60 meerkeuze oefenvragen blok 1
Eigen Regie en Gedragsverandering
1. Wat wordt verstaan onder eigen regie of zelfmanagement?
o Het vermogen om te gaan met de stress die een chronische aandoening met zich
meebrengt.
o Het zodanig omgaan met de chronische aandoening dat de aandoening
optimaal wordt ingepast in het leven.
o Het volledig genezen van een chronische aandoening door middel van
leefstijlaanpassingen.
2. Welke vaardigheid is NIET essentieel voor zelfmanagement?
o Inzicht hebben in de situatie.
o Manieren om problemen aan te pakken.
o Afhankelijk zijn van zorgverleners voor het nemen van beslissingen.
3. Wat is het doel van het Stages of Change-model?
o Het analyseren van de fysiologische processen die ten grondslag liggen aan
gedragsverandering.
o De fasen weergeven van ‘nog helemaal niet bezig met ander gedrag’ tot ‘het
blijven uitvoeren van nieuw gedrag’.
o Het identificeren van de genetische factoren die van invloed zijn op iemands
vermogen om gedrag te veranderen.
4. Waarop richt het ASE-determinantenmodel zich?
o Het samenspel van factoren die de intentie tot gedragsverandering beïnvloeden.
o De invloed van omgevingsfactoren op de effectiviteit van verschillende
behandelmethoden.
o De rol van positieve en negatieve bekrachtiging bij het aanleren van nieuw
gedrag.
5. In welke fase van het Stages of Change-model bevindt iemand zich die overweegt om
zijn gedrag te veranderen, maar nog geen concrete plannen heeft?
o Precontemplatie.
o Contemplatie.
o Preparatie.
Ademhaling en Gastransport
6. Wat is de primaire functie van de ademhaling?
o Het reguleren van de lichaamstemperatuur door middel van verdamping.
, o Het binnen bepaalde grenzen houden van de O2- en CO2-concentraties in het
bloed.
o Het verwijderen van giftige stoffen uit het lichaam via de longen.
7. Wat is de anatomische dode ruimte in de context van ademhaling?
o Het deel van de longen dat beschadigd is door een ziekte.
o De ruimte van de luchtwegen waarin geen gaswisseling plaatsvindt, zoals de
neus- en keelholte.
o De hoeveelheid lucht die na een maximale uitademing nog in de longen
achterblijft.
8. Wat is de alveolaire ventilatie?
o Het totale volume lucht dat per minuut in en uit de longen stroomt.
o De hoeveelheid lucht die per minuut de alveoli bereikt en deelneemt aan de
gaswisseling.
o Het volume lucht dat in de anatomische dode ruimte achterblijft na elke
ademhaling.
9. Hoe vindt het transport van zuurstof van de alveoli naar het bloed plaats?
o Actief transport, waarbij energie wordt gebruikt om zuurstofmoleculen te
verplaatsen.
o Osmose, waarbij zuurstof van een gebied met hoge concentratie naar een
gebied met lage concentratie stroomt.
o Diffusie, waarbij zuurstof van een gebied met hoge partiële druk naar een gebied
met lage partiële druk beweegt.
10. Wat is de diffusiecapaciteit in de context van gaswisseling in de longen?
o De snelheid waarmee bloed door de longcapillairen stroomt.
o De hoeveelheid zuurstof die per minuut door het bloed wordt opgenomen.
o Een maat voor de diffusie in de longen, uitgedrukt in ml per minuut per kPa.
11. Hoe kan de diffusiecapaciteit tijdens inspanning toenemen?
o Door een verhoging van de ademfrequentie.
o Door een verlaging van de hartfrequentie.
o Door het openen van meer longcapillairen, waardoor het diffusieoppervlak
wordt vergroot.
12. Hoeveel zuurstof kan per liter bloed worden opgelost zonder de binding aan
hemoglobine?
o 3 ml
Eigen Regie en Gedragsverandering
1. Wat wordt verstaan onder eigen regie of zelfmanagement?
o Het vermogen om te gaan met de stress die een chronische aandoening met zich
meebrengt.
o Het zodanig omgaan met de chronische aandoening dat de aandoening
optimaal wordt ingepast in het leven.
o Het volledig genezen van een chronische aandoening door middel van
leefstijlaanpassingen.
2. Welke vaardigheid is NIET essentieel voor zelfmanagement?
o Inzicht hebben in de situatie.
o Manieren om problemen aan te pakken.
o Afhankelijk zijn van zorgverleners voor het nemen van beslissingen.
3. Wat is het doel van het Stages of Change-model?
o Het analyseren van de fysiologische processen die ten grondslag liggen aan
gedragsverandering.
o De fasen weergeven van ‘nog helemaal niet bezig met ander gedrag’ tot ‘het
blijven uitvoeren van nieuw gedrag’.
o Het identificeren van de genetische factoren die van invloed zijn op iemands
vermogen om gedrag te veranderen.
4. Waarop richt het ASE-determinantenmodel zich?
o Het samenspel van factoren die de intentie tot gedragsverandering beïnvloeden.
o De invloed van omgevingsfactoren op de effectiviteit van verschillende
behandelmethoden.
o De rol van positieve en negatieve bekrachtiging bij het aanleren van nieuw
gedrag.
5. In welke fase van het Stages of Change-model bevindt iemand zich die overweegt om
zijn gedrag te veranderen, maar nog geen concrete plannen heeft?
o Precontemplatie.
o Contemplatie.
o Preparatie.
Ademhaling en Gastransport
6. Wat is de primaire functie van de ademhaling?
o Het reguleren van de lichaamstemperatuur door middel van verdamping.
, o Het binnen bepaalde grenzen houden van de O2- en CO2-concentraties in het
bloed.
o Het verwijderen van giftige stoffen uit het lichaam via de longen.
7. Wat is de anatomische dode ruimte in de context van ademhaling?
o Het deel van de longen dat beschadigd is door een ziekte.
o De ruimte van de luchtwegen waarin geen gaswisseling plaatsvindt, zoals de
neus- en keelholte.
o De hoeveelheid lucht die na een maximale uitademing nog in de longen
achterblijft.
8. Wat is de alveolaire ventilatie?
o Het totale volume lucht dat per minuut in en uit de longen stroomt.
o De hoeveelheid lucht die per minuut de alveoli bereikt en deelneemt aan de
gaswisseling.
o Het volume lucht dat in de anatomische dode ruimte achterblijft na elke
ademhaling.
9. Hoe vindt het transport van zuurstof van de alveoli naar het bloed plaats?
o Actief transport, waarbij energie wordt gebruikt om zuurstofmoleculen te
verplaatsen.
o Osmose, waarbij zuurstof van een gebied met hoge concentratie naar een
gebied met lage concentratie stroomt.
o Diffusie, waarbij zuurstof van een gebied met hoge partiële druk naar een gebied
met lage partiële druk beweegt.
10. Wat is de diffusiecapaciteit in de context van gaswisseling in de longen?
o De snelheid waarmee bloed door de longcapillairen stroomt.
o De hoeveelheid zuurstof die per minuut door het bloed wordt opgenomen.
o Een maat voor de diffusie in de longen, uitgedrukt in ml per minuut per kPa.
11. Hoe kan de diffusiecapaciteit tijdens inspanning toenemen?
o Door een verhoging van de ademfrequentie.
o Door een verlaging van de hartfrequentie.
o Door het openen van meer longcapillairen, waardoor het diffusieoppervlak
wordt vergroot.
12. Hoeveel zuurstof kan per liter bloed worden opgelost zonder de binding aan
hemoglobine?
o 3 ml