Toets psychologie – – Social Work Deeltijd
Psycho-analyse
Freud introduceerde de psycho-analyse in 1896, met een focus op het onbewuste. Hij ontwikkelde twee modellen om de
menselijke geest te verklaren: het topologische en het structurele model.
Het topologische model verdeelt het bewustzijn in drie niveaus: het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste. Freud
geloofde dat problemen voortkomen uit onderdrukte verlangens en ervaringen in het onbewuste, en dat het verdringen
hiervan het zichtbare gedrag veroorzaakt.
Het structurele model beschrijft de persoonlijkheid samengesteld uit het Id, het Ego en het Superego. Het Id bevat
onbewuste instincten en impulsen, het Superego vertegenwoordigt het moraal en geweten, en het Ego is voortdurend bezig
om een compromis te sluiten tussen het Id en Superego, rekening houdend met de realiteit. Volgens Freud leidt het
onderdrukken van het Id tot ongezond gedrag en stelde dat wanneer men onbewuste impulsen begrijpt en accepteert ze
geen probleem meer zouden zijn. (Zimbardo, Johnson & McCann, 2017, P. 415)
, Praktijkvoorbeeld: op het werk was ik onlangs inbrenger bij intervisie. Mijn inbreng ging over hoe ik grenzen kon aangeven
bij een inwoner, zonder de vertrouwensband te schaden. Door de vragen van de mededeelnemers, die voortkwamen uit
mijn antwoorden werd duidelijk dat ik hier moeite mee heb omdat het een copingmechanisme voor mij is. Als puber was ik
erg onzeker en had ik niet het gevoel dat mensen mij leuk zouden vinden om wie ik was. Hierom stemde ik vaak overal mee
in en deed ik veel voor anderen, in de hoop dat ze me dan leuk zouden vinden. Door de jaren heen ben ik gelukkig een stuk
minder onzeker geworden, maar blijkbaar kan ik nog steeds niet goed mijn grenzen aangeven omdat er toch onbewust nog
angst zit om niet leuk gevonden te worden. Door overal ja op te zeggen en veel voor anderen te doen, maak ik mezelf,
onbewust, onmisbaar en hoop ik op die manier mensen dichtbij me te houden en dat ze me leuk vinden.
Behaviorisme
Rond 1900 werd het behaviorisme bekend, met John B. Watson en later B.F. Skinner als vooraanstaande wetenschappers. Ze
stelden dat objectieve psychologische wetenschap alleen mogelijk is door het bestuderen van waarneembaar gedrag, terwijl
gedachten en emoties als niet relevant werden beschouwd. Behaviorisme was een reactie op theorieën zoals de psycho-
analyse en cognitieve psychologie, die zich richten op het bewustzijn. Volgens het behaviorisme wordt de mens geboren als
een tabula rasa (onbeschreven blad) en wordt gedrag aangeleerd door de omgeving. Pavlov's experiment met honden
toonde aan dat een bepaalde trigger (geluid) een bepaald gedrag (kwijlen) kan oproepen door klassieke conditionering.
Skinner onderzocht operante conditionering, waarbij gedrag wordt gevormd door de gevolgen ervan, met positieve en
negatieve bekrachtiging die cruciaal zijn voor het aanleren of afleren van gedrag.
Praktijkvoorbeeld: op het moment van schrijven doe ik mijn best om een 12 weken oude puppy op te voeden. Een pup die
ongeconditioneerd was toen hij bij ons binnenkwam en nog moet leren welk gedrag gewenst is en wat niet. Door hem te
negeren als hij blaft en te belonen als hij netjes gaat liggen, wordt hij (operant) geconditioneerd om goed gedrag te
vertonen bij een prikkel of juist het wegblijven van een prikkel. Momenteel heb ik hem (meestal) zo ver dat hij naar mij kijkt
op het moment dat ik zijn naam noem. Door de oefening regelmatig te herhalen weet hij dat zijn naam in verband staat met
het krijgen van zijn snoepje. Hij is dus geconditioneerd. Met de kwijlende hond van Pavlov in gedachten heb ik de afgelopen
tijd wat meer aandacht besteed aan de conditionering van mijn pup. Wanneer ik met de zak voer kraak, komt hij aangerend
en doet een ‘vreugdedansje’. Het kraken van de zak is een stimulus die hij heeft gekoppeld aan eten. Net als de hond van
Pavlov blijken ook de speeksel klieren van mijn hond goed ontwikkelt te zijn en gaan ook deze aan het werk zodra de zak
kraakt.
Humanistische psychologie
De humanistische psychologie ontstond als reactie op de psycho-analyse en het behaviorisme. Waar Freud zich richtte op de
ongezonde aspecten van de menselijke geest, onderzocht Maslow vanaf de jaren 50 juist gezonde mensen. Hij geloofde dat
de mens van nature goed is en het goede wil doen, in tegenstelling tot Freud, die vond dat mensen ook destructieve
neigingen hebben.
Maslow stelde dat iedereen de wil heeft om te groeien en te leren. Psychische stoornissen worden in de humanistische
psychologie gezien als het gevolg van de omgeving. Wanneer de omgeving verandert, kan iemand weer kiezen voor het
goede. Maslow ontdekte dat gezonde mensen hun basisbehoeften vervuld hebben, wat leidt tot positieve ontwikkeling. Zijn
piramide van behoeften laat zien dat als een basisbehoefte niet wordt vervuld, dit de hele persoonlijkheid uit balans kan
brengen.
Carl Rogers beschreef de gezonde persoonlijkheid als iemand met een positief en realistisch zelfbeeld, wat hij een volledig
functionerend persoon noemde. Wanneer iemand een positief zelfbeeld heeft en positieve invloeden van anderen
accepteert, is die persoon congruent. Negatieve invloeden zoals pesten of verlies van een dierbare kunnen leiden tot
incongruentie, waardoor het zelfbeeld uit balans raakt (Zimbardo et al., 2017, p. 427). Rogers legde de nadruk op het belang
van onvoorwaardelijke positieve waardering, empathie en echtheid in relaties om congruentie te ontwikkelen.
Praktijkvoorbeeld: dit doet mij denken aan een cliënt die werkloos was en schulden had. Hij had geen geld om te kunnen
eten en maakte zich hierdoor voortdurend zorgen. Dit ging ten koste van zijn slaap. Bij deze cliënt werden de fysiologische
basisbehoeften, zoals eten en slapen, niet vervuld. Dit en zijn schulden hadden effect op zijn gevoel van veiligheid en
zekerheid. Het feit dat hij zich hiervoor schaamde zorgde ervoor dat hij in een sociaal isolement terecht kwam. Het weinige
contact en alle zorgen die hij had maakten dat hij nooit waardering kreeg van anderen of zichzelf. Hij vond namelijk dat hij
alles verkeerd had gedaan. Aangezien deze basisbehoeften al niet werden voldaan, was er geen ruimte voor zelfactualisatie.
Hij wilde zich wel ontwikkelen maar vanwege zijn instabiele situatie was daar geen ruimte voor. Nadat deze cliënt hulp kreeg
op financieel gebied kwam er langzaam weer ruimte om stapsgewijs te voldoen aan alle basisbehoeften.
Cognitieve psychologie
De cognitieve psychologie ontstond in de jaren 50 als reactie op het behaviorisme, dat zich richtte op conditionering en
waarneembaar gedrag. De cognitieve psychologie legt de nadruk op interne mentale processen. In dezelfde tijd zorgde de
opkomst van kunstmatige intelligentie voor meer inzicht in hoe deze processen werken.
De cognitieve psychologie ziet de mens als een informatieverwerker: hij ontvangt, verwerkt, slaat informatie op en haalt het
op wanneer nodig, vergelijkbaar met een computer. Informatie doorloopt drie stadia voordat het in het permanente
geheugen komt: sensorisch geheugen, werkgeheugen en langetermijngeheugen. Ulric Neisser introduceerde in 1967 de
term cognitieve psychologie. Cognitie is het deel van het brein wat gaat over gedachten, kennis en inzichten over een
bepaald onderwerp die iemands gedrag beïnvloeden, zowel positief als negatief (Wijsman & Molendijk, 2021, p. 44).
Onderzoekers zoals Köhler en Tolman toonden door experimenten met chimpansees en ratten aan dat leren niet alleen door
conditionering plaatsvindt, maar dat het brein nieuwe dingen kan aanleren en toepassen in verschillende situaties, ook
Psycho-analyse
Freud introduceerde de psycho-analyse in 1896, met een focus op het onbewuste. Hij ontwikkelde twee modellen om de
menselijke geest te verklaren: het topologische en het structurele model.
Het topologische model verdeelt het bewustzijn in drie niveaus: het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste. Freud
geloofde dat problemen voortkomen uit onderdrukte verlangens en ervaringen in het onbewuste, en dat het verdringen
hiervan het zichtbare gedrag veroorzaakt.
Het structurele model beschrijft de persoonlijkheid samengesteld uit het Id, het Ego en het Superego. Het Id bevat
onbewuste instincten en impulsen, het Superego vertegenwoordigt het moraal en geweten, en het Ego is voortdurend bezig
om een compromis te sluiten tussen het Id en Superego, rekening houdend met de realiteit. Volgens Freud leidt het
onderdrukken van het Id tot ongezond gedrag en stelde dat wanneer men onbewuste impulsen begrijpt en accepteert ze
geen probleem meer zouden zijn. (Zimbardo, Johnson & McCann, 2017, P. 415)
, Praktijkvoorbeeld: op het werk was ik onlangs inbrenger bij intervisie. Mijn inbreng ging over hoe ik grenzen kon aangeven
bij een inwoner, zonder de vertrouwensband te schaden. Door de vragen van de mededeelnemers, die voortkwamen uit
mijn antwoorden werd duidelijk dat ik hier moeite mee heb omdat het een copingmechanisme voor mij is. Als puber was ik
erg onzeker en had ik niet het gevoel dat mensen mij leuk zouden vinden om wie ik was. Hierom stemde ik vaak overal mee
in en deed ik veel voor anderen, in de hoop dat ze me dan leuk zouden vinden. Door de jaren heen ben ik gelukkig een stuk
minder onzeker geworden, maar blijkbaar kan ik nog steeds niet goed mijn grenzen aangeven omdat er toch onbewust nog
angst zit om niet leuk gevonden te worden. Door overal ja op te zeggen en veel voor anderen te doen, maak ik mezelf,
onbewust, onmisbaar en hoop ik op die manier mensen dichtbij me te houden en dat ze me leuk vinden.
Behaviorisme
Rond 1900 werd het behaviorisme bekend, met John B. Watson en later B.F. Skinner als vooraanstaande wetenschappers. Ze
stelden dat objectieve psychologische wetenschap alleen mogelijk is door het bestuderen van waarneembaar gedrag, terwijl
gedachten en emoties als niet relevant werden beschouwd. Behaviorisme was een reactie op theorieën zoals de psycho-
analyse en cognitieve psychologie, die zich richten op het bewustzijn. Volgens het behaviorisme wordt de mens geboren als
een tabula rasa (onbeschreven blad) en wordt gedrag aangeleerd door de omgeving. Pavlov's experiment met honden
toonde aan dat een bepaalde trigger (geluid) een bepaald gedrag (kwijlen) kan oproepen door klassieke conditionering.
Skinner onderzocht operante conditionering, waarbij gedrag wordt gevormd door de gevolgen ervan, met positieve en
negatieve bekrachtiging die cruciaal zijn voor het aanleren of afleren van gedrag.
Praktijkvoorbeeld: op het moment van schrijven doe ik mijn best om een 12 weken oude puppy op te voeden. Een pup die
ongeconditioneerd was toen hij bij ons binnenkwam en nog moet leren welk gedrag gewenst is en wat niet. Door hem te
negeren als hij blaft en te belonen als hij netjes gaat liggen, wordt hij (operant) geconditioneerd om goed gedrag te
vertonen bij een prikkel of juist het wegblijven van een prikkel. Momenteel heb ik hem (meestal) zo ver dat hij naar mij kijkt
op het moment dat ik zijn naam noem. Door de oefening regelmatig te herhalen weet hij dat zijn naam in verband staat met
het krijgen van zijn snoepje. Hij is dus geconditioneerd. Met de kwijlende hond van Pavlov in gedachten heb ik de afgelopen
tijd wat meer aandacht besteed aan de conditionering van mijn pup. Wanneer ik met de zak voer kraak, komt hij aangerend
en doet een ‘vreugdedansje’. Het kraken van de zak is een stimulus die hij heeft gekoppeld aan eten. Net als de hond van
Pavlov blijken ook de speeksel klieren van mijn hond goed ontwikkelt te zijn en gaan ook deze aan het werk zodra de zak
kraakt.
Humanistische psychologie
De humanistische psychologie ontstond als reactie op de psycho-analyse en het behaviorisme. Waar Freud zich richtte op de
ongezonde aspecten van de menselijke geest, onderzocht Maslow vanaf de jaren 50 juist gezonde mensen. Hij geloofde dat
de mens van nature goed is en het goede wil doen, in tegenstelling tot Freud, die vond dat mensen ook destructieve
neigingen hebben.
Maslow stelde dat iedereen de wil heeft om te groeien en te leren. Psychische stoornissen worden in de humanistische
psychologie gezien als het gevolg van de omgeving. Wanneer de omgeving verandert, kan iemand weer kiezen voor het
goede. Maslow ontdekte dat gezonde mensen hun basisbehoeften vervuld hebben, wat leidt tot positieve ontwikkeling. Zijn
piramide van behoeften laat zien dat als een basisbehoefte niet wordt vervuld, dit de hele persoonlijkheid uit balans kan
brengen.
Carl Rogers beschreef de gezonde persoonlijkheid als iemand met een positief en realistisch zelfbeeld, wat hij een volledig
functionerend persoon noemde. Wanneer iemand een positief zelfbeeld heeft en positieve invloeden van anderen
accepteert, is die persoon congruent. Negatieve invloeden zoals pesten of verlies van een dierbare kunnen leiden tot
incongruentie, waardoor het zelfbeeld uit balans raakt (Zimbardo et al., 2017, p. 427). Rogers legde de nadruk op het belang
van onvoorwaardelijke positieve waardering, empathie en echtheid in relaties om congruentie te ontwikkelen.
Praktijkvoorbeeld: dit doet mij denken aan een cliënt die werkloos was en schulden had. Hij had geen geld om te kunnen
eten en maakte zich hierdoor voortdurend zorgen. Dit ging ten koste van zijn slaap. Bij deze cliënt werden de fysiologische
basisbehoeften, zoals eten en slapen, niet vervuld. Dit en zijn schulden hadden effect op zijn gevoel van veiligheid en
zekerheid. Het feit dat hij zich hiervoor schaamde zorgde ervoor dat hij in een sociaal isolement terecht kwam. Het weinige
contact en alle zorgen die hij had maakten dat hij nooit waardering kreeg van anderen of zichzelf. Hij vond namelijk dat hij
alles verkeerd had gedaan. Aangezien deze basisbehoeften al niet werden voldaan, was er geen ruimte voor zelfactualisatie.
Hij wilde zich wel ontwikkelen maar vanwege zijn instabiele situatie was daar geen ruimte voor. Nadat deze cliënt hulp kreeg
op financieel gebied kwam er langzaam weer ruimte om stapsgewijs te voldoen aan alle basisbehoeften.
Cognitieve psychologie
De cognitieve psychologie ontstond in de jaren 50 als reactie op het behaviorisme, dat zich richtte op conditionering en
waarneembaar gedrag. De cognitieve psychologie legt de nadruk op interne mentale processen. In dezelfde tijd zorgde de
opkomst van kunstmatige intelligentie voor meer inzicht in hoe deze processen werken.
De cognitieve psychologie ziet de mens als een informatieverwerker: hij ontvangt, verwerkt, slaat informatie op en haalt het
op wanneer nodig, vergelijkbaar met een computer. Informatie doorloopt drie stadia voordat het in het permanente
geheugen komt: sensorisch geheugen, werkgeheugen en langetermijngeheugen. Ulric Neisser introduceerde in 1967 de
term cognitieve psychologie. Cognitie is het deel van het brein wat gaat over gedachten, kennis en inzichten over een
bepaald onderwerp die iemands gedrag beïnvloeden, zowel positief als negatief (Wijsman & Molendijk, 2021, p. 44).
Onderzoekers zoals Köhler en Tolman toonden door experimenten met chimpansees en ratten aan dat leren niet alleen door
conditionering plaatsvindt, maar dat het brein nieuwe dingen kan aanleren en toepassen in verschillende situaties, ook