Hoorcollege 1, 10 september
- Een rechtshandeling is een handeling die is gericht op een rechtsgevolg.
Voorbeeld: opzeggen van een overeenkomst.
- Wilsvertrouwensleer:
Geopenbaarde wil art. 3:33 BW -> art. 3:37 lid 1 BW in elke vorm kan je je wil verklaren.
Opgewekt vertrouwen art. 3:35 BW
- Als je via een brief je wil verklaard, treedt deze in op het moment dat de geadresseerde die brief
ontvangt.
- Verklaring kan afwijken van de wil door:
Vergissing
Verspreking
Verschrijving
Misverstand
In dit geval komen de wil en verklaring niet overeen -> voorbeeld:
Je wilt iets verkopen voor €50, maar je typt €5. Er komt geen rechtshandeling tot stand.
Vertrouwen gerechtvaardigd?
- Rol art. 3:11 BW -> te goeder trouw (mag je het zo opvatten?)
- Diverse omstandigheden -> iemand biedt in een dronken bui zijn huis te koop aan voor €25.000
Iets is te mooi om waard te zijn. Voorbeeld: iemand biedt een nieuwe fiets aan voor €25.
- HR 15 april 1983, NJ 1983/438 (Hajjout/Ijmah)
Discrepantie door geestelijke stoornis
- Discrepantie tussen wil en verklaring door geestelijke stoornis.
- Art. 3:34 BW -> geeft alleen discrepantie aan, maar moet aangevuld worden met art. 3:35 BW (wil en
verklaring komen niet overeen).
- Verband stoornis en verklaring
Rechtshandeling is nadelig voor handelende: weerlegbaar vermoeden dat verklaring onder
invloed van een stoornis is gedaan.
- Indien stoornis en verband vaststaan:
Onweerlegbaar vermoeden dat wil ontbrak.
Voorwaarden aanbod
- Een aanbod is een eenzijdige rechtshandeling
- Vervalt door:
Verwerping art. 6:221 lid 2 BW
Tijdsverloop art. 6:221 lid 1 BW
Herroeping art. 6:219 lid 1 BW
- Te onderscheiden van: uitnodiging om in onderhandeling te treden.
“ik zou jouw laptop wel willen kopen!”
Kan je een aanbod herroepen?
- Art. 6:219 BW -> ja dat kan, tenzij…
Art. 6:219 lid 2 -> als het aanbod niet is aanvaard kan het worden herroepen.
- Onherroepelijk aanbod kan je niet herroepen
Aanvaarding
- Eenzijdige rechtshandeling
- Inhoudelijk overeenstemmen met aanbod
- In beginsel vormvrij -> art. 3:37 lid 1 BW
Werkgroep 1, 11 september
Hoe pak je een casus aan?
, - Een verbintenis geldt in beginsel uitsluitend tussen de schuldeiser en de schuldenaar van die
verbintenis.
Overeenkomst
- Art. 6:217 BW
Aanbod Prestatie 1
Overeenkomst
Aanvaarding Prestatie 2
- Meerzijdige rechtshandeling
- Rechtsgevolg door aaneensluitende rechtshandelingen
- Rechtsgevolg: ontstaan verbintenissen
Gericht
Eenzijdig
Ongericht
Rechtshandeling
Eenzijdig (bv. Schenking)
Meerzijdig
Wederkerig
Samenvatting literatuur week 1
Hoofdstukken vermogensrecht 1.1-1.2/2.1-2.4
Compendium Nederlands vermogensrecht 1-8a/23-25/28-30/32-39/464-471
Goed, zaak, registergoed
- Het vermogensrecht wordt gevormd door de regels die betrekking hebben op de (subjectieve)
vermogensrechten.
- Iedere zaak is een goed, maar niet elk goed is een zaak.
- Registergoederen zijn goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is (3:10 BW). Alle onroerende zaken zijn registergoederen (3:89 BW)
Absolute en relatieve rechten
Relatieve rechten - Voorbeeld: vorderingsrecht.
- Het is een rechtsbetrekking tussen twee bepaalde personen:
schuldeiser en de schuldenaar.
- Heeft A €1000 uitgeleend aan B, dan kan A zijn vorderingsrecht
(tot terugbetaling van €1000) slechts geldend maken jegens B en
niet tegen bijvoorbeeld de oom van B die dit bedrag misschien
wel beter kan missen.
Absolute rechten - Het kan worden gehandhaafd jegens iedereen.
- De eigenaar staat tegenover de rest van de wereld. Dit absolute
karakter heeft twee aspecten: exclusiviteit en ‘gevolg’(droit de
suite).
- Eigendom is een voorbeeld van exclusief recht, de eigenaar
behoeft niet te dulden dat een ander van de zaak gebruikmaakt.
A hoeft geen genoegen te nemen met het feit dat X, Y en Z van
, zijn fiets gebruik maken.
- Eigendom heeft ‘gevolg’. Het eigendomsrecht blijft op de zaak
berusten, ook al raakt zij in andere handen. Als de fiets van A
wordt gestolen door X, blijft de fiets eigendom van A.
- Kenmerkend is zijn werking tegen derden (droit de suite). Het
recht volgt de zaak, ook al valt het in andere handen.
Zakelijke en persoonlijke rechten
- Een zakelijk recht is een recht op een zaak (3:2 BW) -> vb. eigendom (5:1 BW).
- Een persoonlijk recht is een aanspraak jegens een bepaalde persoon -> vb. een vorderingsrecht.
Enerzijds is het is een rechtsbetrekking tussen de rechthebbende en de andere personen, anderzijds
geven vele persoonlijke rechten ook ‘recht op een zaak’.
Individualisering en het eenheidsbeginsel
- Zakelijke rechten zijn onderworpen aan twee beginselen:
Het individualiseringsprincipe
Het eenheidsbeginsel
Het individualiseringsprincipe - Eigendom van uitsluitend naar soort en hoeveelheid
bepaalde zaken is niet mogelijk (art. 3:84 lid 2 BW).
- Als A bij rijwielleverancier B twee fietsen besteld,
verkrijgt A een vorderingsrecht met betrekking tot
twee fietsen, ook zonder dat vaststaat om welke
exemplaren het gaat -> belangrijk verschil met
persoonlijk recht.
Het eenheidsbeginsel - Art 5:3 BW, de eigenaar van een zaak is eigenaar
van alle onderdelen die erbij horen (huis ->
dakpannen, kozijnen, deuren).
- Wat geldt als bestanddeel? -> art. 3:4 BW
I. De verkeersopvatting, indien de
hoofdzaak bij ontbreken van het
bestanddeel als onvoltooid moet worden
beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan
niet geschikt is te beantwoorden aan haar
bestemming’.
II. Een zeer hechte fysieke verbinding
- Is beperkt tot zakelijke rechten. Persoonlijke rechten
met betrekking tot een bestanddeel van een zaak die
aan een ander toebehoort zijn wel mogelijk.
Beperkte rechten
- Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (art. 5:1 BW). De
eigenaar kan bevoegdheden afsplitsen en verlenen aan een ander (art. 3:81 BW) -> ontstaan van een
beperkt recht (art. 3:8 BW).
- Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte
recht is bezwaard (art. 3:8 BW).
- Beperkte rechten vallen uiteen in:
1. Gebruiksrechten, die de beperkt gerechtigde bepaalde bevoegdheden tot gebruik geven
(erfbaarheidsdienst, erfpacht, opstal en vruchtgebruik).
2. Zekerheidsrechten, die ertoe strekken de rechthebbende meer zekerheid te verlenen bij het
verhaal van zijn vorderingsrecht (pandrecht en het recht van hypotheek).
- Een beperkt recht is een absoluut recht en meestal ook een zakelijk recht. Het is alleen geen zakelijk
recht als het is gevestigd op een vermogensrecht.
Prioriteit van het oudste beperkte recht en gelijkwaardigheid van vorderingsrechten
- Wanneer twee beperkte rechten tot een conflict komen, geldt de regel: het oudere beperkte recht gaat
vóór. De eerst beperkt gerechtigde wordt in de uitoefening van zijn recht niet belemmerd door later
gevestigde rechten.
- De hoofdregel van vorderingsrechten is dat een schuldeiser wiens vordering op 5 februari opeisbaar is
geworden op gelijke wijze behandeld wordt als iemand wiens vordering op 5 maart opeisbaar is
geworden (naar evenredigheid van hun vordering). Soms wordt dit doorbroken -> art 3:227 BW.
Vermogensrechten in het faillissement
, - In geval van faillissement wordt het vermogen van de failliet te gelde gemaakt om uit de opbrengst de
gezamenlijke schuldeisers zoveel mogelijk te volden. Drie voorbeelden:
I. A heeft uit geldlening €1000 te vorderen van B. B gaat failliet.
A moet zijn vordering ter verificatie indienen in afwachting van zijn aandeel in de opbrengst
(meestal niets of een gering percentage).
II. A is eigenaar van een fiets die hij in bruikleen heeft gegeven aan B. B gaat failliet.
A is eigenaar gebleven van de fiets, de curator is niet bevoegd de fiets te verkopen.
III. A heeft een recht van vruchtgebruik op een aan B toebehorend huis. B gaat failliet.
A kan zijn vruchtgebruik handhaven, ook tegen degene die het huis van de curator koopt. Dit
komt vanwege het absolute karakter van het beperkte recht (droit de suite), het recht blijft in
stand.
- Wie een roerende zaak kwijtraakt, kan zijn eigendomsrecht soms niet vervolgen onder een derde die de
zaak te goeder trouw verkreeg (art. 3:86 BW).
- Vorderingsrechten zijn gelijkwaardig ongeacht de datum van hun ontstaan, art. 3:298.
- De obligatoire (verbintenisscheppende) overeenkomst vormt bij uitstek het middel waardoor partijen
zelfstandig onderlinge rechtsbetrekkingen kunnen aanknopen.
Aanbod en aanvaarding
- Een verbintenis kan worden omschreven als een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee (of
meer) personen krachtens welke de één (schuldenaar) tot een bepaalde prestatie is verplicht, terwijl de
ander (schuldeiser) tot die prestatie is gerechtigd.
- Soms volgt het bestaan van een verbintenis rechtstreeks uit de wet -> art. 1:392 koppelt familierelaties de
verbintenis tot het verstrekken van levensonderhoud.
- Een andere keer verwijst de wet naar een bron waaruit verbintenissen kunnen voortvloeien -> partijen
scheppen door het sluiten van een obligatoire overeenkomst zelf en naar eigen verkiezing één of meerdere
verbintenissen.
- Dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding, is de normale situatie. In enkele
gevallen komt een overeenkomst tot stand zonder dat kan worden uitgemaakt welke verklaring het aanbod
bevat en welke de aanvaarding. -> een derde doet een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst dat
door beide partijen wordt aanvaard.
- Het aanbod verliest zijn kracht in de volgende gevallen:
Het aanbod wordt verworpen door degene tot wie het is gericht (art. 6:221 lid 2 BW),
Tijdverloop (art. 6:221 lid 1 BW) -> een mondeling aanbod vervalt wanneer het niet onmiddellijk
wordt aanvaard. Een schriftelijk aanbod vervalt als het niet binnen redelijke termijn wordt
aanvaard.
Aanbieder herroept zijn bod (art. 6:219 lid 1 BW)
Twee afwijkende vormen van het aanbod: het vrijblijvend en het onherroepelijk aanbod
- Vrijblijvend bod, hierbij kan ook na aanvaarding van het aanbod worden herroepen op voorwaarde dat
dit onverwijld geschiedt (een aanbod met verzwakte werking; art. 6:219 lid 2 BW).
- Onherroepelijk bod, hierbij kan het gedurende de termijn van onherroepelijkheid niet worden
herroepen, ook al in het aanbod nog niet aanvaard (een aanbod met versterkte werking; art. 6:219 lid
1 BW).
1. Partijen scheppen langs contractuele weg een onherroepelijk aanbod.
2. Uit het aanbod zelf vloeit voort dat het gedurende bepaalde tijd niet kan worden herroepen.
Op welk tijdstip komt de overeenkomst tot stand?
- Bij rechtstreeks mondeling en telefonisch contact zijn er geen problemen. Het moment waarop de
aanvaarding wordt uitgesproken valt hier praktisch samen met het moment waarop de aanbieder de
aanvaarding verneemt.
- Op welk tijdstip komt de overeenkomst tot stand? Daarvoor kijken we naar;
a. Hoe lang kan een aanbod worden herroepen? Art. 6:219 lid 2 BW.
b. Op welk tijdstip komt de overeenkomst tot stand? Art. 3:37 lid 3 BW.
A heeft B een aanbod gedaan inhoudende een voorstel tot verkoop van een Chinese schaal in
email-cloisonné voor €4000.
10 juni – B schrijft een brief waarin hij te kennen geeft A’s aanbod te aanvaarden.
12 juni – B’s brief wordt gepost.
14 juni – B’s brief wordt bezorgd ten huize van A.
16 juni – A leest B’s brief.