Klinische pathologie
Hoofdstuk 6 Farmacologie thema A
Farmacon = geneesmiddel.
Helpt ziekten te voorkomen, op te sporen, te genezen, verzachten of gebrek aan te
vullen.
Farmaca hebben generieke naam, gebaseerd op werkzame stof.
Zwak werkende farmaca hebben weinig ongewenste effecten.
Sterk werkende farmaca hebben ernstige nadelen.
Ongewenste effecten zijn bijwerkingen die optreden bij normale plasmaconcentraties en
intoxicaties die komen door te hoge dosering.
Farmaca kunnen veel verschillende bijwerkingen of reacties veroorzaken, zoals huiduitslag,
allergische reactie (wat kan uitlopen tot anafylactische shock), overdosering, misselijkheid,
verminderde eetlust, diarree en bloedingen (door overdosering aan antistolling).
Vanwege risico aan ongewenste effecten heeft lokale toediening voorkeur, als het
aangrijpingspunt in huid of slijmvlies ligt.
Wanneer aangrijpingspunten dieper liggen of verspreid, is algehele toediening handig.
Daarbij komt farmacon in bloedplasma en wordt zo verdeeld over de weefsels. Meestal is dit
oraal, subcutaan, intramusculair of intraveneus. Pleisters kan ook.