Hoofdstructuren van Europese Unie
Totstandkoming van Europese Unie
- 1951: de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS). Door kolen en
staal, waar oorlogsmiddelen mee werden gemaakt, onder gemeenschappelijk beheer te
zetten, werd het praktisch onmogelijk gemaakt om oorlog te voeren.
- 1957: het EEG-verdrag was opgezet. Wanneer landen economisch aan elkaar verbonden zijn,
hebben zij namelijk minder stimulans om met elkaar oorlog te voeren.
- 1963 en 1964: door de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in de arresten Van Gend
& Loos en Costa/Enel heeft de Europese Unie zich juridisch op eigen kracht ontwikkeld.
- 1974: het oprichten van de Europese Raad en het Europees Parlement als direct gekozen
volksvertegenwoordiging
- 1990-2004: In 1992 met het Verdrag van Maastricht het EEG-Verdrag in EG (zonder het
‘economische’) en werd de Europese Unie opgericht om zo ook buitenlands beleid en het
beleid van justitie en binnenlandse zaken te betrekken. Er was sprake van verbreding,
verdieping en uitbreiding. Ook kreeg de EU steeds meer lidstaten, waardoor de EU flink
uitgebreid werd.
- 2007: het Verdrag van Lissabon was opgesteld
Bronnen Europees recht
Het primaire Europese recht staat bovenaan in de juridische rangorde. De drie belangrijkste
Verdragen zijn: het Unieverdrag (VEU), het Werkingsverdrag (VWEU) en het Handvest van de
grondrechten (Hv).
Secundaire Europees recht zijn verordeningen en richtlijnen zijn de belangrijkste secundaire
rechtshandelingen (art. 288 VWEU).
Art. 288 VWEU:
- Verordeningen: Een verordening heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar
onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
- Richtlijnen: Richtlijnen zijn in die zin niet rechtstreeks bindend, maar de lidstaten moeten de
inhoud van richtlijnen implementeren in de nationale wetgeving. Omzetting in nationale
wetgeving is aldus een vereiste. Het is wel bindend ten aanzien van het te bereiken
resultaat.
- Besluit: Een besluit is verbindend in al haar onderdelen en indien de normadressaten
worden vermeld, is het alleen voor hen verbindend. Lidstaten, particulieren of
ondernemingen zijn vaak de normadressaten.
Europese instellingen en bevoegdheden
De Europese Unie heeft verschillende instellingen, deze zijn opgesomd in art. 13 VEU. Er zijn 5
instellingen die in grote lijnen bepalen wat de EU doet:
1. Het Europees Parlement ex art. 14 VEU
Het Europees Parlement oefent samen met de Raad de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Dat
het Europees Parlement onderdeel is van de Europese wetgevende macht is tevens terug te zien in
art. 223 VWEU. Het Europees Parlement oefent onder andere de bij de verdragen bepaalde politieke
controlerende en adviserende taken uit. Op grond van art. 16 lid 2 VEU bestaat het Europees
Parlement uit vertegenwoordigers van de Europese Unie.
,2. De Raad ex art. 16 lid 1 VEU jo. 237 VWEU
De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. De
instelling oefent onder andere de bij de verdragen bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en
coördinerende taken uit. De Raad bestaat uit alle regeringsleiders of staatshoofden van elke lidstaat.
3. De Europese Commissie ex art. 17 lid 1 VEU jo. 244 VWEU
De Commissie bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven.
Zij ziet toe op de toepassing van zowel de verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens
deze verdragen vaststellen. De Europese Commissie is de administratieve uitvoerende macht binnen
de commissie. College van 27 commissarissen met elk een portefeuille, maar anderzijds een
overheidsapparaat met duizenden ambtenaren die erop zien dat wetgeving wordt
geïmplementeerd. De Europese Commissie kan een inbreukprocedure starten tegen lidstaten als zij
de Unie niet respecteren. Deze procedures kunnen leiden tot boetes. Op grond van art. 17 lid 2 VEU
heeft de Commissie het recht van initiatief. Behoort niet bij de wetgevende macht.
4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie ex art. 19 lid 1 VEU jo. art. 251 VWEU
Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen.
Het Hof is de Europese rechterlijke macht en bestaat uit het gerecht (2 rechters per lidstaat) en het
Europese Hof van justitie (1 rechter per lidstaat en een aantal Advocaten-generaal). Het Hof bewaakt
dat het Europese recht overal in de Unie conform wordt uitgelegd. Een cruciaal aspect van het Hof is
de prejudiciële vraag die nationale rechters aan het Hof kunnen stellen.
5. De Europese Raad ex art. 15 lid 1 VEU jo. art. 235 VWEU
De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de
algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Deze instelling oefent geen wetgevingstaak uit. De
Europese Raad is de politieke uitvoerende macht van de EU en brengt de staats- en regeringsleiders
samen. Europese Raad bepaalt de richtlijnen van het Europees beleid. Hierin zitten de staatshoofden
en regeringsleiders.
Rechtsbasis EU-basis
De bevoegdheden van de Europese wetgever worden begrensd door het attributiebeginsel, oftewel
het beginsel van beperkte bevoegdheidstoedeling (art. 5 VEU). De Unie mag niet optreden op
terreinen waar het geen bevoegdheden heeft (art. 5 lid 2 VEU).
- Het Hof van Justitie heeft in het Costa/Enel-arrest bepaald dat lidstaten een stuk van hun
soevereiniteit hebben afgestaan aan de instellingen van de EU;
- Het subsidiariteitsbeginsel begrenst de uitoefening van EU-bevoegdheden (art. 5 lid 3 VEU).
Dit beginsel moet garanderen dat besluiten op een zo laag mogelijk niveau (zo dicht mogelijk
bij de burger) worden genomen. Een besluit mag alleen op Europees niveau genomen
worden, als dat niet effectief op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau kan gebeuren.
- Het evenredigheidsbeginsel begrenst de uitoefening van EU-bevoegdheden (art. 5 lid 4 VEU).
Het evenredigheidsbeginsel (ook wel proportionaliteitsbeginsel genoemd) draagt de
Europese Unie op niet verder te gaan dan nodig is in het uitvoeren van nieuwe regelgeving.
Art. 3 VWEU: Er zijn een aantal exclusieve bevoegdheden die uitsluitend aan de Unie zijn toegekend,
dus met uitsluiting van de lidstaten.
, - Art. 4 VWEU: Een gedeelde bevoegdheid houdt in dat de lidstaten nog steeds het
betreffende onderwerp kunnen reguleren, maar niet voor zover de EU reeds heeft
opgetreden. De EU-bevoegdheid heeft aldus voorrang en de wetgeving van de EU heeft
daarmee ook een blokkeringseffect.
Art 5 & 6 VWEU: Daarnaast hebben we ook nog coördinerende, ondersteunende en aanvullende
bevoegdheden. Deze bevoegdheden laten de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de
lidstaten vooropstaan.
De gewone wetprocedure Art. 289 lid 1 VWEU
De standaard wetgevingsprocedure die in de EU wordt gehanteerd, wordt als de ‘gewone
wetgevingsprocedure’ aangeduid (art. 289 lid 1 VWEU).
De gewone wetgevingsprocedure is in art. 294 VWEU uitgewerkt. Eerst dient de Commissie een
voorstel in bij de Raad en het Parlement (lid 2). Er volgt dan een eerste, tweede en derde lezing.
Bijzondere wetgevingsprocedure staat in art. 289 lid 2 VWEU.
EU-bevoegdheden, rechtsbronnen en wetgeving
Het soevereiniteitsprobleem houdt in dat door de toenemende bevoegdheden van de EU, de
soevereiniteit van de lidstaten steeds meer wordt beperkt. Dit probleem is deels het gevolg van wat
het ‘spillover effect’ wordt genoemd.
Het stelsel van bevoegdheden
Wordt de soevereiniteit van lidstaten op dit moment te veel beperkt? Een drietal beginselen
leidend: de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid.
EU-bevoegdheden zijn verticaal en horizontaal verdeeld.
- Verticale bevoegdheidsverdeling betreft de verdeling van wetgevingsautoriteit tussen de EU
en de lidstaten.
- Horizontale bevoegdheidsverdeling betreft de verdeling van bevoegdheden tussen de EU-
instellingen onderling (de Raad van Ministers, de Europese Commissie en het Europees
Parlement).
Belang en keuze van grondslag
De Europese Unie heeft alleen die bevoegdheden tot het nemen van bindende besluiten, welke haar
zijn overgedragen bij een verdrag. Optreden van de unie moet dus rechtsgrondslag in een van de
verdragen hebben. Dit beginsel is ook uitgedrukt in art. 5 VEU. Dit is van belang omdat de EU dan
niet zomaar besluiten kan maken over zaken waar het eigenlijk geen grondslag heeft. Anders is het
in strijd met de soevereiniteit.
- Voorbeeld art. 114 VWEU.
De drie voornaamste rechtshandelingen die de EU kan aannemen, zijn te vinden in art. 288 VWEU:
a. Verordeningen, richtlijnen en besluiten.
i. Verordeningen: heeft een algemene strekking, is verbindend in alle
onderdelen, omzetting is verboden, is voorzien van rechten en plichten voor
individuen en lidstaten, beroep kan verticaal en horizontaal ingeroepen
worden 2.
Totstandkoming van Europese Unie
- 1951: de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS). Door kolen en
staal, waar oorlogsmiddelen mee werden gemaakt, onder gemeenschappelijk beheer te
zetten, werd het praktisch onmogelijk gemaakt om oorlog te voeren.
- 1957: het EEG-verdrag was opgezet. Wanneer landen economisch aan elkaar verbonden zijn,
hebben zij namelijk minder stimulans om met elkaar oorlog te voeren.
- 1963 en 1964: door de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in de arresten Van Gend
& Loos en Costa/Enel heeft de Europese Unie zich juridisch op eigen kracht ontwikkeld.
- 1974: het oprichten van de Europese Raad en het Europees Parlement als direct gekozen
volksvertegenwoordiging
- 1990-2004: In 1992 met het Verdrag van Maastricht het EEG-Verdrag in EG (zonder het
‘economische’) en werd de Europese Unie opgericht om zo ook buitenlands beleid en het
beleid van justitie en binnenlandse zaken te betrekken. Er was sprake van verbreding,
verdieping en uitbreiding. Ook kreeg de EU steeds meer lidstaten, waardoor de EU flink
uitgebreid werd.
- 2007: het Verdrag van Lissabon was opgesteld
Bronnen Europees recht
Het primaire Europese recht staat bovenaan in de juridische rangorde. De drie belangrijkste
Verdragen zijn: het Unieverdrag (VEU), het Werkingsverdrag (VWEU) en het Handvest van de
grondrechten (Hv).
Secundaire Europees recht zijn verordeningen en richtlijnen zijn de belangrijkste secundaire
rechtshandelingen (art. 288 VWEU).
Art. 288 VWEU:
- Verordeningen: Een verordening heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar
onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
- Richtlijnen: Richtlijnen zijn in die zin niet rechtstreeks bindend, maar de lidstaten moeten de
inhoud van richtlijnen implementeren in de nationale wetgeving. Omzetting in nationale
wetgeving is aldus een vereiste. Het is wel bindend ten aanzien van het te bereiken
resultaat.
- Besluit: Een besluit is verbindend in al haar onderdelen en indien de normadressaten
worden vermeld, is het alleen voor hen verbindend. Lidstaten, particulieren of
ondernemingen zijn vaak de normadressaten.
Europese instellingen en bevoegdheden
De Europese Unie heeft verschillende instellingen, deze zijn opgesomd in art. 13 VEU. Er zijn 5
instellingen die in grote lijnen bepalen wat de EU doet:
1. Het Europees Parlement ex art. 14 VEU
Het Europees Parlement oefent samen met de Raad de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Dat
het Europees Parlement onderdeel is van de Europese wetgevende macht is tevens terug te zien in
art. 223 VWEU. Het Europees Parlement oefent onder andere de bij de verdragen bepaalde politieke
controlerende en adviserende taken uit. Op grond van art. 16 lid 2 VEU bestaat het Europees
Parlement uit vertegenwoordigers van de Europese Unie.
,2. De Raad ex art. 16 lid 1 VEU jo. 237 VWEU
De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. De
instelling oefent onder andere de bij de verdragen bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en
coördinerende taken uit. De Raad bestaat uit alle regeringsleiders of staatshoofden van elke lidstaat.
3. De Europese Commissie ex art. 17 lid 1 VEU jo. 244 VWEU
De Commissie bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven.
Zij ziet toe op de toepassing van zowel de verdragen als de maatregelen die de instellingen krachtens
deze verdragen vaststellen. De Europese Commissie is de administratieve uitvoerende macht binnen
de commissie. College van 27 commissarissen met elk een portefeuille, maar anderzijds een
overheidsapparaat met duizenden ambtenaren die erop zien dat wetgeving wordt
geïmplementeerd. De Europese Commissie kan een inbreukprocedure starten tegen lidstaten als zij
de Unie niet respecteren. Deze procedures kunnen leiden tot boetes. Op grond van art. 17 lid 2 VEU
heeft de Commissie het recht van initiatief. Behoort niet bij de wetgevende macht.
4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie ex art. 19 lid 1 VEU jo. art. 251 VWEU
Het Hof verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen.
Het Hof is de Europese rechterlijke macht en bestaat uit het gerecht (2 rechters per lidstaat) en het
Europese Hof van justitie (1 rechter per lidstaat en een aantal Advocaten-generaal). Het Hof bewaakt
dat het Europese recht overal in de Unie conform wordt uitgelegd. Een cruciaal aspect van het Hof is
de prejudiciële vraag die nationale rechters aan het Hof kunnen stellen.
5. De Europese Raad ex art. 15 lid 1 VEU jo. art. 235 VWEU
De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de
algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Deze instelling oefent geen wetgevingstaak uit. De
Europese Raad is de politieke uitvoerende macht van de EU en brengt de staats- en regeringsleiders
samen. Europese Raad bepaalt de richtlijnen van het Europees beleid. Hierin zitten de staatshoofden
en regeringsleiders.
Rechtsbasis EU-basis
De bevoegdheden van de Europese wetgever worden begrensd door het attributiebeginsel, oftewel
het beginsel van beperkte bevoegdheidstoedeling (art. 5 VEU). De Unie mag niet optreden op
terreinen waar het geen bevoegdheden heeft (art. 5 lid 2 VEU).
- Het Hof van Justitie heeft in het Costa/Enel-arrest bepaald dat lidstaten een stuk van hun
soevereiniteit hebben afgestaan aan de instellingen van de EU;
- Het subsidiariteitsbeginsel begrenst de uitoefening van EU-bevoegdheden (art. 5 lid 3 VEU).
Dit beginsel moet garanderen dat besluiten op een zo laag mogelijk niveau (zo dicht mogelijk
bij de burger) worden genomen. Een besluit mag alleen op Europees niveau genomen
worden, als dat niet effectief op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau kan gebeuren.
- Het evenredigheidsbeginsel begrenst de uitoefening van EU-bevoegdheden (art. 5 lid 4 VEU).
Het evenredigheidsbeginsel (ook wel proportionaliteitsbeginsel genoemd) draagt de
Europese Unie op niet verder te gaan dan nodig is in het uitvoeren van nieuwe regelgeving.
Art. 3 VWEU: Er zijn een aantal exclusieve bevoegdheden die uitsluitend aan de Unie zijn toegekend,
dus met uitsluiting van de lidstaten.
, - Art. 4 VWEU: Een gedeelde bevoegdheid houdt in dat de lidstaten nog steeds het
betreffende onderwerp kunnen reguleren, maar niet voor zover de EU reeds heeft
opgetreden. De EU-bevoegdheid heeft aldus voorrang en de wetgeving van de EU heeft
daarmee ook een blokkeringseffect.
Art 5 & 6 VWEU: Daarnaast hebben we ook nog coördinerende, ondersteunende en aanvullende
bevoegdheden. Deze bevoegdheden laten de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de
lidstaten vooropstaan.
De gewone wetprocedure Art. 289 lid 1 VWEU
De standaard wetgevingsprocedure die in de EU wordt gehanteerd, wordt als de ‘gewone
wetgevingsprocedure’ aangeduid (art. 289 lid 1 VWEU).
De gewone wetgevingsprocedure is in art. 294 VWEU uitgewerkt. Eerst dient de Commissie een
voorstel in bij de Raad en het Parlement (lid 2). Er volgt dan een eerste, tweede en derde lezing.
Bijzondere wetgevingsprocedure staat in art. 289 lid 2 VWEU.
EU-bevoegdheden, rechtsbronnen en wetgeving
Het soevereiniteitsprobleem houdt in dat door de toenemende bevoegdheden van de EU, de
soevereiniteit van de lidstaten steeds meer wordt beperkt. Dit probleem is deels het gevolg van wat
het ‘spillover effect’ wordt genoemd.
Het stelsel van bevoegdheden
Wordt de soevereiniteit van lidstaten op dit moment te veel beperkt? Een drietal beginselen
leidend: de beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid.
EU-bevoegdheden zijn verticaal en horizontaal verdeeld.
- Verticale bevoegdheidsverdeling betreft de verdeling van wetgevingsautoriteit tussen de EU
en de lidstaten.
- Horizontale bevoegdheidsverdeling betreft de verdeling van bevoegdheden tussen de EU-
instellingen onderling (de Raad van Ministers, de Europese Commissie en het Europees
Parlement).
Belang en keuze van grondslag
De Europese Unie heeft alleen die bevoegdheden tot het nemen van bindende besluiten, welke haar
zijn overgedragen bij een verdrag. Optreden van de unie moet dus rechtsgrondslag in een van de
verdragen hebben. Dit beginsel is ook uitgedrukt in art. 5 VEU. Dit is van belang omdat de EU dan
niet zomaar besluiten kan maken over zaken waar het eigenlijk geen grondslag heeft. Anders is het
in strijd met de soevereiniteit.
- Voorbeeld art. 114 VWEU.
De drie voornaamste rechtshandelingen die de EU kan aannemen, zijn te vinden in art. 288 VWEU:
a. Verordeningen, richtlijnen en besluiten.
i. Verordeningen: heeft een algemene strekking, is verbindend in alle
onderdelen, omzetting is verboden, is voorzien van rechten en plichten voor
individuen en lidstaten, beroep kan verticaal en horizontaal ingeroepen
worden 2.