20 oefenvragen om te oefenen met de stof van het vak testtheorie. Onderstaand
formuleblad kan gebruikt worden bij rekenopgaven.
Antwoordsleutel staat op de laatste pagina.
, 1. Zijn non-verbale tests volledig cultuurvrij?
a. Ja, omdat ze alleen visuele stimuli gebruiken.
b. Nee, omdat interpretatie van beelden ook cultureel bepaald kan zijn.
c. Ja, als de instructies correct vertaald zijn.
d. Nee, omdat non-verbale tests altijd taal bevatten.
2. Item-rest correlaties zijn meestal lager voor:
a. Attitudetoetsen dan prestatietoetsen
b. Prestatietoetsen dan gedragswijzetoetsen
c. Gedragswijzetoetsen dan prestatietoetsen
d. Verbale tests dan non-verbale tests
3. Item-test correlatie is:
a. Altijd gelijk aan item-rest correlatie
b. Altijd hoger dan item-rest correlatie
c. Altijd lager dan item-rest correlatie
d. Onverschillig ten opzichte van rest correlatie
4. Is een normscore altijd nodig voor interpretatie van testresultaten?
a. Ja, anders zijn scores niet interpreteerbaar.
b. Nee, bij rangschikking binnen een groep niet noodzakelijk.
c. Ja, bij alle criteriumgerichte tests.
d. Nee, als er een Rasch-model wordt toegepast.
5. Als een ruwe score scheef is verdeeld en je maakt er Z-scores van, blijft de
scheefheid:
a. Onveranderd (scheef blijft scheef)
b. Voorbijgegaan (scheef wordt symmetrisch)
c. Omgekeerd
d. Onvoorspelbaar