Hoofdstuk 1 - Inleiding
Welke verschillende gedragsproblemen en stoornissen komen voor in het
onderwijs?
Het onderwijs heeft veel te maken met ADHD, met en zonder hyperactiviteit
(ADD). Ook zijn er heel wat jongeren met oppositioneel opstandig gedrag
(OD). Uitgesproken agressief gedrag (CD) komt meer voor in het spciaal
onderwijs. Daar zien we ook diverse leerlingen die passen binnen de diagnose
ASS. Er zijn ook leerlingen met angst- en stemmingsstoornissen. Of
leerlingen die last hebben van faalangst, wat overigens ook weer samen kan
hangen met hechtingsstoornissen.
Jongeren met een borderline-persoonlijkheidsstoornis (BPS) of
emotieregulatiestoornis zijn vooral te vinden vanaf het middelbaar en hoger
(beroeps)onderwijs. De verschillende probleemgebieden staan niet op
zichzelf. Soms komt er ook een combinatie van meerdere dingen voor, deze
overlap wordt ook wel comorbiditeit genoemd.
Voor de aard van de relatie tussen leer- en gedragsproblemen worden drie
hypothesen voorgesteld:
1. leerproblemen kunnen tot gedragsproblemen leiden door veel
faalervaringen en de sociaal-emotionele gevolgen daarvan
2. gedragsproblemen kunnen hun weerslag hebben op de noodzakelijke
voorwaarden voor het schoolse leren en zo leerproblemen veroorzaken.
Dit zouden dan eerder secundaire leerproblemen zijn.
3. het genetisch en/of neurobiologisch profiel van de leerlingen bepaald
zowel de vorderingen bij de verwerving van schoolse leerstof als hun
psychosociaal functioneren.
Waarom is er bij jongens meer sprake van gedragsproblemen dan bij meisjes?
Literatuur 1 1
, Er lijkt bij jongens sprake van een grotere biologische en genetische
kwetsbaarheid. De hersenstructuur wordt door hormonen beïnvloedt en is
bij jongens en meisjes zowel chemisch als structureel echt verschillend.
Mogelijk spelen sociaal-culturele invloeden en verwachtingen een rol en
wordt er op jongens nog altijd een grotere druk uitgeoefend om te
presteren dan op meisjes.
Jongens uiten zich vaak openlijker in gedrag dan meisjes, waardoor zij
meer last veroorzaken voor de omgeving.
Wat is het verschil tussen een psychische stoornis en gedragsprobleem?
Van een psychische stoornis is sprake wanneer de problematiek van de
jeugdige voldoet aan de criteria van de DSM-5. De problematiek bij een
stoornis ligt vaak vooral in de aanleg en rijping van het centraal zenuwstelsel,
wat direct invloed heeft op ontwikkelingsfuncties. In de DSM wordt
onderscheid gemaakt tussen neurobiologische ontwikkelingsstoornissen,
internaliserende en externaliserende stoornissen.
Een gedragsprobleem voldoet niet aan de criteria van de DSM-5, maar er is
wel sprake van ongewenst en/of storend gedrag. Dit is minder afhankelijk van
biologische factoren en meer situatiegebonden. Vooral door belemmeringen in
de omgeving verloopt de ontwikkeling minder soepel.
Gedragsproblemen kunnen samenhangen met een psychische stoornis. Vaak
gaat het ook om een wisselwerking tussen de aanleg van het kind en zijn
omgeving. Vooral de interactie tussen kind en opvoeders kan de eventueel in
aanleg aanwezige problemen verminderen of juist verergeren, dit heet ook wel
de gen-omgevingsinteractie.
Wat zijn huidige gedachten rondom de DSM-5?
Al enige tijd is er maatschappelijke discussie tussen zowel cliënten als
hulpverleners over de waarde van dit systeem. Het etiketteren van kinderen,
het medisch model, gaat uit van een beperking die zorg nodig heeft. Op die
manier benadruk je de zwaktes van mensen. Er wordt geen beroep meer
gedaan op hun kracht en eigen verantwoordelijkheid. Dat kan stigmatiserend
werken of mensen kunnen zich ernaar gaan gedragen.
Literatuur 1 2
, Dit wijst op de schaduwkant van de DSM-systematiek: mensen zijn veel meer
dan een etiket, het label waaraan ze volgens de DSM zouden voldoen.
Bovendien is het onderscheid tussen stoornissen in de DSM vrij arbitrair.
Dezelfde aspecten komen bij meerdere stoornissen voor, omdat dezelfde
mechanismen hieronder kunnen liggen. Bijv.: zowel ASS als ADHD wordt
gekenmerkt door cognitieve problemen.
Hoe is het gesteld met het welbevinden van de jeugd?
Ondanks de negatieve beeldvorming gaat het de meeste kinderen goed en is
er volgens deskundigen geen wetenschappelijk bewijs voor een toename van
ernstige stoornissen onder scholieren.
Er lijkt een sterk verband tussen schoolniveau en psychische problemen:
leerlingen op het laagste niveau van vmbo rapporteren meer
gedragsproblemen en problemen met leeftijdsgenoten dan leerlingen op het
vwo. Ook ervaren jongeren uit (onvolledige) gezinnen met minder materiële
welvaart meer problemen.
Over het geheel genomen hebben scholieren in Nederland het goed: de
overgrote meerderheid rapporteert positief in het leven te staan. Een
opvallende positieve trend is het afgenomen middelengebruik. Ook de
jeugdcriminaliteit in Nederland laat een daling zien.
Waarom zouden we minder moeten labelen en etiketteren?
Feitelijk gaat het dus zeker niet slechter met de jeugd, maar lijkt vooral de
omgeving veranderd. Ouders en leraren weten veel meer over allerlei
stoornissen, waardoor ze die eerder signaleren en kinderen eerder verwezen
worden. Ook wordt er tegenwoordig meer gevraagd van kinderen, waardoor
hun zwakke plekken eerder naar boven komen.
We moeten minder labels plakken. Volgens psychiater Frits Boer miskent de
samenleving natuurlijke diversiteit. We zouden pas van een stoornis moeten
spreken als iemand echt ernstig beperkt is in zijn dagelijks leven. Binnen het
onderwijs wordt nu al geprobeerd minder te focussen op problemen die
eenmaal gelabeld ook aangepakt moeten worden.
Per 1 januari 2015 hebben gemeenten de taak van jeugdzorg gekregen en
tegelijkertijd is ook Passend Onderwijs gestart. Samenwerkingsverbanden
gaan na wat goed onderbouwde steun is en welke behoefte een kind heeft.
Literatuur 1 3
, Welk onderzoek is voorafgaand aan een aanpak nodig?
Voordat je de beste aanpak voor een probleem kiest, moet je verschillende
aspecten van het probleem onderzoeken. Wat is de kindfactor, maar ook: wat
zijn de sociale omgevingsfactoren die invloed hebben?
Je moet je allereerst afvragen of er geen simpele verklaring is voor het
probleem: is het kind fit? Krijgt het voldoende slaap? Werken de zintuigen
goed, etc.? Soms is het probleem dan al met een relatief simpele ingreep te
verhelpen. Als toch wordt besloten tot onderzoek, dan dient dit
handelingsgericht te gebeuren volgens het HGD-model. HGD richt zich
nadrukkelijker op beschermende, positieve factoren.
Bij gedragsobservaties is het ABS-schema bruikbaar:
Wat gaat er aan gedrag vooraf? (Antecedent)
Hoe ziet het gedrag en precies uit? (Behavior)
Wat is het gevolg (Consequences)?
Welke kanttekeningen zijn belangrijk?
a. Bepaalde benamingen voor probleemgedragingen blijven altijd een
theoretisch construct. Daardoor wordt nooit recht gedaan aan alle
individuele verschijningsvormen ervan.
b. We moeten ons ervan bewust zijn dat er ook andere benaderingen zijn dan
onze westerse, sterk medisch gekleurde visie op afwijkend gedrag met
DSM-labels en therapie. Zo kan ADHD-gedrag ook gezien worden als een
uiting van verborgen talenten.
c. We moeten ervoor waken om aan de hand van de beschreven
probleemgebieden te concluderen dat er dús sprake is van die stoornis of
dat probleemgebied. Het werkt andersom: als na onderzoek een bepaalde
stoornis is vastgesteld, dan zul je die probleemgedragingen veelal zien.
d. De onderverdeling van een bepaald probleem en de daaraan gekoppelde
aanpak kan ten onrecht de indruk wekken dat alleen die deelaanpak een
specifiek deelprobleem kan oplossen. Vaak zal die deelaanpak ook passen
bij een ander deelprobleem.
Literatuur 1 4