College 1 – Inleiding
Ontwikkeling: systematische (= voorspelbare) veranderingen en continuïteiten die
een persoon meemaakt tussen de geboorte en de dood.
Verschillende soorten ontwikkeling:
- Fysieke ontwikkeling: groei van lichaam en organen.
- Cognitieve ontwikkeling: veranderingen in taal, geheugen,
probleemoplossen, etc.
- Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in emotie, persoonlijkheid,
relaties, etc.
Groei: fysieke veranderingen van geboorte tot dood.
Biologisch verouderen: afbraak van organismen tot dood.
Emerging adulthood: periode tussen adolescentie en volwassenheid (18-25).
Bedacht door Jeffery Arnett om een fase van studeren en eerste geld te verdienen te
omschrijven. Er zijn bepaalde kenmerken van een emerging adult:
- Op zoek naar hun identiteit
- Hebben onstabiele levens (relaties, verhuizen, baan)
- Hebben geen verplichtingen naar anderen en kunnen daarom focussen op
hun eigen psychologische behoeften
- Voelen zich tussen een tiener en volwassene in
- Voelen alsof ze oneindige mogelijkheden voor zich hebben
Cultuur: gemeenschappelijke manier van leven en denken.
Age grade: groeo mensen met dezelfde leeftijd.
Rite of passage: ritueel die aangeeft dat je van de ene naar de andere
leeftijdscategorie gaat, meestal van kind naar volwassenheid kan gedaan worden
door besnijden, lichaam verven of geslagen worden.
Leeftijdsnormen: normen die vertellen van je wel en niet kan doen op een bepaalde
leeftijd dit vormt de basis voor een sociale klok (= besef van wanneer je iets moet
doen, zoals kinderen krijgen).
Historische veranderingen:
- 500-1500 na Chr: kinderen zijn kleine versies van volwassenen en worden
ook zo gekleed en behandeld.
- Tot 17e eeuw: kinderen zijn fragiel en anders dan volwassenen, ze moeten
beschermd worden.
- 19e – 20e eeuw: term adolescentie wordt gevormd.
- Laat 20e en begin 21e eeuw: term emerging adulthood ontstaat.
- 20e eeuw: volwassenheid als periode van huis verlaten en het wordt normaler
om te stoppen met werken (vroeger pas stoppen met werken als je overleden
was).
Ontwikkelingspsychologie: veranderingen binnen personen gedurende de
levensloop en de verschillen en overeenkomsten tussen personen mbt de aard van
de veranderingen. Doel van ontwikkelingspsychologie = inter- en intrapersoonlijke
verschillen beschrijven en verklaren.
1
,De studie van ontwikkeling begon met baby biographies (= observeren en
vastleggen van de groei en ontwikkeling van iemands kind). Charles Darwin hield de
ontwikkeling van zijn zoon bij en kwam tot de conclusie dat baby's veel
eigenschappen delen met niet-menselijke voorouders.
Maar:
- Niet betrouwbaar voor wetenschappelijk onderzoek
o Ouders vaak niet objectief waren over de ontwikkeling van hun kind,
waardoor
verschillende biographies niet met elkaar vergeleken kunnen worden
o De biographies waren vaak gericht op 1 kind, en vaak uit een rijke
familie. Ze zijn dus
niet generaliseerbaar
Stanley Hall was de eerste onderzoeker die objectieve data van grotere samples
wilde verzamelen. Hij ontwikkelde de ‘questionnaire’/vragenlijst zoals wij die nu
kennen.
- Hij beschreef adolescentie als een periode van storm and stress (= veel
emotionele ups en downs en snelle veranderingen).
- Voor 1960 werd ontwikkeling onderzocht ahv losse age-groups.
- 1960 ontstond het life-span perspective = ontwikkeling vind plaats
gedurende de gehele levensloop, en is niet toeschrijfbaar aan bepaalde age-
groups.
Soorten veranderingen/verschillen
Intra-persoonlijke veranderingen: veranderingen binnen personen.
Inter-persoonlijke verschillen: verschillen tussen personen, vergelijken van
verschillende personen.
Twee fases van de oude leeftijd
- Jong oud: 60-80 jaar (relatief gezond en actief)
- Oud oud: 80-100 jaar (toegenomen risico voor fysieke en cognitieve
problemen)
Maar: biologische leeftijd is nooit verantwoordelijk voor veranderingen en kan dus
geen veranderingen verklaren.
Veranderingen kunnen alleen correleren met leeftijd (=vehicle of change). Doel van
de ‘wanneer’ onderzoeken in ontwikkelingspsychologie = het linken van de
veranderingen aan de waarom (welke mechanismen drijven ontwikkeling).
Twee tijdschalen van ontwikkeling: variablitieit (korte termijn en omkeerbaar) en
verandering (blijvende verandering). Variabiliteit kan verandering voorspellen.
Leeftijd benaderen op twee manieren
Continue manier: bij iedereen twee variabelen meten en daar en
scatterplot/correlatie van maken.
Vergelijken tussen groepen: gemiddeld verschil tussen twee leeftijdsgroepen
berekenen.
2
, Theorie: set van concepten en proposities, die bedoeld zijn om een bepaald
fenomeen te beschrijven. Uit een theorie ontstaat een hypothese (= verwachte
uitkomst).
Een goede theorie moet minimaal aan de volgende dingen voldoen:
- Intern consistent: er moet éen duidelijke hypothese uit volgen
- Falsificeerbaar: het moet onjuist bewezen kunnen worden
- Onderbouwd door data: het moet ondersteund kunnen worden door data
van onderzoek
Verschillende designs
Cross-sectionele designs: verschillende individuen van verschillende leeftijden
dezelfde taken laten doen op èen tijdsmoment, onderzoekt verschil.
Longtudinale designs: dezelfde individuen op verschillende tijdsmomenten, je meet
het door de jaren/maanden heen, onderzoekt verandering.
Uitdagingen voor designs
Cohort effect = er ontstaan verschillen in variabelen die gemeten worden door niet-
leeftijdsgerelateerde factoren waaraan idere geboortecohort werd blootgesteld, er
wordt dan ten onrechte aangenomen dat er leeftijdseffecten zijn, terwijl het effect
(deels) voorkomt uit cohortkenmerken die gevormd zijn door historische context.
Speelt een rol bij cross-sectionele designs.
Tijd-van-meting effect = als effecten van historische events en trends tijdens de
dataverzameling invloed hebben op resultaten, er wordt ten onrechte aangenomen
dat er verandering plaatsvindt terwijl het effect wordt veroorzaakt door de historische
context waarin de data wordt verzameld. Speelt een rol bij longtudinale designs.
Cross-sectionele designs Longtudinale designs
Voordele Economisch mbt tijd Meting intrapersoonlijke verandering
n
Goedkoop Meting van stabiliteit en verandering
van ontwikkeling
Toont overeenkomsten en verschillen
tussen leeftijdsgroepen
Nadelen Cohort effecten Tijd van meting, test-hertest effecten
en uitval
Geen info over individuele paden van Beperkt generaliseerbaar naar andere
ontwikkeling cohorten
Beperkt generaliseerbaar naar andere Kost veel tijd en geld
meetmomenten
Sequentie modellen: combinatie cross sectioneel
en longtudinaal design. Groep van baby’s, tieners en
volwassenen voor een langere tijd volgen. Ze geven
de volgende informatie:
- Welke leeftijdsgerelateerde trends
ontwikkelen
- Welke leeftijdsverschillen tussen cohorten
- Welke leeftijdsverschillen er tijdens alle
cohorten zijn
3
, gaat tijd-van-meting effecten tegen, cohort effecten en leeftijdseffecten.
Meetmethoden
- Zelfrapportage dmv interview, vragenlijsten en dagboek. By proxy= ouder,
partner, verzorger vragen om te vertellen over andere persoon. Maar nadelen:
o Kan niet gebruikt worden bij kinderen of anderen die niet goed kunnen
lezen of schrijven
o Mensen van verschillende leeftijden kunnen de vragen anders opvatten
o Mensen geven vaak een sociaal wenselijk ipv eerlijk antwoord
- Naturalistische gedragsobservatie: niks manipuleren en mensen in hun
dagelijkse leven bekijken (beste om kinderen te meten/observeren). Nadelen:
o Gedrag kan te weinig/onverwacht voorkomen om te observeren
o Moeilijk om de oorzaak van gedrag te vinden omdat er veel dingen
tegelijk gebeuren
o Mensen gedragen zich anders als ze weten dat ze geobserveerd
worden
- Gestructureerde gedragsobservatie: taken of situaties creëren in het lab en
dan gedrag observeren.
- Gestandaardiseerde testen: resultaten vergelijken met de norm (IQ test)
- Fysiologie: eye-tracking, EEG, fMRI
o Soms niet duidelijk wat ze meten woede meten kan ook gepaard
gaan met meten van verdriet
Onderzoeksdesigns
- Casus/singe case study: een onderzoek van 1 persoon, moeilijk om
conclusies te trekken over een hele populatie.
- Correlationeel onderoek: twee variabelen meten en kijken hoe die met
elkaar samenhangen, er wordt niets gemanipuleerd. Twee problemen met
correlationeel onderzoek:
o Directionaliteit probleem: de richting van het verband is juist
andersom. Voorbeeld: kijken naar babyvideo’s zorgt niet voor
taalvertraging maar taalvertraging zorgt juist voor het meer kijken naar
babyvideo’s.
o Derde variabele probleem: de correlatie tussen twee variabelen kan
komen door een andere variabele.
- Experimenteel onderzoek: onafhankelijke (manipulatie) en afhankelijke
variabele (resultaat door manipulatie van andere variabele). Experimenteel
onderzoek moet aan de volgende dingen voldoen:
o Random assignment: groepen moeten random gemaakt worden
zodat ze gelijk zijn
o Manipulatie van de onafhankelijke variabele
o Experimentele controle: alle andere mogelijke variabelen worden
hetzelfde gehouden tussen groepen
Methoden aanpassen om af te stemmen op individuen
- Gesproken ipv geschreven antwoorden
- Non-verbale materialen gebruiken
- Reports by proxy
- Kijk of er selectiviteit van de steekproef is
4