Toepassingsvragen Fysiotherapie blok 1
• Spieren en Bewegingsanalyse:
1. Leg uit hoe de bouw van een skeletspier, van fascie tot sarcomeer, bijdraagt aan de
krachtoverbrenging en beweging. Gebruik hierbij de termen epimysium, perimysium,
endomysium, myofibril en sarcomeer.
2. Beschrijf de verschillende fasen van een spiercontractie (excitatie, latentietijd,
contractiefase, relaxatiefase) en leg uit hoe calciumionen en ATP hierbij een rol spelen.
3. Een patiënt heeft moeite met het uitvoeren van een beweging waarbij zowel snelle als
langzame spiervezels betrokken zijn. Wat zijn de kenmerken van deze twee typen
spiervezels en hoe beïnvloedt dit de beweging?
4. Hoe kun je als fysiotherapeut de kracht van een spier beïnvloeden door middel van
frequentiegradatie en rekruteringsgradatie? Geef een voorbeeld van een oefening
waarbij je beide principes toepast.
• Energie, Stofwisseling en Voeding:
5. Een patiënt met diabetes type 2 wil starten met een trainingsprogramma. Welke
adviezen geef je met betrekking tot de energievoorziening tijdens inspanning, rekening
houdend met de aandoening?
6. Leg uit hoe de verschillende macronutriënten (koolhydraten, vetten, eiwitten) worden
afgebroken en gebruikt voor energieproductie. Wat is het belang van een
uitgebalanceerd voedingspatroon voor sporters?
• Zelfmanagement, Communicatie en Interactie:
7. Je begeleidt een patiënt met een nieuwe prothese. Hoe kun je deze patiënt stimuleren
tot zelfmanagement en het stellen van realistische doelen?
8. Beschrijf verschillende soorten vragen die je kunt stellen tijdens een anamnesegesprek
(open, gesloten, verdiepend, verbredend). Geef van elk type vraag een voorbeeld.
9. Als fysiotherapeut wil je empatisch luisteren naar je patiënt. Wat houdt dit in en hoe kun
je dit in de praktijk toepassen?
10. Noem enkele factoren die de interpretatie van non-verbale communicatie van een
patiënt kunnen beïnvloeden. Hoe kun je als therapeut voorkomen dat je te snel
conclusies trekt?
• Spieren en Bewegingsanalyse:
1. Leg uit hoe de bouw van een skeletspier, van fascie tot sarcomeer, bijdraagt aan de
krachtoverbrenging en beweging. Gebruik hierbij de termen epimysium, perimysium,
endomysium, myofibril en sarcomeer.
2. Beschrijf de verschillende fasen van een spiercontractie (excitatie, latentietijd,
contractiefase, relaxatiefase) en leg uit hoe calciumionen en ATP hierbij een rol spelen.
3. Een patiënt heeft moeite met het uitvoeren van een beweging waarbij zowel snelle als
langzame spiervezels betrokken zijn. Wat zijn de kenmerken van deze twee typen
spiervezels en hoe beïnvloedt dit de beweging?
4. Hoe kun je als fysiotherapeut de kracht van een spier beïnvloeden door middel van
frequentiegradatie en rekruteringsgradatie? Geef een voorbeeld van een oefening
waarbij je beide principes toepast.
• Energie, Stofwisseling en Voeding:
5. Een patiënt met diabetes type 2 wil starten met een trainingsprogramma. Welke
adviezen geef je met betrekking tot de energievoorziening tijdens inspanning, rekening
houdend met de aandoening?
6. Leg uit hoe de verschillende macronutriënten (koolhydraten, vetten, eiwitten) worden
afgebroken en gebruikt voor energieproductie. Wat is het belang van een
uitgebalanceerd voedingspatroon voor sporters?
• Zelfmanagement, Communicatie en Interactie:
7. Je begeleidt een patiënt met een nieuwe prothese. Hoe kun je deze patiënt stimuleren
tot zelfmanagement en het stellen van realistische doelen?
8. Beschrijf verschillende soorten vragen die je kunt stellen tijdens een anamnesegesprek
(open, gesloten, verdiepend, verbredend). Geef van elk type vraag een voorbeeld.
9. Als fysiotherapeut wil je empatisch luisteren naar je patiënt. Wat houdt dit in en hoe kun
je dit in de praktijk toepassen?
10. Noem enkele factoren die de interpretatie van non-verbale communicatie van een
patiënt kunnen beïnvloeden. Hoe kun je als therapeut voorkomen dat je te snel
conclusies trekt?