Kennisdossier Ethiek 1.3
Studentnummer:
1. De student beschrijft een eigen moreel dilemma in relatie tot het begrip ‘helpen’ en SW. De
student maakt voldoende duidelijk wat hierin het morele aspect is voor haar en verbindt dit met
Kohlberg en/of Gilligan.
In mijn werk in de ouderenzorg maakte ik zo nu en dan een sterfgeval mee. Aangezien ik de
verantwoordelijke diensten draaide, was ik tijdens mijn dienst de aangewezen persoon om
beslissingen te maken. Op deze bewuste avond lag een oudere dame van 97 jaar op sterven. Ze kreeg
al een aantal dagen zuurstof toegediend wegens ernstige benauwdheid. Haar hart gaf het na bijna
honderd jaar hard werken langzaam op. Die middag was de huisarts geweest en had besloten te
beginnen met palliatieve behandeling. Wegens onrust kreeg mevrouw een sedatiemiddel toegediend
waardoor ze in slaap viel. Tegen benauwdheid en eventuele pijn kreeg ze ook morfine. Beide
medicaties moesten op vastgestelde tijden gegeven worden. Omdat deze medicatie onder de opium
wet valt, mag dit niet zomaar op eigen inzicht toegediend worden. Als het vermoeden bestaat dat er
van dit schema afgeweken moet worden, gaat dat altijd in overleg met een arts. Rond 22:00 uur ’s
avonds diende ik mevrouw haar medicatie toe. Aangezien dit via een injectie ging, zou je snel
resultaat moeten zien. Mevrouw was onrustig voor het toedienen, en dit had binnen een minuut of
tien toch wel moeten afnemen. Helaas was dit niet het geval, de onrust nam alleen maar toe. Ik heb
toen de huisartsenpost gebeld. Het is schrijnend om te zien dat iemand haar laatste uur zo benauwd
moet zijn. De assistente van de huisartsenpost vertelde me, na overleg met de arts, dat we het nog
even moesten afwachten en dat we na een kwartier weer moesten bellen mocht de onrust niet
afnemen. Met de minuut zag ik de cliënt achteruit gaan, en ik wist dat het niet lang meer zou duren
voor mevrouw zou overlijden. Ze lag met haar mond open en liep zó vol met vocht dat ik het achter in
haar keel zag borrelen. Niet zo gek dat ze zo onrustig was dus. Hoewel ze slaapmedicatie had
gekregen, lag ze met haar ogen wijd open gesperd en klampten haar handen onrustig aan de dekens.
Na tien minuten belde ik opnieuw naar de huisartsenpost met de mededeling dat de onrust was
toegenomen en dat ik graag wat extra slaapmedicatie wilde toedienen in de hoop de overgang van
het leven naar de dood wat makkelijker voor haar te maken. De arts wilde dit niet toezeggen zonder
mevrouw eerst zelf gezien te hebben. Ze kwamen dus langs. Ik verkeerde in een tweestrijd. Ik wist dat
ik geen extra medicatie mocht toedienen zonder akkoord. Deze medicatie wordt meerdere keren
gecontroleerd en als er dan iets niet blijkt te kloppen, kan ik daardoor in grote problemen komen. Ik
wist ook dat deze mevrouw hoogstwaarschijnlijk niet langer dan een uur zou leven en dat ze het nu
heel zwaar had. Ik vond het niet juist om haar nog meer te laten leiden terwijl dat wellicht helemaal
niet zou hoeven als ik extra rustgevende medicatie zou mogen geven. Terwijl we wachtten op de arts,
haar verkrampte hand in de mijne, mijn andere hand met een koele doek op haar hoofd, opende ze
nog een keer haar ogen en keek me aan. De blik in haar grote ogen zal ik nooit vergeten. Met tranen
in mijn ogen vertelde ik haar dat het goed was en dat ze naar de Heer mocht gaan. Ze zakte terug in
het kussen, en sloot haar ogen. Haar ademhaling vertraagde en bleef uiteindelijk helemaal weg.
Terwijl ik het leven uit haar zag vloeien, deed ik het enige wat ik nog kon doen. Met haar hand nog
steeds in de mijne bad ik het onze Vader en deed een Weesgegroetje. De kamer die eerder gevuld
was met het geluid van een reutelende, zware ademhaling, werd stil. Doodstil. Mevrouw was
overleden. De arts is gekomen, maar medicatie toedienen was niet meer nodig. Ze mocht vaststellen
dat deze mevrouw daadwerkelijk was heen gegaan.
, Heb ik mijn werk correct uitgevoerd? Volgens de regels uit het protocol wel. Volgens de regels van
mijn hart, mijn menselijkheid niet.
Als ik de theorie van Kohlberg naast mijn handelen in deze casus leg, twijfel ik tussen het pre-
conventioneel en het conventioneel niveau. Pre-conventioneel: ‘’Extra medicatie geven mag niet,
anders kom ik in de problemen.’’ Deels handelde ik dus uit eigenbelang. Maar ook werd mijn denken
beïnvloed door de regels en de sociale orde. Conventioneel: ‘’Het is verkeerd om extra medicatie te
geven.’’ Dit is hoe het hoort, ik hoef hier zelf niet over na te denken want dat hebben degenen al
gedaan die de regels hebben opgesteld.
Als ik kijk hoe ik gedacht zou hebben vanuit het post-conventioneel niveau zou dat iets zijn in de
strekking van ‘’ het mag niet, maar als ik erger kan voorkomen mag het wel.’’ Het probleem is alleen
dat ik er niet zeker van ben dat het de onrust daadwerkelijk had verminderd. Ik weet dat de medicatie
rustgevend is maar ik weet ook dat de eerste dosis die ik gaf niet leek te helpen. Zou het dan helpend
zijn geweest om een tweede dosis te geven? Of zou het alleen mijn gemoedsrust geholpen hebben
om dat ik dan kon zeggen dat ik alles heb geprobeerd om haar leiden te vergemakkelijken. Kom je dan
niet weer uit op eigen belang en dus pre-conventioneel denken? En waar ligt dan de grens? Als ik de
extra medicatie had gegeven omdat het in deze situatie minder leiden zou betekenen, waarom doe ik
het dan bij een volgende cliënt niet? Moet ik dan altijd de regels overschrijden omdat ik denk dat ik
erger heb kunnen voorkomen? Wat als al mijn collega’s zo gaan handelen, en iedereen beslissingen
maakt omdat het naar eigen inzicht het juiste is? Dit kan ervoor zorgen dat het rommelig wordt op de
werkvloer. En heb je dan echt erger voorkomen? Misschien wel in het individuele geval, maar werkt
het voor het functioneren van een team juist averechts. Uiteindelijk kom je dan weer terug op het
conventioneel niveau waar je wellicht beter de regels voorop kunt stellen aan de individuele
behoeften van personen. Het behouden van een goed functionerend team, en het waarborgen van
de kwaliteit van zorg vanuit de regels en protocollen staat dan voorop. (IsAwesome, 2016)
2. De student citeert vanuit de actualiteit een filosofische vraag m.b.t sociaal werk en armoede en
beschrijft 2 achterliggende filosofische thematieken.
‘’Kerken zien armoede groeien en geven miljoenen uit aan hulp.’’ (Haanstra, 2023). Is het een taak
van de regering om meer te doen tegen armoedebestrijding, of is het een mooi voorbeeld van een
participatie samenleving?
In het Wijkteam werken we veel samen met vrijwilligersorganisaties en religieuze instellingen. Deze
instellingen en organisaties kunnen we inschakelen voor allerlei klussen en opdrachten. Zo is er een
organisatie die mensen kosteloos helpt met verhuizen of met opruimen als ze zelf niet beschikken
over voldoende financiële middelen. Ook zijn er vrijwilligers die mensen helpen hun financiële zaken
weer op de rit te krijgen. De religieuze instellingen die deze projecten opzetten doen dit vanuit
normen en waarden die ze vanuit het geloof in de praktijk brengen. Hierbij horen onder andere
naastenliefde, het goede doen voor een ander, en een ander behandelen zoals je zelf ook behandeld
zou willen worden. Dit wordt gezien als een opdracht van God, een verantwoordelijkheid die ze van
Hem hebben gekregen. Door wat mensen leren in het geloof creëren ze een bepaalde levensvisie
waaruit ze deze daden als een verplichting zien. Zonder de toewijding van mensen die zich
belangeloos inzetten voor anderen zou er een grotere verantwoordelijkheid liggen bij de gemeente
en overheid. Sommige politieke stromingen zien armoedebestrijding als een taak voor de overheid.
Sociale zekerheid is tenslotte een sociaal grondrecht waar de regering zich voor moet inzetten om dit
voor iedereen zoveel mogelijk te kunnen waarborgen.
Studentnummer:
1. De student beschrijft een eigen moreel dilemma in relatie tot het begrip ‘helpen’ en SW. De
student maakt voldoende duidelijk wat hierin het morele aspect is voor haar en verbindt dit met
Kohlberg en/of Gilligan.
In mijn werk in de ouderenzorg maakte ik zo nu en dan een sterfgeval mee. Aangezien ik de
verantwoordelijke diensten draaide, was ik tijdens mijn dienst de aangewezen persoon om
beslissingen te maken. Op deze bewuste avond lag een oudere dame van 97 jaar op sterven. Ze kreeg
al een aantal dagen zuurstof toegediend wegens ernstige benauwdheid. Haar hart gaf het na bijna
honderd jaar hard werken langzaam op. Die middag was de huisarts geweest en had besloten te
beginnen met palliatieve behandeling. Wegens onrust kreeg mevrouw een sedatiemiddel toegediend
waardoor ze in slaap viel. Tegen benauwdheid en eventuele pijn kreeg ze ook morfine. Beide
medicaties moesten op vastgestelde tijden gegeven worden. Omdat deze medicatie onder de opium
wet valt, mag dit niet zomaar op eigen inzicht toegediend worden. Als het vermoeden bestaat dat er
van dit schema afgeweken moet worden, gaat dat altijd in overleg met een arts. Rond 22:00 uur ’s
avonds diende ik mevrouw haar medicatie toe. Aangezien dit via een injectie ging, zou je snel
resultaat moeten zien. Mevrouw was onrustig voor het toedienen, en dit had binnen een minuut of
tien toch wel moeten afnemen. Helaas was dit niet het geval, de onrust nam alleen maar toe. Ik heb
toen de huisartsenpost gebeld. Het is schrijnend om te zien dat iemand haar laatste uur zo benauwd
moet zijn. De assistente van de huisartsenpost vertelde me, na overleg met de arts, dat we het nog
even moesten afwachten en dat we na een kwartier weer moesten bellen mocht de onrust niet
afnemen. Met de minuut zag ik de cliënt achteruit gaan, en ik wist dat het niet lang meer zou duren
voor mevrouw zou overlijden. Ze lag met haar mond open en liep zó vol met vocht dat ik het achter in
haar keel zag borrelen. Niet zo gek dat ze zo onrustig was dus. Hoewel ze slaapmedicatie had
gekregen, lag ze met haar ogen wijd open gesperd en klampten haar handen onrustig aan de dekens.
Na tien minuten belde ik opnieuw naar de huisartsenpost met de mededeling dat de onrust was
toegenomen en dat ik graag wat extra slaapmedicatie wilde toedienen in de hoop de overgang van
het leven naar de dood wat makkelijker voor haar te maken. De arts wilde dit niet toezeggen zonder
mevrouw eerst zelf gezien te hebben. Ze kwamen dus langs. Ik verkeerde in een tweestrijd. Ik wist dat
ik geen extra medicatie mocht toedienen zonder akkoord. Deze medicatie wordt meerdere keren
gecontroleerd en als er dan iets niet blijkt te kloppen, kan ik daardoor in grote problemen komen. Ik
wist ook dat deze mevrouw hoogstwaarschijnlijk niet langer dan een uur zou leven en dat ze het nu
heel zwaar had. Ik vond het niet juist om haar nog meer te laten leiden terwijl dat wellicht helemaal
niet zou hoeven als ik extra rustgevende medicatie zou mogen geven. Terwijl we wachtten op de arts,
haar verkrampte hand in de mijne, mijn andere hand met een koele doek op haar hoofd, opende ze
nog een keer haar ogen en keek me aan. De blik in haar grote ogen zal ik nooit vergeten. Met tranen
in mijn ogen vertelde ik haar dat het goed was en dat ze naar de Heer mocht gaan. Ze zakte terug in
het kussen, en sloot haar ogen. Haar ademhaling vertraagde en bleef uiteindelijk helemaal weg.
Terwijl ik het leven uit haar zag vloeien, deed ik het enige wat ik nog kon doen. Met haar hand nog
steeds in de mijne bad ik het onze Vader en deed een Weesgegroetje. De kamer die eerder gevuld
was met het geluid van een reutelende, zware ademhaling, werd stil. Doodstil. Mevrouw was
overleden. De arts is gekomen, maar medicatie toedienen was niet meer nodig. Ze mocht vaststellen
dat deze mevrouw daadwerkelijk was heen gegaan.
, Heb ik mijn werk correct uitgevoerd? Volgens de regels uit het protocol wel. Volgens de regels van
mijn hart, mijn menselijkheid niet.
Als ik de theorie van Kohlberg naast mijn handelen in deze casus leg, twijfel ik tussen het pre-
conventioneel en het conventioneel niveau. Pre-conventioneel: ‘’Extra medicatie geven mag niet,
anders kom ik in de problemen.’’ Deels handelde ik dus uit eigenbelang. Maar ook werd mijn denken
beïnvloed door de regels en de sociale orde. Conventioneel: ‘’Het is verkeerd om extra medicatie te
geven.’’ Dit is hoe het hoort, ik hoef hier zelf niet over na te denken want dat hebben degenen al
gedaan die de regels hebben opgesteld.
Als ik kijk hoe ik gedacht zou hebben vanuit het post-conventioneel niveau zou dat iets zijn in de
strekking van ‘’ het mag niet, maar als ik erger kan voorkomen mag het wel.’’ Het probleem is alleen
dat ik er niet zeker van ben dat het de onrust daadwerkelijk had verminderd. Ik weet dat de medicatie
rustgevend is maar ik weet ook dat de eerste dosis die ik gaf niet leek te helpen. Zou het dan helpend
zijn geweest om een tweede dosis te geven? Of zou het alleen mijn gemoedsrust geholpen hebben
om dat ik dan kon zeggen dat ik alles heb geprobeerd om haar leiden te vergemakkelijken. Kom je dan
niet weer uit op eigen belang en dus pre-conventioneel denken? En waar ligt dan de grens? Als ik de
extra medicatie had gegeven omdat het in deze situatie minder leiden zou betekenen, waarom doe ik
het dan bij een volgende cliënt niet? Moet ik dan altijd de regels overschrijden omdat ik denk dat ik
erger heb kunnen voorkomen? Wat als al mijn collega’s zo gaan handelen, en iedereen beslissingen
maakt omdat het naar eigen inzicht het juiste is? Dit kan ervoor zorgen dat het rommelig wordt op de
werkvloer. En heb je dan echt erger voorkomen? Misschien wel in het individuele geval, maar werkt
het voor het functioneren van een team juist averechts. Uiteindelijk kom je dan weer terug op het
conventioneel niveau waar je wellicht beter de regels voorop kunt stellen aan de individuele
behoeften van personen. Het behouden van een goed functionerend team, en het waarborgen van
de kwaliteit van zorg vanuit de regels en protocollen staat dan voorop. (IsAwesome, 2016)
2. De student citeert vanuit de actualiteit een filosofische vraag m.b.t sociaal werk en armoede en
beschrijft 2 achterliggende filosofische thematieken.
‘’Kerken zien armoede groeien en geven miljoenen uit aan hulp.’’ (Haanstra, 2023). Is het een taak
van de regering om meer te doen tegen armoedebestrijding, of is het een mooi voorbeeld van een
participatie samenleving?
In het Wijkteam werken we veel samen met vrijwilligersorganisaties en religieuze instellingen. Deze
instellingen en organisaties kunnen we inschakelen voor allerlei klussen en opdrachten. Zo is er een
organisatie die mensen kosteloos helpt met verhuizen of met opruimen als ze zelf niet beschikken
over voldoende financiële middelen. Ook zijn er vrijwilligers die mensen helpen hun financiële zaken
weer op de rit te krijgen. De religieuze instellingen die deze projecten opzetten doen dit vanuit
normen en waarden die ze vanuit het geloof in de praktijk brengen. Hierbij horen onder andere
naastenliefde, het goede doen voor een ander, en een ander behandelen zoals je zelf ook behandeld
zou willen worden. Dit wordt gezien als een opdracht van God, een verantwoordelijkheid die ze van
Hem hebben gekregen. Door wat mensen leren in het geloof creëren ze een bepaalde levensvisie
waaruit ze deze daden als een verplichting zien. Zonder de toewijding van mensen die zich
belangeloos inzetten voor anderen zou er een grotere verantwoordelijkheid liggen bij de gemeente
en overheid. Sommige politieke stromingen zien armoedebestrijding als een taak voor de overheid.
Sociale zekerheid is tenslotte een sociaal grondrecht waar de regering zich voor moet inzetten om dit
voor iedereen zoveel mogelijk te kunnen waarborgen.