Formeel strafrecht
Als gesproken wordt van materieel strafrecht, dan heeft men het over de vraag wat een strafbaar feit
is. Het bepaalt welk gedrag niet toegestaan is en welke personen daarvoor kunnen worden gestraft.
Het formeel strafrecht/strafprocesrecht bepaalt welke regels moeten worden gevolgd wanneer een
norm van het materiële strafrecht is overtreden. Het sanctierecht heeft betrekking op de voorwaarden
waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten uitvoer gelegd.
Het wetboek van Strafrecht bestaat uit drie hoofdonderdelen:
- Boek 1 regelt de algemene leerstukken van materieel strafrecht. Dit zijn algemene
leerstukken, omdat ze van toepassing zijn op alle delicten.
- Boek 2 (misdrijven) en Boek 3 (overtredingen) bevat omschrijvingen van gedrag dat strafbaar
is, met daarbij een aanduiding van de maximale straffen die mogen worden opgelegd.
Het wetboek van Strafvordering bestaat uit zes boeken, waarvan de volgende dit blok relevant zijn:
- Boek 1 regelt de belangrijkste bevoegdheden tijdens het opsporingsonderzoek.
- Boek 2 regelt de vervolgbeslissing van de officier van justitie en de hele procedure voor de
berechting van een verdachte door de rechtbank.
- Boek 3 is geheel gewijd aan rechtsmiddelen (zoals hoger beroep).
- Boek 6 gaat over tenuitvoerlegging.
7. Inleiding strafprocesrecht
Procesdeelnemers
In een zaak zijn er een aantal personen en instanties die een rol spelen in het strafproces:
Verdachte
Het strafrechtelijke onderzoek heeft als belangrijkste doel te achterhalen wat er precies is gebeurd en
wanneer het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden. Er zal moeten worden
vastgesteld of er inderdaad een strafbaar feit is begaan en wie voor dat strafbare feit aansprakelijk is.
Veel strafprocessuele bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend ten aanzien van de
verdachte. Iedere vermoedelijke dader wordt voor onschuldig gehouden totdat het tegendeel is
bewezen in een strafrechtelijke procedure. Dit wordt de onschuldpresumptie genoemd.
Art. 27 Sv bepaalt wie precies als verdachte kan worden aangemerkt. De wet noemt twee criteria ter
bepaling van het begrip ‘verdachte’. Het in het eerste lid genoemde criterium is een materieel
criterium: op grond van inhoudelijke overwegingen moet worden beoordeeld of een persoon als
verdachte kan worden aangemerkt. Het criterium van het tweede lid is een formeel criterium. Er moet
sprake zijn van een redelijk vermoeden dat de persoon in kwestie een strafbaar feit heeft gepleegd.
Er is geen zekerheid nodig dat dit inderdaad het geval is. Het redelijke vermoeden mag niet zijn
gebaseerd op een voorgevoel, maar moet volgen uit feiten en omstandigheden.
Als een persoon eenmaal is aangemerkt als verdachte, dan heeft hij bepaalde rechten:
Zwijgrecht
De verdachte mag niet worden gedwongen zichzelf te belasten in een strafrechtelijke procedure. Dit
uitgangspunt wordt ‘nemo tenetur’ genoemd. Het komt er eigenlijk vooral op neer dat een verdachte
niet gedwongen mag worden een verklaring af te leggen (art. 29 Sv). Hij moet volgens art. 29 lid 2 Sv
op de hoogte worden gesteld van zijn zwijgrecht. Dit wordt de cautie genoemd. Voor ieder verhoor
van de verdachte moet deze cautie worden gegeven.
,Het recht op rechtsbijstand
De verdachte is over het algemeen niet juridisch onderlegd. Daardoor is hij vaak niet goed in staat om
zichzelf te verdedigen. Hij hoeft daarom dat niet zelf te doen, maar kan hij zichzelf laten bijstaan door
een advocaat, die dan met de term raadsman wordt aangeduid. Deze bijstand wordt rechtsbijstand
genoemd (art. 28 Sv). Niet elke verdachte heeft een zelfgekozen raadsman (art. 38 en 39 Sv). In veel
gevallen wordt een advocaat aangewezen die door de overheid wordt betaald, als de verdachte niet
in staat is om dit te financieren.
Het recht op kennisneming van processtukken
In de loop van het strafproces worden steeds meer stukken verzameld. Zo wordt van ieder verhoor
van de verdachte een proces-verbaal opgemaakt. Alle processtukken samen vormen het dossier. De
verdachte heeft het recht kennis te nemen van de processtukken die op zijn zaak betrekking hebben
(art. 30 Sv). In het belang van het onderzoek kan kennisneming echter worden beperkt (art. 30 lid 3
Sv). Tegen de beslissing processtukken te onttrekken aan kennisneming door de verdachte kan
bezwaar worden gemaakt bij de rechter-commissaris (art. 30 lid 4 Sv). Van de meeste processtukken
krijgt de verdachte een kopie (art. 32 lid 2 Sv).
Raadsman
Een raadsman is een advocaat die de verdachte adviseert en met hem de verdediging voert.
Getuige
Wanneer een strafbaar feit ten laste is gelegd, zal dat ook moeten worden bewezen, wil er een
veroordelend vonnis gewezen kunnen worden. Dikwijls spelen getuigenverklaringen een belangrijke
rol bij het bewijs. Wanneer een getuige door de politie wordt gehoord, is hij niet verplicht om te
verschijnen. Hij wordt niet beëdigd en is ook niet verplicht te verschijnen. Wanneer de getuige is
opgeroepen om te worden gehoord door de rechter-commissaris, is hij verplicht te verschijnen (art.
213 Sv). Wanneer een getuige ter zitting wordt gehoord, moet hij altijd worden beëdigd (art. 290 lid 4
Sv). Legt hij vervolgens een valse verklaring af, dan maakt hij zich schuldig aan meineed (art. 207 Sr).
Geeft de wet de getuige het recht te zwijgen, dan wordt gesproken van een verschoningsrecht.
Slachtoffer
Slachtoffers hebben bepaalde rechten in het strafproces (art. 51aa-51g Sv).
Deskundige
De rechter zal veel feiten niet zelf kunnen vaststellen, eenvoudig omdat hij de daarvoor vereiste
expertise mist. De rechter doet voor dergelijk onderzoek een beroep op deskundigen. Deskundigen
die speciaal onderzoek verrichten voor een rechter worden forensische deskundigen genoemd. De
officier van justitie of rechter kan een deskundige benoemen (art. 51i, 150 en 227 Sv). Soms heeft de
verdachte het recht een tegenonderzoek te laten uitvoeren (art. 150a lid 3 Sv). In de artikelen 51i-51m
Sv worden de belangrijkste regels gegeven met betrekking tot het onderzoek van de deskundige en
de rapportage op basis daarvan.
Rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad
Strafzaken kunnen door drie soorten rechterlijke colleges worden berecht: rechtbanken,
gerechtshoven en de Hoge Raad. Ieder van die gerechten heeft een eigen regio waarbinnen het
rechtspreekt. Het rechtsgebied van een rechtbank wordt arrondissement genoemd. Naast de
arrondissementen kennen we ook grotere rechtsgebieden, die een aantal arrondissementen
omvatten. Zo’n rechtsgebied wordt ressort genoemd. Gerechtshoven zijn verbonden aan een ressort.
Er zijn vier gerechtshoven. Deze behandelen alle zaken in hoger beroep. De hoogste rechterlijke
instantie in strafzaken in de Hoge Raad.
, Politie
Een belangrijke instantie bij de opsporing van strafbare feiten is de politie. Aangiften van strafbare
feiten worden, steeds vaker in digitale vorm, bij de politie gedaan. Ook bij de normale uitoefeningen
van de politietaken komt de politie dikwijls in aanraking met strafbare feiten.
Openbaar ministerie
Het OM is de instantie die de beslissing neemt om een zaak aan de rechter voor te leggen (art. 9 Sv).
Voordat het zover is, zal het OM voldoende belastend materiaal verzameld moeten hebben. Het OM
heeft de verantwoordelijkheid over het opsporingsonderzoek. Ieder arrondissement heeft een eigen
bureau van het OM. Dit wordt het parket genoemd. Bij de rechtbank spreken we van het
arrondissementsparket en bij het gerechtshof van het ressortsparket. Bij het arrondissementsparket
werken officieren van justitie onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Bij het ressortsparket
worden zij advocaten-generaal genoemd. De leiding van het gehele OM is in handen van het college
van procureurs-generaal (art. 130 RO). Voor heel wat handelingen vraagt de wet het optreden van
een officier van justitie. Daarom zijn bepaalde hogere politiefunctionarissen tevens hulpofficier van
justitie (art. 146a Sv).
Reclassering
De reclassering heeft zowel adviserende als toezichthoudende taken. De reclassering is belast met
het toezicht op de naleving van voorwaarden. Zij is ook belast met de tenuitvoerlegging van
taakstraffen.
Procesfasen
Een strafzaak bestaat uit een aaneenschakeling van bepaalde gebeurtenissen. Vanaf het begin van
het onderzoek door de politie kunnen verschillende fasen worden onderscheiden tot aan de
uiteindelijke tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis.
Opsporingsonderzoek
Dit onderzoek heeft als uiteindelijk doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen: de officier van
justitie zal naar de aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek kunnen besluiten om
een zaak wel of niet aan de rechter voor te leggen. Tijdens het opsporingsonderzoek wordt
bewijsmateriaal verzameld. Er wordt dan ook wel gesproken van het voorbereidend onderzoek als
verzamelnaam van al het onderzoek dat voorafgaat. De officier van justitie is formeel verantwoordelijk
voor het opsporingsonderzoek. Art. 132 en 132a SV.
Onderzoek ter terechtzitting
De volgende procesfase wordt ingeleid door een dagvaarding. Het onderzoek ter terechtzitting begint
doordat de strafzaak wordt uitgeroepen (art. 270 Sv). Centraal in het onderzoek ter terechtzitting staat
het achterhalen van wat er precies is gebeurd.
Beraadslaging en uitspraak
De wet geeft in de artikelen 348 en 350 Sv aan op welke manier de beraadslaging moet plaatsvinden.
Achtereenvolgens kunnen acht vragen worden beantwoord.
Formele vragen op basis van art. 348 Sv:
1. Is de dagvaarding geldig? (zo ja door naar vraag 2, zo nee uitspraak ‘dagvaarding is nietig’).
2. Is de rechter bevoegd? (zo ja door naar vraag 3, zo nee uitspraak ‘rechter is onbevoegd’).
3. Is de het OvJ ontvankelijk? (zo ja door naar vraag 4. zo nee uitspraak ‘OvJ is niet
ontvankelijk’).
4. Is er reden tot schorsing van de vervolging? (zo ja, uitspraak: Rechter schorst vervolging, zo
nee, door naar vragen van art. 350 Sv).
Als gesproken wordt van materieel strafrecht, dan heeft men het over de vraag wat een strafbaar feit
is. Het bepaalt welk gedrag niet toegestaan is en welke personen daarvoor kunnen worden gestraft.
Het formeel strafrecht/strafprocesrecht bepaalt welke regels moeten worden gevolgd wanneer een
norm van het materiële strafrecht is overtreden. Het sanctierecht heeft betrekking op de voorwaarden
waaronder bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten uitvoer gelegd.
Het wetboek van Strafrecht bestaat uit drie hoofdonderdelen:
- Boek 1 regelt de algemene leerstukken van materieel strafrecht. Dit zijn algemene
leerstukken, omdat ze van toepassing zijn op alle delicten.
- Boek 2 (misdrijven) en Boek 3 (overtredingen) bevat omschrijvingen van gedrag dat strafbaar
is, met daarbij een aanduiding van de maximale straffen die mogen worden opgelegd.
Het wetboek van Strafvordering bestaat uit zes boeken, waarvan de volgende dit blok relevant zijn:
- Boek 1 regelt de belangrijkste bevoegdheden tijdens het opsporingsonderzoek.
- Boek 2 regelt de vervolgbeslissing van de officier van justitie en de hele procedure voor de
berechting van een verdachte door de rechtbank.
- Boek 3 is geheel gewijd aan rechtsmiddelen (zoals hoger beroep).
- Boek 6 gaat over tenuitvoerlegging.
7. Inleiding strafprocesrecht
Procesdeelnemers
In een zaak zijn er een aantal personen en instanties die een rol spelen in het strafproces:
Verdachte
Het strafrechtelijke onderzoek heeft als belangrijkste doel te achterhalen wat er precies is gebeurd en
wanneer het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden. Er zal moeten worden
vastgesteld of er inderdaad een strafbaar feit is begaan en wie voor dat strafbare feit aansprakelijk is.
Veel strafprocessuele bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend ten aanzien van de
verdachte. Iedere vermoedelijke dader wordt voor onschuldig gehouden totdat het tegendeel is
bewezen in een strafrechtelijke procedure. Dit wordt de onschuldpresumptie genoemd.
Art. 27 Sv bepaalt wie precies als verdachte kan worden aangemerkt. De wet noemt twee criteria ter
bepaling van het begrip ‘verdachte’. Het in het eerste lid genoemde criterium is een materieel
criterium: op grond van inhoudelijke overwegingen moet worden beoordeeld of een persoon als
verdachte kan worden aangemerkt. Het criterium van het tweede lid is een formeel criterium. Er moet
sprake zijn van een redelijk vermoeden dat de persoon in kwestie een strafbaar feit heeft gepleegd.
Er is geen zekerheid nodig dat dit inderdaad het geval is. Het redelijke vermoeden mag niet zijn
gebaseerd op een voorgevoel, maar moet volgen uit feiten en omstandigheden.
Als een persoon eenmaal is aangemerkt als verdachte, dan heeft hij bepaalde rechten:
Zwijgrecht
De verdachte mag niet worden gedwongen zichzelf te belasten in een strafrechtelijke procedure. Dit
uitgangspunt wordt ‘nemo tenetur’ genoemd. Het komt er eigenlijk vooral op neer dat een verdachte
niet gedwongen mag worden een verklaring af te leggen (art. 29 Sv). Hij moet volgens art. 29 lid 2 Sv
op de hoogte worden gesteld van zijn zwijgrecht. Dit wordt de cautie genoemd. Voor ieder verhoor
van de verdachte moet deze cautie worden gegeven.
,Het recht op rechtsbijstand
De verdachte is over het algemeen niet juridisch onderlegd. Daardoor is hij vaak niet goed in staat om
zichzelf te verdedigen. Hij hoeft daarom dat niet zelf te doen, maar kan hij zichzelf laten bijstaan door
een advocaat, die dan met de term raadsman wordt aangeduid. Deze bijstand wordt rechtsbijstand
genoemd (art. 28 Sv). Niet elke verdachte heeft een zelfgekozen raadsman (art. 38 en 39 Sv). In veel
gevallen wordt een advocaat aangewezen die door de overheid wordt betaald, als de verdachte niet
in staat is om dit te financieren.
Het recht op kennisneming van processtukken
In de loop van het strafproces worden steeds meer stukken verzameld. Zo wordt van ieder verhoor
van de verdachte een proces-verbaal opgemaakt. Alle processtukken samen vormen het dossier. De
verdachte heeft het recht kennis te nemen van de processtukken die op zijn zaak betrekking hebben
(art. 30 Sv). In het belang van het onderzoek kan kennisneming echter worden beperkt (art. 30 lid 3
Sv). Tegen de beslissing processtukken te onttrekken aan kennisneming door de verdachte kan
bezwaar worden gemaakt bij de rechter-commissaris (art. 30 lid 4 Sv). Van de meeste processtukken
krijgt de verdachte een kopie (art. 32 lid 2 Sv).
Raadsman
Een raadsman is een advocaat die de verdachte adviseert en met hem de verdediging voert.
Getuige
Wanneer een strafbaar feit ten laste is gelegd, zal dat ook moeten worden bewezen, wil er een
veroordelend vonnis gewezen kunnen worden. Dikwijls spelen getuigenverklaringen een belangrijke
rol bij het bewijs. Wanneer een getuige door de politie wordt gehoord, is hij niet verplicht om te
verschijnen. Hij wordt niet beëdigd en is ook niet verplicht te verschijnen. Wanneer de getuige is
opgeroepen om te worden gehoord door de rechter-commissaris, is hij verplicht te verschijnen (art.
213 Sv). Wanneer een getuige ter zitting wordt gehoord, moet hij altijd worden beëdigd (art. 290 lid 4
Sv). Legt hij vervolgens een valse verklaring af, dan maakt hij zich schuldig aan meineed (art. 207 Sr).
Geeft de wet de getuige het recht te zwijgen, dan wordt gesproken van een verschoningsrecht.
Slachtoffer
Slachtoffers hebben bepaalde rechten in het strafproces (art. 51aa-51g Sv).
Deskundige
De rechter zal veel feiten niet zelf kunnen vaststellen, eenvoudig omdat hij de daarvoor vereiste
expertise mist. De rechter doet voor dergelijk onderzoek een beroep op deskundigen. Deskundigen
die speciaal onderzoek verrichten voor een rechter worden forensische deskundigen genoemd. De
officier van justitie of rechter kan een deskundige benoemen (art. 51i, 150 en 227 Sv). Soms heeft de
verdachte het recht een tegenonderzoek te laten uitvoeren (art. 150a lid 3 Sv). In de artikelen 51i-51m
Sv worden de belangrijkste regels gegeven met betrekking tot het onderzoek van de deskundige en
de rapportage op basis daarvan.
Rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad
Strafzaken kunnen door drie soorten rechterlijke colleges worden berecht: rechtbanken,
gerechtshoven en de Hoge Raad. Ieder van die gerechten heeft een eigen regio waarbinnen het
rechtspreekt. Het rechtsgebied van een rechtbank wordt arrondissement genoemd. Naast de
arrondissementen kennen we ook grotere rechtsgebieden, die een aantal arrondissementen
omvatten. Zo’n rechtsgebied wordt ressort genoemd. Gerechtshoven zijn verbonden aan een ressort.
Er zijn vier gerechtshoven. Deze behandelen alle zaken in hoger beroep. De hoogste rechterlijke
instantie in strafzaken in de Hoge Raad.
, Politie
Een belangrijke instantie bij de opsporing van strafbare feiten is de politie. Aangiften van strafbare
feiten worden, steeds vaker in digitale vorm, bij de politie gedaan. Ook bij de normale uitoefeningen
van de politietaken komt de politie dikwijls in aanraking met strafbare feiten.
Openbaar ministerie
Het OM is de instantie die de beslissing neemt om een zaak aan de rechter voor te leggen (art. 9 Sv).
Voordat het zover is, zal het OM voldoende belastend materiaal verzameld moeten hebben. Het OM
heeft de verantwoordelijkheid over het opsporingsonderzoek. Ieder arrondissement heeft een eigen
bureau van het OM. Dit wordt het parket genoemd. Bij de rechtbank spreken we van het
arrondissementsparket en bij het gerechtshof van het ressortsparket. Bij het arrondissementsparket
werken officieren van justitie onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Bij het ressortsparket
worden zij advocaten-generaal genoemd. De leiding van het gehele OM is in handen van het college
van procureurs-generaal (art. 130 RO). Voor heel wat handelingen vraagt de wet het optreden van
een officier van justitie. Daarom zijn bepaalde hogere politiefunctionarissen tevens hulpofficier van
justitie (art. 146a Sv).
Reclassering
De reclassering heeft zowel adviserende als toezichthoudende taken. De reclassering is belast met
het toezicht op de naleving van voorwaarden. Zij is ook belast met de tenuitvoerlegging van
taakstraffen.
Procesfasen
Een strafzaak bestaat uit een aaneenschakeling van bepaalde gebeurtenissen. Vanaf het begin van
het onderzoek door de politie kunnen verschillende fasen worden onderscheiden tot aan de
uiteindelijke tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis.
Opsporingsonderzoek
Dit onderzoek heeft als uiteindelijk doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen: de officier van
justitie zal naar de aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek kunnen besluiten om
een zaak wel of niet aan de rechter voor te leggen. Tijdens het opsporingsonderzoek wordt
bewijsmateriaal verzameld. Er wordt dan ook wel gesproken van het voorbereidend onderzoek als
verzamelnaam van al het onderzoek dat voorafgaat. De officier van justitie is formeel verantwoordelijk
voor het opsporingsonderzoek. Art. 132 en 132a SV.
Onderzoek ter terechtzitting
De volgende procesfase wordt ingeleid door een dagvaarding. Het onderzoek ter terechtzitting begint
doordat de strafzaak wordt uitgeroepen (art. 270 Sv). Centraal in het onderzoek ter terechtzitting staat
het achterhalen van wat er precies is gebeurd.
Beraadslaging en uitspraak
De wet geeft in de artikelen 348 en 350 Sv aan op welke manier de beraadslaging moet plaatsvinden.
Achtereenvolgens kunnen acht vragen worden beantwoord.
Formele vragen op basis van art. 348 Sv:
1. Is de dagvaarding geldig? (zo ja door naar vraag 2, zo nee uitspraak ‘dagvaarding is nietig’).
2. Is de rechter bevoegd? (zo ja door naar vraag 3, zo nee uitspraak ‘rechter is onbevoegd’).
3. Is de het OvJ ontvankelijk? (zo ja door naar vraag 4. zo nee uitspraak ‘OvJ is niet
ontvankelijk’).
4. Is er reden tot schorsing van de vervolging? (zo ja, uitspraak: Rechter schorst vervolging, zo
nee, door naar vragen van art. 350 Sv).