Opgave 1a
Het is belangrijk hoe een geldverstrekking wordt gekwalificeerd. Het uitgangspunt hierbij is de civiel-
juridische kwalificatie. Dit volgt uit BNB 1988/217 (Unilever-arrest). De civilist kijkt bij het vaststellen van
of iets eigen of vreemd vermogen is met name of er sprake is van een terugbetalingsverplichting.
Er bestaan echter ook uitzonderingen op dit uitgangspunt. Zo kan iets wat civiel-juridisch wordt
aangemerkt als een lening (vreemd vermogen), fiscaalrechtelijk worden geherkwalificeerd als eigen
vermogen. Andersom is niet mogelijk (BNB 2014/79 en BNB 2014/80). De Hoge Raad vindt dat anders de
rechtszekerheid in het gedrang komt.
Eén van die uitzonderingen op het uitgangspunt is de deelnemerschapslening. De voorwaarden van deze
lening zijn de volgende:
De vergoeding is geheel of nagenoeg geheel afhankelijk van de winst;
De schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers; en
Er is geen vaste looptijd of meer dan 50 jaar en slechts opeisbaar bij faillissement, surseance of
liquidatie.
Bovenstaande voorwaarden volgen ook uit de casus. Er is dus sprake van een deelnemerschapslening.
Dit brengt een discrepantie met zich mee tussen de civiel-juridische en de fiscaalrechtelijke kwalificatie.
Civiel-juridisch is er dus sprake van vreemd vermogen en fiscaalrechtelijk wordt dit gezien als eigen
vermogen.
Nu de lening fiscaalrechtelijk is aangemerkt als eigen vermogen, is de rente niet aftrekbaar bij BV D,
want de rente wordt gezien als dividend. Voor BV M geldt dat de rente bij haar niet wordt belast, want
de wetgever heeft bepaald dat rente op een deelnemerschapslening wordt meegesleept met de
deelnemingsvrijstelling (art. 13 lid 4 sub b Wet VPB).
Opgave 1b
De afwaardering mag niet ten laste van de winst worden gebracht. Dit heeft te maken met de
deelnemingsvrijstelling (art. 13 lid 4 sub b jo. 10 lid 1 sub d Wet VPB). De deelnemingsvrijstelling geldt
namelijk ook voor verliezen. Het zou anders zijn als BV D liquideert. Volgens art. 13d Wet VPB vindt de
deelnemingsvrijstelling in dat geval geen toepassing en mag het liquidatieverlies wel in aftrek worden
gebracht.
Opgave 1c
In dit geval is er geen sprake van een deelnemerschapslening, maar van een bodemlozeputlening. De
bodemlozeputlening heeft als belangrijkste kenmerk dat aanstonds (dus bij het verstrekken van de
lening) duidelijk is dat het ter leen verstrekte bedrag niet terug zal worden betaald BNB 1988/217. Dit
is net als de deelnemerschapslening een lening die civiel-juridisch wordt aangemerkt als vreemd
vermogen en fiscaalrechtelijk als eigen vermogen. Ook bij deze lening mag de rente niet worden
afgetrokken door BV D. Voor BV M geldt dat de rente bij haar niet wordt belast, omdat de
deelnemingsvrijstelling van toepassing is.