psychologie
Hoofdstuk 1: klinische psychologie en abnormaal
gedrag
Klinische psychologie = gericht op abnormaal gedrag waaronder
mensen lijden en eventueel disfunctioneren, maar kan ook omgeving zijn
die lijdt
Abnormaal gedrag = gedrag dat afwijkt van een bepaalde norm
Afwijkingen zijn lastig voor persoon of omgeving
o Dus geen gunstige afwijkingen zoals verhoogde IQ (tenzij dit
probleem oplevert)
o Factoren van abnormaal gedrag
Persoonlijk leiden
(dis)functionaliteit van het gedrag ; beïnvloed dagelijks
leven
Irrationeel of onbegrijpelijk gedrag ; geen logica
Onvoorspelbaarheid en controleverlies
Opvallend en onconventioneel gedrag
Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen
teweegbrengt
Overtreden van morele normen
Statisch model: menselijke eigenschappen zijn normaal verdeeld en
abnormaliteit is bepaald door extreem lage of hoge score op schalen
waarmee de eigenschap gemeten wordt
Hoge of lage score betekent niet dat er sprake is van lijden…
o Waar ligt de grens voor een lage of hoge score?
Medisch of ziekte model: psychische stoornissen zijn vergelijkbaar met
somatische ziekten en een onderliggend mechanisme verklaart dus de
psychische stoornis
Somatogeen (lichamelijke aandoening ten grondslag) of psychogeen
(psychische)
o Echter is er niet altijd een onderliggend mechanisme bekend
, o Labellingtheorie; stigmatisering ontstaat en selffulfilling
prophecy
Leer- of onderwijsmodel: psychische problemen zijn gevolg van
leerprocessen
Geen duidelijk organische oorzaak, maar verkeerd gelopen
leerprocessen
o Afgrenzingscriterium
Hoofdstuk 2: Neurobiologische benadering
Neurobiologische benadering = verschillende structuren zijn betrokken
bij vormen van psychopathologie
Bv. in je darmen zitten goede bacteriën en die zetten je hersenen
aan tot dopamine, dus wat je eet is belangrijk voor psychische
gezondheid
o Hippocrates legde het verband tussen lichaam en de geest
Niet een enkel gen kan zorgen voor een psychische stoornis, maar
meerdere genen kunnen zorgen voor een bepaalde kwetsbaarheid. Echter
heeft de omgeving ook invloed; genen maken je kwetsbaar en omgeving
kan zorgen voor de uiting.
Diathese (kwetsbaarheid) stress model hoe meer stress, hoe
sneller je een psychische stoornis ontwikkelt
Amygdala speelt een rol bij angst, obsessieve-compulsieve stoornis,
PTSS, borderline en sociale angst stoornissen. Bij depressie is er sprake
van volumeverminderingen in de PFC en basale ganglia.
Soorten therapie
- Emotion-focused therapy = aandacht oefeningen op
lichaamssignalen (bv. expressie en regulatie)
- Electro-convulsietherapie – elektrische schokken op het hoofd;
invloed op dopamine
- Repetitieve transcranciële magnetische stimulatie (rTMS) =
hersendelen worden met magnetische pulsen gestimuleerd
,
, Hoofdstuk 3: Leer theoretische benadering
Acquisitie = nieuw gedrag verwerven
Wet van effect = gedrag dat tot een aangename uitkomst leidt, zal in
frequentie toenemen operante conditionering
Leren = gedragsveranderingen van organisme die het resultaat zijn van
regelmatigheden in de omgeving
Gedragsverandering die het resultaat is van regelmatigheden in
relatie tussen stimuli en gedrag
o Gedrag is gevolg van regelmatigheid in relatie tussen stimuli
Mentale representatie: psychologische in interne datastructuur met
informatie over een stimulus of respons
- Stimulus responsieren (S-R leren) = klassieke conditionering
o Verband tussen VP en VR
- Stimulus stimulisieren (S-S leren) = mentale representatie van
VP wordt niet direct gelinked aan VR
o Onrechtstreeks via activatie van representatie van de OP
Uitkomstdevaluatieprocedure = als verandering in de OP de respons
op VP verandert, dan moet de OP representatie wel betrokken zijn bij
generen van respons
Appetitieve conditionering = conditionering waarbij een aangename
OP wordt gebruikt
Hierdoor kan ‘craving’ verklaart worden
o En rouwprocessen; denken aan herinneringen van partner
o Trage extinctie; dus VP ook lang na overlijden een respons
opwekken
Aversieve conditionering = acquisitie treedt op als een oorspronkelijke
neutrale prikkel (VP) wordt gevolgd door aversieve of onaangename OP
Little Albert experiment; angstreacties verklaren
o Eventueel ook door observationeel leren of leren via instructie