier staat, dus getuigenverhoor. Dat gebeurt bij
de rechtbank en ook nog bij het Hof. Het Hof zegt uiteindelijk: geen van beide partijen heeft
kunnen aantonen dat wat hij zegt waar is. Hoe loopt de zaak dan af? De verhuurder heeft de
huurder gedagvaard. De huurder wint, zuiver voorbeeld van non liquet (het komt niet vast te
staan). De verhuurder draagt de bewijslast, die moet bewijzen dat die overeenkomst inhield
dat de huurder WA-verzekering moest afsluiten. Dat kan hij niet bewijzen, zijn vordering is
afgewezen.

Er wordt in de rechtbank nauwelijks gedebatteerd over: is dit nou een onrechtmatige daad of
niet? Iedereen weet wat een onrechtmatige daad is. Daar gaan we niet uitgebreid over
discussiëren. Waar we wel uitgebreid over gaan discussiëren is of inderdaad het ongeval heeft
plaatsgevonden onder de omstandigheden en op de wijze zoals door de ene partij is gesteld en
door de andere partij wordt betwist.

Waar vinden we het bewijsrecht?

,Negende afdeling van de tweede titel (dagvaardingsprocedure) van het eerste boek art. 149 Rv
e.v. daar vind je de kern van het bewijsrecht, maar ook daarbuiten. Verspreid over de hele wet
vind je bepalingen over het bewijsrecht.

Toepasselijkheid
Waar is het bewijsrecht toepasselijk? Tweede titel is de dagvaardingsprocedure, dus sowieso
daarop van toepassing. Is het bewijsrecht ook van toepassing op verzoekschriftprocedures? U
mag een bepaling uit tweede titel niet toepassen op derde titel, tenzij de wet of Hoge Raad dat
bepaalt. Meest bekende voorbeeld van dat de wet het toelaat is art. 284 Rv: ‘De negende
afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak
zich hiertegen verzet’. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer er maar één partij is, dat kan in
verzoekschrift procedures. Denk aan de hele simpele procedure uit boek 1, als je je voornaam
wilt wijzigen dan kan dat dan moet je een verzoekschrift richten aan de rechter. Daar is geen
wederpartij. Daarvan zou je kunnen zeggen dat de aard van de verzoekschriftprocedure de
toepassing van het bewijsrecht uitsluit. Een wat meer voorkomende zaak, enquêteprocedure
bij de Ondernemingskamer daar is het bewijsrecht soms wel soms niet van toepassing. Met
name in de tweede fase van de enquêteprocedure kan het bewijsrecht wel van belang zijn (dit
is geen tentamenstof). Van arbeidsrecht heeft de Hoge raad in 2015 gezegd dat het
bewijsrecht daar van toepassing is, met een belangrijke uitzondering, dat is wanneer een
procedure waarbij ontslag op staande voet wordt aangevochten wordt gecombineerd met een
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Als die procedures gelijk worden
behandeld dan is het bewijsrecht gewoon van toepassing. Als de rechter eerst dat
ontbindingsverzoek behandeld dan kan de rechter zeggen dan laat ik het bewijsrecht voor wat
het is (Mediant arrest, geen tentamenstof).
- In dagvaardings- en verzoekschriftprocedures?
 Hoofdregel: art. 284 Rv, het bewijsrecht is van overeenkomstige toepassing.
 Uitzondering: aard van de procedure.

Kort geding is een dagvaardingsprocedure (art. 254 Rv), dus je zou zeggen dat dit ook hier
van toepassing is, maar ook hiervoor geldt dat de aard van het kort geding zich daartegen
verzet, dat heeft de Hoge Raad meermaals bepaald. Bij kort geding is spoed vereist, dus dan
hebben we geen tijd om allerlei getuigen te verhoren. Er geldt in kort geding ook andere
bewijslastverdeling, zie later. Dat wil overigens niet zeggen dat de kort gedingrechter het
bewijsrecht niet mag toepassing. Daarvan heeft de Hoge Raad ook gezegd als die
voorzieningenrechter toch wil horen, dan kan dat. De kort gedingrechter is niet gebonden aan
de regels van het bewijsrecht.
- In kort geding?

Is het van toepassing in eerste aanleg? Ja, zeker weten. Is het bewijsrecht op dezelfde manier
van toepassing in hoger beroep? Ja, daarvoor kennen we twee belangrijke schakelbepalingen,
namelijk art. 353 en 362 Rv. Die bepalingen zeggen eigenlijk beide: voor hoger beroep geldt
alles wat in eerste aanleg geldt, tenzij er speciale regels zijn. Over het algemeen gaat het in
hoger beroep op dezelfde manier. In cassatie is het bewijsrecht niet van toepassing, die heeft
er niets aan die gaat namelijk niet zelf de feiten vaststellen, die moet uitgaan van de feiten
zoals die door de feitenrechter (hof of rechtbank) worden vastgesteld. In zoverre is het
bewijsrecht niet van toepassing, althans de Hoge Raad heeft er niets aan aangezien de Hoge
Raad niet zelf de feiten gaat vaststellen. Er is een kleine uitzondering, de Hoge Raad kan
namelijk wel als feitenrechter optreden. Wanneer de Hoge Raad moet beoordelen of een eiser
in cassatie ontvankelijk is, dan is dat een feitelijke vraag. Voorbeeld: twee partijen maken
ruzie met elkaar en zitten bij de rechtbank. Tijdens die procedure komen ze tot een schikking

,en die leggen ze vast in een vaststellingsovereenkomst. Daarin schrijven ze onder andere op:
we halen deze procedure bij de rechtbank in Amsterdam door, procedure ten einde en we
zullen ook niet in hoger beroep gaan. Wat gebeurd er? Uiteindelijk, want er was al een vonnis
gewezen, gaat een van de partijen daartegen niet in hoger beroep maar in cassatie. Die zegt:
we hadden hoger beroep uitgesloten, maar cassatieberoep niet dus ik ga naar de Hoge Raad.
Daar zei de andere partij: de bedoeling van die vaststellingsovereenkomst was gewoon einde
verhaal, niet in hoger beroep betekend in dit geval ook niet in cassatie. Dan moet de Hoge
Raad de vraag beantwoorden: is die eiser ontvankelijk in zijn cassatieberoep? Want als je
daarvan afstand hebt gedaan ben je niet ontvankelijk. Dat is een feitelijke vraag en in die
procedure moest de Hoge Raad dus als feitenrechter getuigen gaan horen om te bepalen wat
de omvang/strekking was van die vaststellingsovereenkomst en die afstandsverklaring die
daarin stond. Dit is heel uitzonderlijk, als hoofdregel moet je gewoon onthouden: de Hoge
Raad stelt de feiten niet vast, dus de Hoge Raad heeft in beginsel niets met dat bewijsrecht.
- In eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie

Plaats in het procesrecht/kaders
Civiele procedures draaien om de feiten, die moeten komen vast te staan voor de rechter. Hoe
komt de rechter aan die feiten? Die moeten door partijen worden aangedragen. Anders dan
strafrechter gaat civiele rechter niet actief op zoek naar wat er gebeurd is. Van oudsher
noemen we dat de lijdelijkheid van de civiele rechter. Daar moet iets aan worden toegevoegd:
vroeger hielt hier het verhaal op. Een civiele rechter leunt een beetje achterover en die hoort
wel wat partijen tegen hem zeggen en op papier tegen hem aandragen en that’s it. Op basis
daarvan wikt en weegt de rechter en neemt hij een beslissing. Dat kon er toe leiden dat zo’n
rechter een beslissing gaf op basis van feiten die niet helemaal klopte, omdat de ene partij iets
niet naar voren had gebracht en de andere partij het ook niet had gezien dat het was vergeten.
Als de rechter iets niet weet, dan kan hij er ook geen beslissing op gronden. Nu, dat is een
geleidelijke ontwikkeling die nog steeds doorgaat, is de civiele rechter een stuk actiever
geworden. Die gaan zeker tijdens zo’n mondelinge behandeling op zoek naar wat er echt
gebeurd is, die stellen daarbij ook een boel vragen, bij voorkeur aan de partijen zelf. De
rechter wil tegenwoordig van de partijen zelf weten wat is gebeurd en wat eventueel op schrift
staat. Vroeger was de rechter echt passief, die is in de loop van de tijd steeds actiever
geworden en dat is een voortschrijdende ontwikkeling (zie ook wet vereenvoudiging en
modernisering bewijsrecht).

LET OP: Nu hebben we een probleem, want in de papieren wetbundel staat maar 1 lid bij art.
24 Rv, dat artikel is een van de artikelen dat is gewijzigd. De nieuwe wet is voor u gedrukt,
die heeft u van ons gekregen en die mag mee naar het tentamen en daarvoor gelden dezelfde
regels als wettenbundel (kleuren mag, niet schrijven). Dat geldt ook voor het boek en die mag
ook mee naar het tentamen.

Partijautonomie (?) vs. (?) lijdelijke civiele rechter (?)
Dat is een schijntegenstelling. Die lijdelijke rechter bestaat eigenlijk niet meer, die civiele
rechter wordt steeds actiever en die gaat steeds meer op zoek naar wat echt is gebeurd. De
partijautonomie, in het civiele recht wordt eigenlijk gezegd dat het proces is van partijen,
maar die partijautonomie wordt wel ingekaderd door de plichten die partijen hebben om de
rechter van volledige en juiste informatie te voorzien. Art. 21 Rv is daar het belangrijkste
voorbeeld van. Die actieve rechter moet er mede voor zorgen dat in tegenstelling tot wat
verleden gebeurde, dat een uitspraak werd gedaan op onjuiste/onvolledige feiten, dat hij dat
zoveel mogelijk probeert te voorkomen en dat hij recht doet aan de materiele waarheid, wat er
echt is gebeurd en niet processuele waarheid, de waarheid die op basis van het

,procesrecht/bewijsrecht tot stand is gekomen). In de ideale wereld zijn dat precies dezelfde
twee waarheden, maar in de praktijk zal je zien dat daar af en toe licht tussen zit. Neem het
voorbeeld van de verkoper die prima weet dat het fundament niet deugd, maar daarover
zwijgt. Als je daar verder als koper of rechter niets van weet, dan kan je daar niets mee. Als
de verkoper dat blijft verzwijgen in de procedure, dan handelt hij wel in strijd met de
verplichting om feiten aan te leveren, maar als rechter kom je daar niet achter. Als de rechter
dan uiteindelijk tot het oordeel komt dat het beroep van de koper op dwaling niet slaagt omdat
niet vast komt te staan dat de verkoper iets verzwegen heeft, dan wordt de vordering van de
koper afgewezen en dan staat in rechte niet vast (processuele waarheid) dat de verkoper heeft
gezwegen, terwijl de materiele waarheid zo is dat de verkoper heeft gezwegen. Het is dus de
bedoeling dat de rechter door het stellen van vragen en het boven tafel halen van zoveel
mogelijk informatie en ook onderliggende bewijsstukken (e-mails e.d.) probeert te
achterhalen wat werkelijk is gebeurd.

Processuele waarheid en materiële waarheid
- Historische ontwikkeling
- Heden ten dage
- Wet Vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb.2024/62)

HR Dimopoulos/Erven Van Mierlo
Dit is een van de bekendste voorbeelden uit de jurisprudentie waaruit je kunt afleiden dat de
processuele waarheid niet hoeft overeen te stemmen met de materiele waarheid. Het ging om
een huurovereenkomst tussen van Mierlo als verhuurder en Dimopoulos als huurder.
Dimopoulos exploiteerde in dat pand een Grieks restaurant. Die huurovereenkomst werd door
van Mierlo beëindigd, de kantonrechter heeft die huurovereenkomst ontbonden en vervolgens
is de verhuurder een kort geding begonnen om ontruiming te vorderen, om Dimopoulos er
daadwerkelijk uit te krijgen. Dat kort geding is begonnen en daar hebben partijen hebben een
schikking bereikt en dat hebben ze vastgelegd in wat we nu noemen een
vaststellingsovereenkomst (toen nog andere naam, een dading). Daarin hebben ze afgesproken
dat Dimopoulos het gehuurde pand inderdaad zou ontruimen, maar ook dat op het moment dat
mevrouw van Mierlo klaar was met het verbouwen/renoveren van het gehuurde pand meneer
Dimopoulos ingelicht zou worden, zodat die met haar in onderhandeling zou treden over een
nieuwe huurovereenkomst zodat hij daar weer in kon trekken om zijn restaurant voort te
zetten. Dimopoulos gaat eruit, komt zijn deel van de vaststellingsovereenkomst na, maar van
Mierlo knapt het pand op en het is klaar en zegt daarover niets tegen Dimopoulos.
Dimopoulos dagvaardt van Mierlo dat ze de verplichtingen uit vaststellingsovereenkomst niet
is nagekomen, wanprestatie, dus schadevergoeding (art. 6:74 BW).

Tijdens die procedure merkt de rechter op dat voor het ontstaan van een verplichting tot
schadevergoeding op grond van wanprestatie wel vereist is dat de schuldenaar in verzuim is
(in dit geval van Mierlo). Daarvan is de vraag of dit inderdaad zo is. Dan is het uiteindelijk de
rechtbank die in Hoger beroep oordeelt (recht van voor 2002): ja, in het procesdossier treffen
wij aan o.a. een kopie van het hele procesdossier zoals dat in het kort geding is gevoerd. Dat
was iets van 130 pagina’s, die had Dimopoulos gewoon gekopieerd en dat moet ook in deze
procedure ‘als ingelast en herhaalt worden beschouwd’. De rechtbank had in dat dossier een
briefje gevonden van Dimopoulos aan van Mierlo dat je zou kunnen opvatten als een
ingebrekestelling en dat vatte de rechtbank ook op als ingebrekestelling. De conclusie was
dan dat van Mierlo in verzuim was. Dan is er cassatie en dan betoogt van Mierlo dat de
rechtbank dat niet mocht doen. De rechtbank had niet eigenhandig in dat dikke dossier mogen
gaan bladeren, laat staan dat de rechtbank daar 1 briefje uit mocht halen en zegt dat dit de

,ingebrekestelling is en daar het verzuim aan ophangen. Immers, dat heeft meneer
Dimopoulos niet als zodanig aan zijn vordering ten grondslag gelegd en daarmee heeft de
rechtbank volgens van Mierlo art. 24 Rv geschonden. De Hoge Raad was het met van Mierlo
eens. Je ziet dus dat hoewel er wel zo’n briefje is, dat je kan opvatten als ingebrekestelling en
dus verzuim (materiele waarheid), maar in rechte mag een rechter in een procedure niet de
grondslagen van een vordering of van een verzoek aan de ene kant dan wel een verweer aan
de andere kant aanvullen. Dat is het verbod op aanvulling van de feitelijke grondslag, art. 24
Rv.

De rechter komt aan feiten door dat partijen die aandragen. Het in geding brengen van zo’n
procesdossier uit een andere procedure, dus het dossier uit het kort geding, dat kan je best
doen maar wat je niet kunt doen is zeggen: alsjeblieft rechter en wederpartij, veel leesplezier,
alles wat daar staat geldt nu ook in deze procedure. Dat doet een rechter niet. Je zult heel
specifiek moeten aangeven wat in dat dossier relevant is en wat je daarmee beoogt. In deze
casus had Dimopoulos dat briefje, die ingebrekestelling, daarvan had hij moeten zeggen: er
wordt gezegd dat van Mierlo niet in verzuim is, maar dat is ze wel want dit is de
ingebrekestelling. Dat had de rechtbank niet eigenhandig zo mogen invullen. Je kunt een
heleboel bewijsstukken in een procedure inbrengen, maar een rechter gaat echt niet alles
lezen. Als je er iets mee wilt zal je heel nauwkeurig moeten aangeven wat je er dan mee wilt.

Dat is al heel lang zo, zie uitspraak van het gemeenschappelijk hof van de Nederlandse
Antillen en Aruba uit 1989. Dat Hof had aan de eiser een bewijsopdracht gegeven, je moet
stukken in het geding brengen. Het Hof zegt: ‘Voor het leveren van het bewijs heeft de eiser
zonder nadere toelichting een hoeveelheid papier gedeponeerd met een gewicht van circa 2.4
kg. Ter beoordeling van dit bewijsmateriaal schieten ons woorden te kort. Om die reden
hebben wij daarmede gedaan waartoe wij ons gehouden achten te weten het gewicht daarvan
te bepalen. Qua fysiek gewicht komt het materiaal ons alleszins genoegzaam voor, tot andere
uitlatingen geeft dat geen aanleiding. Wij zien de vordering van de eiser af.’ 2.4 kg aan papier
over de schutting gooien bij het hof, daar doen ze niets mee. Dan zal je heel specifiek moeten
aangeven wat uit die 2,4 kg van belang is en wat je daarmee wilt.

Algemene bepalingen (eerste titel)
- Art. 21 Rv: waarheids- en volledigheidsplicht
‘Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar
waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter
daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.’ Over dat laatste staat genoeg
in het boek, wat dat zoal kan zijn. Het gaat erom dat hierin de wettelijke verplichting
voor partijen ligt om de voor beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar
waarheid aan te voeren. Je mag dus niet liegen, je mag ook niet tegen de klippen op
ontkennen dat wat de andere partij zegt dat dat juist is, dus niet betwisten wat je weet
dat het klopt wat je wederpartij aanvoert, je mag ook geen feiten achterhouden. Komt
de rechter erachter dat je hiertegen gezondigd hebt, kan het slecht met je aflopen. Ook
daar is een ontwikkeling te bespeuren, jaren geleden deden rechters hier niet veel mee,
maar meer en meer zie je dat dit echt wordt afgestraft in de zin dat je vordering wordt
afgewezen, of de vordering van de andere kant wordt toegewezen als jij de gedaagde
bent, de bewijslast wordt omgedraaid (dat kan hele vervelende gevolgen hebben), je
wordt veroordeeld in een veel hoger bedrag in proceskosten, etc.*
 Alle feiten volledig en naar waarheid aanvoeren, onderbouwd met stukken
voor zover mogelijk. Als je getuigen hebt, hoef je niet te wachten op een
rechter die beëdigd en een officieel getuigenverhoor gelast. Getuigen kan je

, ook zelf vragen om alvast op papier te zetten wat zij denken dat er gebeurd is,
dat helpt een rechter alleen maar in de instructie van een zaak in het nader
bepalen wat hij denkt dat nog nodig is aan bewijslevering.
 Als je stukken aanlevert, we zijn maar een klein land en zeker in de civiele
praktijk komt het wel eens voor dat buitenlanders zaken doen en niet iedereen
spreekt of schrijft Nederlands en dan kom je wel eens stukken tegen in een
andere taal. Vraag tussendoor: moeten wij procederen in het Nederlands? Is de
voertaal in de rechtszaal Nederlands? Dat staat nergens in het wetboek, maar
we gaan er wel allemaal van uit. De Friesen hebben het goed voor elkaar, die
hebben het bij wet vastgelegd, maar voor de rest van het land staat het nergens.
Toch gaan we er allemaal van uit, op één uitzondering na: commercial court in
Amsterdam, daar mag je in het Engels procederen, ook de schriftelijke
stukken. Bij de rechtbank en het Hof in Amsterdam, daar moet je voor kiezen,
alleen op het moment dat je na de uitspraak van het Hof in cassatie wilt bij de
Hoge Raad moet je wel alles in het Nederlands vertalen want de Hoge Raad
doet niet mee.
 Hoe zit dat dan met die bewijsstukken? Zie HR Kublik/Brandenberg, een zaak
tussen een Duitse autoverkoper en een Nederlandse verkoper waarin in het
Duits is gecorrespondeerd. Die Duitsers hadden als verkoper een hele mooie
verklaring opgesteld in het Duits waarin zij uitlegden wat er allemaal gebeurd
was. Zij (Kublik) hadden een auto verkocht aan een andere partij, die had
mevrouw Brandenberg op pad gestuurd met een cheque. Die cheque hadden ze
aan Kublik gegeven, die heeft de auto met de autopapieren en dergelijke
meegegeven en de cheque bleek waardeloos, die kon niet geïncasseerd worden.
Kublik vorderde van mevrouw Brandenberg betaling van de koopprijs. Ze
hadden niets en waren hun auto wel kwijt. Geprocedeerd in Nederland, dus
procederen in het Nederlands, maar het Hof zei over die verklaring in het Duits
die erbij was gevoegd: dat kunnen we niet lezen, daar doen we niets mee.
Daarvan zei de Hoge Raad: processtukken (conclusie van antwoord,
dagvaarding, etc.) hoort in het Nederlands, maar de bewijsstukken die je
daarbij doet (producties worden ze in de praktijk genoemd) die mogen best in
een andere taal. Als dat is in het Engels, Duits of Frans dan hoeft daar ook
geen vertaling worden bijgevoegd, tenzij de rechter je dat opdraagt. Hieruit
leiden we dus af dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat u het Duits, Engels en
Frans machtig bent.
- Art. 22 Rv: informatieverstrekking/weigering/beperking
Zie hiervoor het boek!
- Art. 23 Rv: beslissen op het gevorderde/verzochte
- Art. 24 Rv: ‘op grondslag van’ (verbod op aanvulling feitelijke grondslag; grenzen van
de rechtsstrijd) NIEUW: lid 2
De rechter moet zijn beslissing baseren op de grondslagen die partijen hebben
aangevoerd en hij mag die niet aanvullen. LET OP: Dat wordt door heel veel mensen
foutief samengevat als het verbod aan de rechter om de feiten aan te vullen. Dat mag
de rechter inderdaad niet, maar dat staat hier niet. Dat staat wel in art. 149 Rv. In dit
artikel staat: ‘De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen
partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de
wet anders voortvloeit.’ Het gaat hier niet om de feiten zelf, maar om de feitelijke
grondslag. Wat is het verschil? Denk terug aan het arrest van Mierlo: het feit dat er een
ingebrekestelling was, dat briefje, dat is een feit. Dat briefje zat in het dossier, dus de
rechtbank heeft zich in die zaak niet schuldig gemaakt aan aanvullen van feiten, want

, dat feit was aan de rechter gepresenteerd, misschien niet heel duidelijk maar hij heeft
het er niet zelf bijgehaald. Dat het briefje kwalificeert als ingebrekestelling en
waardoor mevrouw van Mierlo in verzuim zou zijn geraakt, dat is een grondslag die
Dimopoulos aan zijn vordering ten grondslag had moeten leggen, maar niet heeft
gedaan. Immers, Dimopoulos vorderde schadevergoeding wegens wanprestatie op
grond van art. 6:74 BW, daarvoor is nodig: een verbintenis met aan de ene kant een
schuldeiser en een schuldenaar, de schuldenaar moet zijn tekortgeschoten in de
nakoming van DIE verbintenis, de schuldeiser moet DAARDOOR (causaal verband)
schade hebben geleden en als dat er allemaal is dan heb je recht op schadevergoeding.
Dan zegt lid 2 dat er sprake moet zijn van verzuim op het moment dat nakoming nog
mogelijk is, dat is dus een extra element wat ook moet komen vast te staan wil die
vordering kunnen worden toegewezen. Dat verzuim moet Dimopoulos dan naar voren
brengen, desnoods bewijzen, maar hij moet het in ieder geval aanvoeren, ten grondslag
leggen aan zijn vordering. Dat heeft hij niet gedaan, dat mag de rechter dus niet
ambtshalve aanvullen.
 LET OP: hou dus scherp uit elkaar het feit zelf (het briefje, de
ingebrekestelling), maar een van de vele grondslagen voor de vordering (er is
sprake van verzuim, want ingebrekestelling) dat is iets wat door art. 24 Rv
wordt bestreken en dat is wat partijen zelf moeten doen, dat mag een rechter
niet zelf ambtshalve aanvullen. Ook niet onder het nieuwe recht, hoewel daar
wel een lid 2 aan art. 24 Rv is toegevoegd: ‘De rechter kan binnen de grenzen
van de rechtsstrijd ambtshalve met partijen de grondslag van hun vordering,
verzoek of verweer bespreken.’ Dus stel dat dit van toepassing was bij de casus
van Van Mierlo en de rechter had in dat dossier zitten bladeren en dat briefje
gevonden, die had dan tijdens de mondelinge behandeling wel mogen zeggen
als het over het onderwerp verzuim ging: meneer Dimopoulos, wilt u nog eens
uitleggen waarom u denkt dat het verzuim tot stand is gekomen, waarom is
Van Mierlo in verzuim? Daarmee zet je iemand op het spoor van er moet een
ingebrekestelling zijn, dit is de ingebrekestelling, dus die leg ik ten grondslag
aan de vordering. Dat had een rechter onder het nieuwe recht dus aan de orde
mogen stellen. Hij mag het nog steeds niet ambtshalve doen zoals hij in die
zaak gedaan had. Hij mag het dus wel als hij dit ziet aankomen, dit met partijen
bespreken, zolang dat maar in het verlengde van het debat ligt.
- Art. 25 Rv: ambtshalve aanvulling rechtsgronden (ius curia novit)

* Hier ging vraag 2 van de oefenvragen over. De vraag is uiteindelijk: wat doet u als u
erachter komt, terwijl de procedure bij de rechtbank al voorbij is, dat de wederpartij keihard
heeft gelogen, althans keihard heeft verzwegen dat hij zelf de hennepkwekerij had opgezet.
Het antwoord is: hoger beroep staat nog open, die termijn is nog niet verstreken, dus je gaat
direct in hoger beroep en dan bij het hof heel duidelijk uitleggen dat de andere partij de
rechter in eerste aanleg heeft voorgelogen, althans dingen heeft verzwegen die hij naar voren
had moeten brengen op grond van art. 21 Rv. Dan maak je in hoger beroep een hele goede
kans om alleen daarop te winnen of een ferme voorsprong te krijgen.

Feitenvaststelling (Tweede Titel)
- Art. 149 lid 1 (o.a.): verbod op aanvulling feiten

Nieuw bewijsrecht

,LET OP: Deze wet is opgebouwd uit Romeinse artikelen. Het begint met art. I en dat is het
aller belangrijkste artikel. Daarin staat wat daadwerkelijk wordt gewijzigd in uw
wettenbundel. Op pagina 16 zie je art. II, daar mag een groot kruis door, dat heeft u niet nodig
en dat gaat door tot pagina 23. In art. I en II staat eigenlijk min of meer hetzelfde, alleen art. II
is geschreven voor de zogeheten KEI-procedure. In een heel ver verleden heeft de wetgever
bedacht dat je digitaal moet kunnen procederen, dat is nog steeds niet helemaal gelukt. Daar
was een hele wet voor opgetuigd, die wet is deel in werking getreden maar daarna weer
helemaal geschrapt met een uitzondering: bij de Hoge Raad, daar wordt digitaal geprocedeerd
volgens KEI-rechtsvordering. Daarvoor is art. II geschreven, maar daar doen wij niets mee.

LET OP: in uw wettenbundel elk artikel nummer met een apart kleurtje markeren dat wordt
gewijzigd of aangevuld door de nieuwe wet, zodat u ziet dat het is gewijzigd en en dan pak je
de kopie erbij. Dat moet u dus bijvoorbeeld doen voor art. 22 Rv, dat wordt helemaal opnieuw
geformuleerd, maar pagina 2 hoofdletter C ‘art. 24 wordt als volgt gewijzigd’, er komt een
tweede lid bij, dus dat moet je ook in je wettenbundel markeren en dan kan je in de kopie zien
dat er een tweede lid aan is toegevoegd. Dat hoef je niet met alle artikelen te doen, maar in
ieder geval met de artikelen die we hier veelvuldig gebruiken, art. 24 Rv gebruiken we heel
veel dus die moet u zeker onthouden.

LET OP: Bij paragraaf 5 tot en met 8 kunt u beter het omgekeerde doen. Dus vanaf paragraaf
5 in uw huidige wettenbundel (vanaf art. 186 t/m 207 Rv) kunt u in uw wettenbundel
doorstrepen en daarvoor kunt u dan de kopie gebruiken. Die tekst wordt namelijk helemaal
opnieuw vastgesteld.

LET OP: nieuw bewijsrecht per 1 januari 2025
- Inwerkingtreding en ‘overgangsrecht’: vanaf 1 januari van dit jaar geldt de nieuwe wet
en op procedures die al voor 1 januari aanhangig waren blijft het oude recht op van
toepassing.
- Achtergrond, aanleiding en rode draad: ‘versterking van het proces van
waarheidsvinding’

Vijf uitgangspunten die wetgever voor ogen had (§ 5 MvT)
De wetgever heeft vijf dingen voor ogen gehad met dit nieuwe bewijsrecht:
1. Preprocessuele informatie- en bewijsverzamelplicht
In de oorspronkelijke voorstellen was het de bedoeling dat op de partijen een nog veel
grotere plicht werd gelegd om feiten te verzamelen en in het geding te brengen, voor
je überhaupt mocht beginnen met procederen. Er is heel veel over gediscussieerd, de
Tweede Kamer heeft dit onderdeel bij amendement uit de wet geschrapt dus dat is niet
van kracht geworden. Maar als je literatuur of de MvT leest over dit wetsvoorstel dan
kom je pagina’s tegen over de preprocessuele informatie- en bewijsverzamelplicht.

Dit kunt u vergeten, de volgende vier zijn wel van belang
2. Actieve(re) rechter bij waarheidsvinding
We hebben dus een nog actievere rechter en dat komt met name tot uiting in het
nieuwe lid 2 van art. 24 Rv. Overigens stond ook daar in het oorspronkelijke voorstel
nog iets meer. Er staat nu dat de rechter die grondslag mag bespreken met de partijen,
binnen de grenzen van de rechtsstrijd. In het oorspronkelijke voorstel stond ook dat hij
mocht bespreken alles hetgeen hem verder tijdens het geding ter ore was gekomen.
Dat was dus veel breder en ook dat is er uit gehaald. Ook daar is veel discussie over
geweest: hoe actief moet een rechter zijn?

, - Wat vindt u daar eigenlijk van? Een rechter die op zoek gaat naar de waarheid in
plaats van partijen zelf? Daar is veel discussie over, met name onder advocaten aan de
ene kant en rechters aan de andere kant. Rechters willen graag geholpen worden.
Advocaten daarentegen hebben zoiets: nu heb ik een hele mooie zaak opgezet en de
wederpartij heeft een koekenbakker van een advocaat die niet de goede dingen naar
voren heeft gebracht, dus ik zit handenwrijvend te wachten tot het vonnis komt, maar
we hebben nu opeens een hele actieve rechter dus die gaat tijdens de mondelinge
behandeling precies die dingen naar voren brengen die de advocaat van de andere kant
niet naar voren heeft gebracht, dus die rechter gaat hem helpen. Wat vindt u daarvan?
Dit wordt een tentamenvraag!
 Een partij aan de ene kant die een hele goede advocaat heeft of in ieder geval
zelf zijn processtukken heel goed heeft ingericht en alles naar voren heeft
gebracht wat hij naar voren had moeten brengen en daar vergeet iemand zich
op verjaring te beroepen: YES! Totdat de rechter zegt: vind u niet dat het
allemaal heel lang geleden is? Wat vindt u daarvan en hoe ver moet dit gaan?
Maakt het verschil of de ene partij door een advocaat wordt bijgestaan en de
andere partij niet (bij de kantonrechter kan dat)? Moet dan de andere partij juist
meer geholpen worden of niet? Maakt het uit of de ene advocaat uit de
randstad komt en de andere advocaat uit voor Delfzijl?

Volgende drie is weinig discussie over, dat is inderdaad ten opzichte van hoe het was een
vereenvoudiging en modernisering:
3. Voorlopige bewijsverrichtingen ‘gelijktrekken’
U kunt ook voordat er een procedure aanhangig is vragen of de rechter getuigen gaat
horen. Dat kan heel nuttig zijn als je bewijs wilt verzamelen en denkt: ik heb nu wel
een nieuwe klant en misschien kan ik met getuigen aantonen dat de overeenkomst zo
luidt dat hij moest zorgdragen voor een WA-verzekering, maar ik kan nu eerst een
procedure beginnen en dan wachten tot ik getuigen mag horen en dan komt de rechter
uiteindelijk tot het oordeel dat het niet genoeg is, dus de vordering is afgewezen. Je
kunt ook voorafgaand aan de procedure in een voorlopig getuigengehoor aan de
rechter vragen: wilt u die getuigen alvast horen. Dan heb je die getuigenverklaring op
schrift en aan de hand daarvan kan je als advocaat bepalen of je dit voldoende vindt en
je denkt dat je het hiermee gaat redden in de procedure. Er zijn meer voorlopige
bewijsverrichtingen, maar dit is de meest belangrijke, die worden nu allemaal op
dezelfde manier behandeld. Dat was vroeger allemaal verschillend, vanaf nu is dat
allemaal gelijk.
4. Verbetering inzagerecht
Het inzagerecht, wat vroeger de exhibitieplicht werd genoemd, is ook aangepakt en
van een veel mooier en moderner jasje voorzien. Het oude art. 843a Rv (staat nog in
de bundel) is verdwenen en in plaats daarvan hebben we nu art. 194, 195 e.v. Rv. Dat
gaat erover dat je als ene partij kunt vragen aan de andere partij, en tegenwoordig zelfs
aan een derde, ik heb een bepaald stuk nodig om mijn bewijspositie rond te krijgen, ik
heb dat stuk niet maar jij wel, dus ik wil er graag een kopie van of het inzien. Dat is
deze regeling en die is dus aanzienlijk gemoderniseerd en aangepast aan de behoefte
van de hedendaagse praktijk. Het oude artikel was echt gericht op papier, daar werden
tegenwoordig ook wel e-mails onder geschaard.
5. Wettelijke regeling bewijsbeslag
Heel lang kon je in Nederland geen beslag leggen op bewijsstukken die de andere
partij had, dat kan sinds 2013 wel omdat de Hoge Raad toen eindelijk de knoop had
doorgehakt, en de Hoge Raad heeft toen al gezegd: de wetgever doet niets, dus doen

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
29 mei 2025
Bestand laatst geupdate op
8 juni 2025
Aantal pagina's
173
Geschreven in
2024/2025
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Mr p. koerts
Bevat
Alle colleges

Onderwerpen

$10.20
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle reviews worden weergegeven
11 maanden geleden

5.0

1 beoordelingen

5
1
4
0
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
slvandenberg Hogeschool Windesheim
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
281
Lid sinds
8 jaar
Aantal volgers
106
Documenten
24
Laatst verkocht
1 week geleden

4.1

17 beoordelingen

5
6
4
9
3
1
2
0
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen