Bloed
Een volwassene heeft 5-6 liter bloed. Dit komt gemiddeld neer op 7,5% van het lichaamsgewicht.
Bloed is vloeibaar en is het transportmiddel van ons lichaam.
Het bloed transporteert zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen door het lichaam.
Bloed heeft een rol in de warmteregulatie van het lichaam en het op peil houden van de zuurgraad.
Daarnaast speelt het bloed een belangrijke rol in de afweer en bij de bloedstolling.
Bloed bestaat voor 45% uit bloedcellen (rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes), de resterende 55%
is plasma. Het plasma bestaat weer voor 90% uit water en de overige 10% uit stollingseiwitten,
zouten en opgeloste stoffen. Gecentrifugeerd zijn er drie lagen zichtbaar:
Bovenste laag: plasma
Middelste laagje (buffycoat): trombocyten (bloedstolling) en leukocyten (afweer)
Onderste laag: erytrocyten (vervoer van zuurstof en koolstofdioxide)
De belangrijkste functie van plasma is het transport van stoffen. Het bevat onder andere:
Elektrolyten (natrium, kalium, chloor)
Eiwitten (stollingseiwitten, antistoffen, enzymen, albumine
Stofwisselingsproducten, vetten en glucose
Normaalwaarden bij laboratoriumonderzoek:
Hb (hemoglobine): bij mannen 8,5-11 mmol/l en bij vrouwen 7,5-10 mmol/l
RBC (red bloodcell count): bij mannen 4,4-5,8 x 10 12/l en bij vrouwen 4,0-5,3 x 1012/l
MCV (mean corpuscular volume): bij mannen en vrouwen 80-100 fl
Trombocytenaantal: 150-350 x 109/l
De bloedcelvorming (hemopoëse) vindt voornamelijk plaats in het rode beenmerg door kerndeling
(mitose). Alle typen bloedcellen hebben dezelfde voorloper; de bloedstamcellen (hemopoëtische
stamcellen). Uit de bloedstamcel ontwikkelen zich rode bloedcellen (erytrocyten), witte bloedcellen
(leukocyten) en bloedplaatjes (trombocyten). De onrijpe voorstadia ervan heten -blasten:
erytroblasten en leukoblasten Leukocyten kunnen in het beenmerg uitrijpen maar ook in het
lymfatisch weefsel. Er bestaan B-lymfocyten en T-lymfocyten. B-lymfocyten rijpen uit in het beenmerg
en T-lymfocyten rijpen uit in het lymfatisch weefsel. Bij de aanmaak van de trombocyt verloopt het
proces net even anders. De zogenoemde megakaryocyt, een grote beenmergcel, deelt niet verder,
maar valt in duizenden stukjes uiteen; de trombocyten.
Erytrocyten hebben een levensduur van ongeveer 120 dagen. Erytrocyten worden afgebroken in de
lever en de milt. In de milt wordt de hemoglobine vrijgemaakt uit de oude erytrocyt. Dit vrijgekomen
ijzer wordt opnieuw gebruikt in de aanmaak van nieuwe erytrocyten. Ook komt er bilirubine vrij. Dit
is een schadelijk afbraakproduct van de hemoglobine. Bilirubine wordt door de lever uit het bloed
gehaald en zo bewerkt dat het in water oplosbaar is. Daarna wordt het in de gal uitgescheiden. Via de
gal komt het in de darm. Hierna verlaat het bilirubine via de ontlasting en de urine het lichaam.
Proces van hemostase (bloedstolling):
1. Vernauwing van het beschadigde bloedvat (lokale vasoconstrictie)
Spieren in de bloedvatwand trekken samen. Dit treedt direct op na de beschadiging
van de vaatwand. De vasoconstrictie houdt ongeveer 30 minuten aan met als doel
het bloedverlies beperkt te houden. En daarnaast stroomt het bloed daar langzamer,
zodat het makkelijker kan stollen.
, 2. Propvorming (aggregatie)
Trombocyten hechten zich aan elkaar aan de wondranden. Dit gebeurt onder invloed
van de zogenoemde von willebrandfactor, een van de stollingsfactoren in het plasma.
Door aggregatie klontert het bloed.
3. Stolling (coagulatie)
De vorming van een bloedstolsel. Uit de kapotte trombocyt komt een stof vrij, de
plaatjesfactor, die mede aanzet tot de kettingreactie van de coagulatie. Deze
kettingreactie leidt uiteindelijk tot de vorming van fibrine, een taai netwerk van
eiwitdraden dat de wond dicht.
Er zijn dertien stollingsfactoren betrokken bij de hemostase. De meeste hiervan zijn plasma-
eiwitten en worden in de lever aangemaakt. Vitamine K is een bouwstof voor een aantal
belangrijke stollingsfactoren. Tegelijk met de coagulatie treedt er een proces van antistolling
op om te voorkomen dat het stollingsproces doorschiet: de fibrinolyse. Dit is de afbraak van
het fibrinestolsel.
De resusbloedgroep kan een probleem geven bij de foetale ontwikkeling en bij de geboorte als de
moeder resusnegatief is en de baby resuspositief. Als er bloed van de baby in de circulatie van
moeder komt, maakt moeder antistoffen. Dit geeft problemen bij een eventueel volgend kind dat ook
resuspositief is. Daarom krijgt in dit geval moeder na de bevalling anti-D-antistoffen toegediend. Door
deze zogenoemde anti-D profylaxe maakt moeder geen antistoffen tegen het bloed van de baby.
Een ernstige bloeding is:
Elke (zichtbare) bloeding met:
o Systolische bloeddruk < 90 mmHg of een daling van > 40 mmHg; en/of
o Hb < 4,0 mmol/l; en/of
o Daling van het Hb van > 1,5mmol/l in 24 uur; en/of
o Transfusiebehoefte >2 EC
Een intracraniële bloeding
Een retroperitoneale bloeding
Een intraoculaire bloeding
Een massale bloeding is een ernstige bloeding met daarbij:
Transfusiebehoefte > 10 EC per 24 uur; of
Verlies > 1x circulerend volume per 24 uur; of
Verlies > 50% circulerend volume in 3 uur; of
Bloedverlies > 150 ml/min
Een volwassene kan met behulp van compensatiemechanismen een verlies tot 30% van het
circulerend volume opvangen zonder bloeddrukdaling.
Symptomen bij fors bloedverlies zijn: tachycardie, hypotensie, oligurie, koude acra,
transpireren, klam aanvoelen, lethargie.
Massaal ongecontroleerd bloedverlies wordt gedefinieerd als: bloeding EN systolische bloeddruk van
<90 mmHg of fors verlaagd ten opzichte van voor de patiënt normale systolische bloeddruk EN
slechte respons op resuscitatie en/of transfusie > erytrocytenconcentraten (EC) per uur.
Bij een massaal bloedverlies houd je een systole van 80-90 aan (indien de patiënt dan bij bewustzijn
is).
Acties bij massaal bloedverlies:
Een volwassene heeft 5-6 liter bloed. Dit komt gemiddeld neer op 7,5% van het lichaamsgewicht.
Bloed is vloeibaar en is het transportmiddel van ons lichaam.
Het bloed transporteert zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen door het lichaam.
Bloed heeft een rol in de warmteregulatie van het lichaam en het op peil houden van de zuurgraad.
Daarnaast speelt het bloed een belangrijke rol in de afweer en bij de bloedstolling.
Bloed bestaat voor 45% uit bloedcellen (rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes), de resterende 55%
is plasma. Het plasma bestaat weer voor 90% uit water en de overige 10% uit stollingseiwitten,
zouten en opgeloste stoffen. Gecentrifugeerd zijn er drie lagen zichtbaar:
Bovenste laag: plasma
Middelste laagje (buffycoat): trombocyten (bloedstolling) en leukocyten (afweer)
Onderste laag: erytrocyten (vervoer van zuurstof en koolstofdioxide)
De belangrijkste functie van plasma is het transport van stoffen. Het bevat onder andere:
Elektrolyten (natrium, kalium, chloor)
Eiwitten (stollingseiwitten, antistoffen, enzymen, albumine
Stofwisselingsproducten, vetten en glucose
Normaalwaarden bij laboratoriumonderzoek:
Hb (hemoglobine): bij mannen 8,5-11 mmol/l en bij vrouwen 7,5-10 mmol/l
RBC (red bloodcell count): bij mannen 4,4-5,8 x 10 12/l en bij vrouwen 4,0-5,3 x 1012/l
MCV (mean corpuscular volume): bij mannen en vrouwen 80-100 fl
Trombocytenaantal: 150-350 x 109/l
De bloedcelvorming (hemopoëse) vindt voornamelijk plaats in het rode beenmerg door kerndeling
(mitose). Alle typen bloedcellen hebben dezelfde voorloper; de bloedstamcellen (hemopoëtische
stamcellen). Uit de bloedstamcel ontwikkelen zich rode bloedcellen (erytrocyten), witte bloedcellen
(leukocyten) en bloedplaatjes (trombocyten). De onrijpe voorstadia ervan heten -blasten:
erytroblasten en leukoblasten Leukocyten kunnen in het beenmerg uitrijpen maar ook in het
lymfatisch weefsel. Er bestaan B-lymfocyten en T-lymfocyten. B-lymfocyten rijpen uit in het beenmerg
en T-lymfocyten rijpen uit in het lymfatisch weefsel. Bij de aanmaak van de trombocyt verloopt het
proces net even anders. De zogenoemde megakaryocyt, een grote beenmergcel, deelt niet verder,
maar valt in duizenden stukjes uiteen; de trombocyten.
Erytrocyten hebben een levensduur van ongeveer 120 dagen. Erytrocyten worden afgebroken in de
lever en de milt. In de milt wordt de hemoglobine vrijgemaakt uit de oude erytrocyt. Dit vrijgekomen
ijzer wordt opnieuw gebruikt in de aanmaak van nieuwe erytrocyten. Ook komt er bilirubine vrij. Dit
is een schadelijk afbraakproduct van de hemoglobine. Bilirubine wordt door de lever uit het bloed
gehaald en zo bewerkt dat het in water oplosbaar is. Daarna wordt het in de gal uitgescheiden. Via de
gal komt het in de darm. Hierna verlaat het bilirubine via de ontlasting en de urine het lichaam.
Proces van hemostase (bloedstolling):
1. Vernauwing van het beschadigde bloedvat (lokale vasoconstrictie)
Spieren in de bloedvatwand trekken samen. Dit treedt direct op na de beschadiging
van de vaatwand. De vasoconstrictie houdt ongeveer 30 minuten aan met als doel
het bloedverlies beperkt te houden. En daarnaast stroomt het bloed daar langzamer,
zodat het makkelijker kan stollen.
, 2. Propvorming (aggregatie)
Trombocyten hechten zich aan elkaar aan de wondranden. Dit gebeurt onder invloed
van de zogenoemde von willebrandfactor, een van de stollingsfactoren in het plasma.
Door aggregatie klontert het bloed.
3. Stolling (coagulatie)
De vorming van een bloedstolsel. Uit de kapotte trombocyt komt een stof vrij, de
plaatjesfactor, die mede aanzet tot de kettingreactie van de coagulatie. Deze
kettingreactie leidt uiteindelijk tot de vorming van fibrine, een taai netwerk van
eiwitdraden dat de wond dicht.
Er zijn dertien stollingsfactoren betrokken bij de hemostase. De meeste hiervan zijn plasma-
eiwitten en worden in de lever aangemaakt. Vitamine K is een bouwstof voor een aantal
belangrijke stollingsfactoren. Tegelijk met de coagulatie treedt er een proces van antistolling
op om te voorkomen dat het stollingsproces doorschiet: de fibrinolyse. Dit is de afbraak van
het fibrinestolsel.
De resusbloedgroep kan een probleem geven bij de foetale ontwikkeling en bij de geboorte als de
moeder resusnegatief is en de baby resuspositief. Als er bloed van de baby in de circulatie van
moeder komt, maakt moeder antistoffen. Dit geeft problemen bij een eventueel volgend kind dat ook
resuspositief is. Daarom krijgt in dit geval moeder na de bevalling anti-D-antistoffen toegediend. Door
deze zogenoemde anti-D profylaxe maakt moeder geen antistoffen tegen het bloed van de baby.
Een ernstige bloeding is:
Elke (zichtbare) bloeding met:
o Systolische bloeddruk < 90 mmHg of een daling van > 40 mmHg; en/of
o Hb < 4,0 mmol/l; en/of
o Daling van het Hb van > 1,5mmol/l in 24 uur; en/of
o Transfusiebehoefte >2 EC
Een intracraniële bloeding
Een retroperitoneale bloeding
Een intraoculaire bloeding
Een massale bloeding is een ernstige bloeding met daarbij:
Transfusiebehoefte > 10 EC per 24 uur; of
Verlies > 1x circulerend volume per 24 uur; of
Verlies > 50% circulerend volume in 3 uur; of
Bloedverlies > 150 ml/min
Een volwassene kan met behulp van compensatiemechanismen een verlies tot 30% van het
circulerend volume opvangen zonder bloeddrukdaling.
Symptomen bij fors bloedverlies zijn: tachycardie, hypotensie, oligurie, koude acra,
transpireren, klam aanvoelen, lethargie.
Massaal ongecontroleerd bloedverlies wordt gedefinieerd als: bloeding EN systolische bloeddruk van
<90 mmHg of fors verlaagd ten opzichte van voor de patiënt normale systolische bloeddruk EN
slechte respons op resuscitatie en/of transfusie > erytrocytenconcentraten (EC) per uur.
Bij een massaal bloedverlies houd je een systole van 80-90 aan (indien de patiënt dan bij bewustzijn
is).
Acties bij massaal bloedverlies: