Week 1
Les 1
Leerdoelen:
De betekenis van het internationaal recht voor de Nederlandse praktijk uitleggen;
De belangrijkste bronnen van het internationaal recht benoemen en uitleggen;
De internationaalrechtelijke rechtssubjecten benoemen en uitleggen;
De taken en doelstellingen van de VN benoemen en uitleggen.
De betekenis van het internationaal recht voor de Nederlandse praktijk
In het Nederlands recht heeft het internationaal recht een bijzondere status:
Artikel 93 GW:
Bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties met eenieder
verbindende werking hebben verbindende kracht na bekendmaking. ➡ Dit betekent dat
burgers zich hierop kunnen beroepen en rechters deze regels kunnen toepassen.
Artikel 94 GW:
Nationale wetten worden buiten toepassing gelaten als ze niet verenigbaar zijn met eenieder
verbindende bepalingen van verdragen en internationale besluiten. ➡ Internationaal recht
heeft dus voorrang op nationaal recht.
Hoe herken je dat een regel rechtstreekse werking heeft? Directe werking
1. Ontvankelijkheid → De regel moet voor iedereen gelden.
2. Duidelijkheid → De bepaling moet helder geformuleerd zijn en geen verdere
nationale uitwerking vereisen.
➡ Voorbeeld: Het recht op een eerlijk proces uit het EVRM (art. 6) is concreet en direct
afdwingbaar, terwijl sociale grondrechten vaak vager zijn en beleidsmaatregelen vereisen.
(Bijv. opzoek naar huis en je vindt dat de overheid je recht op huisvesting (sociaal
grondrecht) schendt. Je kunt niet zomaar naar de rechter en eisen dat ze jou een huis geven.
Direct afdwingbaar: betekent dat je een recht meteen bij de rechter kunt inroepen als het
wordt geschonden, zonder dat daar extra wetten of beleid voor nodig zijn.
Directe werking: internationaal recht dat direct geldt. Herkenbaar aan: “iedereen heeft er recht
op” of “de partijen moeten”
Internationale regels boven nationale regels
Nederland hanteert een beperkt monistisch systeem:
De rechter kan internationaal recht rechtstreeks toepassen.
Internationaal recht is deel van de nationale rechtsorde (zie de Grondwet!).
, Voorrang: Bij conflict met nationale wetten geldt internationaal recht (zie ook art.
120 GW).
Monisme vs. Dualisme
Monisme: Dit houdt in dat internationale verdragen direct gelden in een land, zonder dat er
eerst een nationale wet moet worden gemaakt.
Internationale en nationale rechtsorden zijn niet gescheiden.
Internationale regels gelden direct zonder nationale omzetting.
Voorbeeld: Het VN-Vluchtelingenverdrag werkt direct door in Nederland.
Dualisme: daar moet een verdrag eerst worden omgezet in nationale wetgeving voordat
burgers er rechten aan kunnen ontlenen.
Internationale en nationale rechtsorden zijn gescheiden.
Internationale regels gelden pas na omzetting in nationale wetgeving.
Voorbeeld: In het VK moet een verdrag eerst door het parlement worden omgezet.
Verenigd Koninkrijk hanteert een dualistisch systeem
Beperkingen van het monistisch systeem
De rechter beoordeelt of een regel eenieder verbindend is en dus direct werkt.
- De rechter bepaalt of een internationaal recht direct geld in het nationaal recht.
Dit doet hij door te oordelen of een verdrag “eenieder bindend” is bijv. Art 93
GW
- Is een bepaling duidelijk en concreet geldt die direct. Is dit te onduidelijk dan
moet de overheid eerst nationale wetgeving maken
Vage regels of sociale grondrechten zijn vaak niet direct afdwingbaar (omdat de
overheid hier zelf regels over heeft).
De Grondwet beperkt directe werking tot verdragen en besluiten van internationale
organisaties.
➡ Voorbeeld: De UVRM bevat belangrijke mensenrechten, maar is een verklaring en dus
niet direct afdwingbaar in Nederland.
De Nederlandse Grondwet bepaalt dat alleen verdragen en internationale
besluiten automatisch onderdeel worden van de Nederlandse rechtsorde. Verklaringen zijn
meer richtlijnen en hebben geen juridische kracht in Nederland. art 93 + 94 GW
Een ieder verbindend: betekent dat een regel duidelijk en concreet geeg is zodat burgers
er direct een beroep op kunnen doen bij de rechter, zonder dat daar eerst nationale wetgeving
voor nodig is.
,De belangrijkste bronnen van het internationaal recht benoemen en uitleggen:
Volkenrecht = Internationaal recht regelt de rechtsverhoudingen tussen staten en
internationale organisaties
Uniek, want het mist twee nationale rechtselementen ten opzichte van het nationaal
recht:
1. Geen centrale wetgever in een land maak parlement wetten, maar op
internationaal niveau is dit niet zo. Landen ondertekenen met elkaar
overeenkomsten (door onderhandeling tussen landen)
2. Geen vaste rechter In een nationaal rechtssysteem hebben
rechters algemene bevoegdheid en kunnen ze over alle rechtszaken binnen hun
land oordelen, ongeacht het onderwerp. In internationaal recht is er geen
centrale "wereldrechter". Er zijn specifieke internationale rechtbanken
(internationaal gerechtshof, Europees hof van justitie, internationaal strafhof,
Europees hof voor de rechten van de mens) die alleen bepaalde
zaken behandelen, afhankelijk van hun bevoegdheid.
Toch is volkenrecht bindend en toepasbaar
Staten hebben afgesproken zich eraan te houden door verdragen te ondertekenen.
Toch is het bindend en wordt het toegepast door internationale rechters (bijv. Europees
Hof van Justitie).
Iedereen wordt eraan gebonden, maar de Grondwet is geen internationale rechtsbron.
Bronnen van internationaal recht (art. 38 Statuut IGH)
1. Verdragen (geschreven recht)
Schriftelijke overeenkomst tussen staten, met wederzijdse rechten en plichten.
Staten zijn vrij om een verdrag aan te gaan, maar moeten zich eraan houden (pacta
sunt servanda, art. 26 Weens Verdragenverdrag).
Soorten verdragen:
o Bilateraal: tussen 2 staten (bijv. NL-BE over de Schelde).
o Multilateraal: tussen meerdere staten (bijv. Verdrag van Rome).
o Regionaal (bijv. EU) of internationaal (bijv. VN).
Kenmerken (art. 2, lid 1a, Weens Verdragenverdrag):
o Schriftelijk vastgelegd.
o Overeenkomst tussen staten of internationale organisaties (bijv. VN).
o Bindend voor de betrokken partijen.
o De bedoeling van de partijen is doorslaggevend.
2. Besluiten van internationale organisaties (geschreven recht)
Uitgegeven door organisaties zoals de VN, EU of NAVO.
Lidstaten zijn verplicht zich eraan te houden.
, 3. Gewoonterecht (ongeschreven recht)
Ontstaat door regelmatige statenpraktijk en opinio juris (de overtuiging dat een
gewoonte juridisch bindend is).
Voorbeeld: immuniteit van staatshoofden.
4. Algemene rechtsbeginselen (ongeschreven recht)
Algemene rechtsbeginselen zijn basisregels die in bijna alle landen worden erkend,
ook al staan ze niet altijd letterlijk in de wet. Ze helpen om het recht eerlijk en logisch
te houden. (Gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, fair play, motiveringsbeginsel)
Voorbeeld: aansprakelijkheid van staten bij schending van rechten.
Doel:
1. Verschillen tussen wetten van landen oplossen (bijv. als 2 landen allebei over
een onderwerp: contract verbreken met elkaar. Dan kan de rechter zich
beroepen op een algemeen rechtsbeginsel zoals beginsel van goede trouw.
2. Belangrijke regels wereldwijd vastleggen. (Wetten die eerst alleen in 1 land
gelden, maar omdat jet zo belangrijk is kan het internationaal worden herkend)
5. Jurisprudentie
Uitspraken van internationale hoven en tribunalen hebben invloed, maar minder
juridische status dan verdragen en gewoonterecht.
Belangrijke gerechtshoven:
o Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
o Hof van Justitie van de EU.
o Internationaal Gerechtshof.
Secundaire bronnen
In het internationale recht zijn secundaire bronnen die niet direct wetten of verdragen
zijn, maar wel invloed hebben op hoe het recht wordt toegepast en geïnterpreteerd.
Deze secundaire bronnen bestaan vaak uit uitspraken van internationale tribunalen.
Art. 59 statuut IGH
Voorbeelden van tribunalen:
o Internationaal Gerechtshof (Den Haag). Geschillen tussen landen oplossen
o Internationaal Strafhof. (Den Haag) berechten van mensen die ernstige
internationale misdaden plegen (oorlogsmisdaden, genocide)
o Rwanda- en Joegoslavië Tribunaal.
Tribunalen: vaststellen van internationale regels
Soevereiniteit
Het recht van staten om hun eigen rechtsorde te bepalen, bestaande uit:
1. Gezagsstructuur: instellingen die publiek gezag uitoefenen.
2. Grondgebied: land, water en luchtruim.
3. Bevolking: inwoners verbonden aan het grondgebied.