Hoorcollege samenvattingen WSH
College 2 Pijn- en verwerking
Pijn wordt gedefinieerd als ‘een onplezierige sensorische en emotionele ervaring, geassocieerd
met acute of potentiële weefselschade, of beschreven in termen van dergelijke schade.
Nociceptieve pijn = weefselschade
Neuropathische pijn = zenuwweefsel > centraal of perifeer
Nociplastische pijn = centrale sensitisatie > verandering
Pijn is altijd afhankelijk van de context, emoties en gedrag maar ook cognities.
Acute pijn
1.Perifeer > pijnplek > noxische prikkel (noxe = schade)
Nociceptieve > acute pijn > primaire en secundaire pijn
Primaire pijn > Aδ vezel > noxische prikkel > scherp en lokaliserend
Secundaire pijn > C-vezel > ontstekingsreactie (SP)> diffuus en emotioneel
Ontstekingsreactie > Supstance P > versnellen en vergroten van gebied > reactie omhoog en
prikkeldrempel omlaag = een beschermingsmechanisme
Hyperalgesie = verhoogde gevoeligheid voor Nociceptieve prikkels
Allodynie = niet-Nociceptieve prikkels pijnlijk > b.v. tast
2.Ruggenmerg
Aδ vezel > direct naar de hersenen + reflexboog
C-vezels > schakelen over > afgifte SP > overgevoelig
Poorttheorie = C-vezels (pijn) en Aδ-vezels (tast). Tast
heeft voorrang op pijn. Bv. Wrijven, tens of massage.
3.Hersenstam en Hersenen
Emotionele systemen > C-vezels
Gewaarwording > Aδ-vezels
Descenderende pijndemping > DNIC
Endorfine wordt geproduceerd en remmen pijnsignalen in stijgende en dalende banen.
Enkefaline = neurotransmitter die de Nociceptieve prikkels in het ruggenmerg dempt.
College 3 bindweefsel schade en herstel
Weefsel = een samenstel van gelijksoortig gedifferentieerde cellen, du met gelijke of
vergelijkbare bouw en functie, die door intercellulaire contacten en extracellulaire tussenstof
verbonden zijn.
Functie van bindweefsel: vormen van het geraamte, verbinden van verschillende
lichaamsonderdelen, beschermt de organen, metabole functies, opslag van energie en vorming
littekenweefsel bij schade.
Onderdelen van bindweefsel: cellen > fibroblast, vezels> collageen en grondsubstantie>
proteoglycanen en water. Collagene vezels zijn positief en proteoglycanen zijn negatief. Vezels
,bestaan uit fibrillen > geschakelde moleculen > molecuul bestaat uit 3 polypeptide ( alpha
ketens ). Spiraalvormig > ze zijn verbonden met suiker.
3 soorten collageen: type 1 ( 90% van al het bindweefsel, erg trekvast), type 2 ( in kraakbeen,
goed tegen druk door sterke waterbinding) en type 3 ( als eerste geplaatst bij schade, en weinig
structuur.
Halfwaardetijd van collageen: maanden tot decennia
Halfwaardetijd van grondsubstantie: dagen tot weken
Wet van Wolff en Davis > weefsel past zich aan, aan de behoefte. Use it or lose it.
Bindweefsel wordt sterker door trainen omdat nieuwe fibrillen een grotere diameter krijgen en er
meer crosslinks liggen.
Immobilisatie: spier verkort en doorsnede van de vezels loopt af.
Bindweefsel: duurt langer maar hetzelfde
Bindweefselschade op 2 manieren: trauma of overbelasting.
Trauma kan op 2 manieren: contusie ( continuïteit is niet verstoord en herstelt daardoor
makkelijker) of distorsie (ruptuur)
3 herstelfasen na schade:
1 ontstekingsfase > duurt dagen (1-4)
Tekenen van een steriele ontsteking zijn: pijn, warmte, roodheid, zwelling en verlies van functie
Bloed stollen
Vloeistof, witte bloedcellen en fibroblasten naar de wond brengen
Beschadigd materiaal verwijderen
Behandeling is PEACE
P = Protection
E= Elevation
A= avoid anti-inflammatories
C= Compression
E= education
2 proliferatiefase en 3 organisatiefase
Bloedvaatjes groeien wond in
Fibroblasten vermenigvuldigen en produceren o.a. collageen ( eerst type 3 en later type 1)
Halfwaardetijd van nieuw gevormd collageen in litteken is enkele dagen tot weken
Crosslinks zorgen erna ongeveer 3 weken voor dat het verwijden van fibrillen steeds moeilijker
wordt.
Behandeling is LOVE
L= Load
O= optimism
V= vascularisation
E= exercise
Revalideren
Rekening houden met trekvastheid en binnen de pijngrens.
, Onbelast bewegen > functioneel bewegen > kracht en lenigheid > explosiviteit
Wet van Davis.
Bij herstel spelen ook Sensomotoriek en psychologie een rol.
College 5 motorische controle
Motor system theories > leren in relatie tot lichaam + het brein. Bestaat uit 2 theorieën.
Engram theorie > oorsprong een reflexmodel.
1 sensoriek > input van buiten naar de hersenen
2 motoriek
3 sensoriek > input van het lichaam bijsturen
4 actie en repeat
Er zou sprake zijn van geheugensporen en het vastleggen van bewegingen.
Schema theorie > kritischer dan engram theorie
1 gedachte van beweging in de hersenen
2 sensorische info vertalen > herkenningsschema’s
3 responsprogrammeren en uitvoeren vanuit motorprogramma’s
4 lineair en top-down maar ruggenmerg
De motorprogramma’s zijn meer gegeneraliseerd. Bij het ruggenmerg komen de variante
kenmerken. Leren = eerst invariant en dan pas variant
Action system theories > leren in relatie tot omgeving. Bestaat ook uit 2 theorieën.
Ecologische theorie > directe -perceptie-actie koppeling
Affordances = omgeving biedt mogelijkheden tot handelen
Optic array= (lichtpatroon) object waar je naar kijkt en wordt gestructureerd door de omgeving.
Dynamische systeemtheorie > meer sturing dan alleen door het brein.
Lichaam is een mechanisch systeem, blootgesteld aan interne en externe krachten en
psychosociale invloeden. Draait om streven naar stabiliteit vanuit variabiliteit.
Constraints led approach > begrenzen van de ‘oplossingsruimte’.
Manipuleren in taak, omgeving of/en persoon. Patiënt is de probleemoplosser en therapeut is de
probleemaanbieder.
College 6 klinisch redeneren voor de fysiotherapeut
Werkdefinitie: ‘Klinisch redeneren is een niet-lineair iteratief cognitief proces, waarbij eerder
opgedane kennis en ervaringen continu 1) sturing geven aan het verzamelen, en 2) helpen met
het interpreteren van relevante informatie, waardoor klinische beslissingen 1) bewust, 2) in
samenspraak met de patiënt, en 3) onderbouwd genomen kunnen worden, en hierop kan
worden gereflecteerd. Hierdoor kan 1) een meest waarschijnlijke verklaring voor het
gezondheidsprobleem van de patiënt worden geformuleerd, en 2) het best passende
behandelplan gekozen worden, waarmee de patiënt op een zo efficiënt en effectief mogelijke
manier ondersteund wordt in het bereiken van diens specifieke betekenisvolle doelen.’
Er zijn verschillende categorieën van manieren redeneren: 1 kennisorganisatie, 2 cognitieve
proces en 3 metacognitieve proces.
College 2 Pijn- en verwerking
Pijn wordt gedefinieerd als ‘een onplezierige sensorische en emotionele ervaring, geassocieerd
met acute of potentiële weefselschade, of beschreven in termen van dergelijke schade.
Nociceptieve pijn = weefselschade
Neuropathische pijn = zenuwweefsel > centraal of perifeer
Nociplastische pijn = centrale sensitisatie > verandering
Pijn is altijd afhankelijk van de context, emoties en gedrag maar ook cognities.
Acute pijn
1.Perifeer > pijnplek > noxische prikkel (noxe = schade)
Nociceptieve > acute pijn > primaire en secundaire pijn
Primaire pijn > Aδ vezel > noxische prikkel > scherp en lokaliserend
Secundaire pijn > C-vezel > ontstekingsreactie (SP)> diffuus en emotioneel
Ontstekingsreactie > Supstance P > versnellen en vergroten van gebied > reactie omhoog en
prikkeldrempel omlaag = een beschermingsmechanisme
Hyperalgesie = verhoogde gevoeligheid voor Nociceptieve prikkels
Allodynie = niet-Nociceptieve prikkels pijnlijk > b.v. tast
2.Ruggenmerg
Aδ vezel > direct naar de hersenen + reflexboog
C-vezels > schakelen over > afgifte SP > overgevoelig
Poorttheorie = C-vezels (pijn) en Aδ-vezels (tast). Tast
heeft voorrang op pijn. Bv. Wrijven, tens of massage.
3.Hersenstam en Hersenen
Emotionele systemen > C-vezels
Gewaarwording > Aδ-vezels
Descenderende pijndemping > DNIC
Endorfine wordt geproduceerd en remmen pijnsignalen in stijgende en dalende banen.
Enkefaline = neurotransmitter die de Nociceptieve prikkels in het ruggenmerg dempt.
College 3 bindweefsel schade en herstel
Weefsel = een samenstel van gelijksoortig gedifferentieerde cellen, du met gelijke of
vergelijkbare bouw en functie, die door intercellulaire contacten en extracellulaire tussenstof
verbonden zijn.
Functie van bindweefsel: vormen van het geraamte, verbinden van verschillende
lichaamsonderdelen, beschermt de organen, metabole functies, opslag van energie en vorming
littekenweefsel bij schade.
Onderdelen van bindweefsel: cellen > fibroblast, vezels> collageen en grondsubstantie>
proteoglycanen en water. Collagene vezels zijn positief en proteoglycanen zijn negatief. Vezels
,bestaan uit fibrillen > geschakelde moleculen > molecuul bestaat uit 3 polypeptide ( alpha
ketens ). Spiraalvormig > ze zijn verbonden met suiker.
3 soorten collageen: type 1 ( 90% van al het bindweefsel, erg trekvast), type 2 ( in kraakbeen,
goed tegen druk door sterke waterbinding) en type 3 ( als eerste geplaatst bij schade, en weinig
structuur.
Halfwaardetijd van collageen: maanden tot decennia
Halfwaardetijd van grondsubstantie: dagen tot weken
Wet van Wolff en Davis > weefsel past zich aan, aan de behoefte. Use it or lose it.
Bindweefsel wordt sterker door trainen omdat nieuwe fibrillen een grotere diameter krijgen en er
meer crosslinks liggen.
Immobilisatie: spier verkort en doorsnede van de vezels loopt af.
Bindweefsel: duurt langer maar hetzelfde
Bindweefselschade op 2 manieren: trauma of overbelasting.
Trauma kan op 2 manieren: contusie ( continuïteit is niet verstoord en herstelt daardoor
makkelijker) of distorsie (ruptuur)
3 herstelfasen na schade:
1 ontstekingsfase > duurt dagen (1-4)
Tekenen van een steriele ontsteking zijn: pijn, warmte, roodheid, zwelling en verlies van functie
Bloed stollen
Vloeistof, witte bloedcellen en fibroblasten naar de wond brengen
Beschadigd materiaal verwijderen
Behandeling is PEACE
P = Protection
E= Elevation
A= avoid anti-inflammatories
C= Compression
E= education
2 proliferatiefase en 3 organisatiefase
Bloedvaatjes groeien wond in
Fibroblasten vermenigvuldigen en produceren o.a. collageen ( eerst type 3 en later type 1)
Halfwaardetijd van nieuw gevormd collageen in litteken is enkele dagen tot weken
Crosslinks zorgen erna ongeveer 3 weken voor dat het verwijden van fibrillen steeds moeilijker
wordt.
Behandeling is LOVE
L= Load
O= optimism
V= vascularisation
E= exercise
Revalideren
Rekening houden met trekvastheid en binnen de pijngrens.
, Onbelast bewegen > functioneel bewegen > kracht en lenigheid > explosiviteit
Wet van Davis.
Bij herstel spelen ook Sensomotoriek en psychologie een rol.
College 5 motorische controle
Motor system theories > leren in relatie tot lichaam + het brein. Bestaat uit 2 theorieën.
Engram theorie > oorsprong een reflexmodel.
1 sensoriek > input van buiten naar de hersenen
2 motoriek
3 sensoriek > input van het lichaam bijsturen
4 actie en repeat
Er zou sprake zijn van geheugensporen en het vastleggen van bewegingen.
Schema theorie > kritischer dan engram theorie
1 gedachte van beweging in de hersenen
2 sensorische info vertalen > herkenningsschema’s
3 responsprogrammeren en uitvoeren vanuit motorprogramma’s
4 lineair en top-down maar ruggenmerg
De motorprogramma’s zijn meer gegeneraliseerd. Bij het ruggenmerg komen de variante
kenmerken. Leren = eerst invariant en dan pas variant
Action system theories > leren in relatie tot omgeving. Bestaat ook uit 2 theorieën.
Ecologische theorie > directe -perceptie-actie koppeling
Affordances = omgeving biedt mogelijkheden tot handelen
Optic array= (lichtpatroon) object waar je naar kijkt en wordt gestructureerd door de omgeving.
Dynamische systeemtheorie > meer sturing dan alleen door het brein.
Lichaam is een mechanisch systeem, blootgesteld aan interne en externe krachten en
psychosociale invloeden. Draait om streven naar stabiliteit vanuit variabiliteit.
Constraints led approach > begrenzen van de ‘oplossingsruimte’.
Manipuleren in taak, omgeving of/en persoon. Patiënt is de probleemoplosser en therapeut is de
probleemaanbieder.
College 6 klinisch redeneren voor de fysiotherapeut
Werkdefinitie: ‘Klinisch redeneren is een niet-lineair iteratief cognitief proces, waarbij eerder
opgedane kennis en ervaringen continu 1) sturing geven aan het verzamelen, en 2) helpen met
het interpreteren van relevante informatie, waardoor klinische beslissingen 1) bewust, 2) in
samenspraak met de patiënt, en 3) onderbouwd genomen kunnen worden, en hierop kan
worden gereflecteerd. Hierdoor kan 1) een meest waarschijnlijke verklaring voor het
gezondheidsprobleem van de patiënt worden geformuleerd, en 2) het best passende
behandelplan gekozen worden, waarmee de patiënt op een zo efficiënt en effectief mogelijke
manier ondersteund wordt in het bereiken van diens specifieke betekenisvolle doelen.’
Er zijn verschillende categorieën van manieren redeneren: 1 kennisorganisatie, 2 cognitieve
proces en 3 metacognitieve proces.