Vak: Sociale psychologie 2019/2020
Opleiding: Bachelor Psychologie Tilburg University
Referentie: Aronson, E., & Wilson, T. D. (2017). Sociale psychologie (9de ed.).
Pearson Benelux B.V.
Hoofdstuk 1
Wat is het?
Psychologie wordt beschouwd als de wetenschap van het gedrag en de psychische
processen van het individu. Sociale psychologie is de wetenschap die bestudeert
hoe gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen worden beinvloed door de
echte of denkbeeldige aanwezigheid van anderen. De kern van sociale psychologie
is het fenomeen sociale invloed: we worden allemaal beinvloed door andere mensen.
Sociale psychologie, wetenschap en gezond verstand
Mensen zijn zich vaak niet bewust van de redenen achter hun reacties en gevoelens.
Bij het verklaren van een interessant onderwerp zoeken sociaal psychologen de
meest waarschijnlijke verklaring. Daarvoor is een empirische – op waarneming en/of
onderzoek gebaseerd – en systematische wetenschappelijke methode voor
ontworpen. Dit is een uitdaging, aangezien sociaal psychologen een voorspelling
proberen te doen over hoogontwikkelde wezens in allerlei complexe situaties.
Daarom maken ze eerst een schatting op basis van onderbouwde aannames, d.w.z.
een hypothese opstellen. De sociale psychologie onderscheidt zich vooral doordat ze
zich niet zozeer bezighoudt met sociale situaties in een objectieve betekenis, maar
doordat ze zich in eerste instantie richt op de manier waarop mensen beinvloed
worden door hun interpretatie, of construct, van hun sociale omgeving.
Macht van de situatie
De sociaal psycholoog die mensen ervan probeert te overtuigen dat hun gedrag
grotendeels bepaalt wordt door hun sociale omgeving, heeft het niet gemakkelijk: we
hebben allemaal de neiging om het gedrag van mensen te verklaren in termen van
hun persoonlijkheid. Deze neiging wordt de fundamentele attributiefout genoemd: de
neiging om ons eigen en andermans gedrag volledig toe te schrijven aan
persoonlijkheidstrekken en het effect van de sociale invloed en de acute situatie te
onderschatten. Als we gedrag op deze attributieve manier in termen van
persoonlijkheid verklaren, kan ons dat een onterecht gevoel van veiligheid geven.
Macht van sociale interpretatie
Het behaviorisme hielt geen rekening met cognitie, denken en voelen ging deze
stroming voorbij aan verschijnselen die van vitaal belang zijn voor menselijke sociale
gedragingen. Ze vergaten het belang van de manier waarop mensen hun omgeving
interpreteren. De gestaltpsychologie onderzocht wel hoe mensen de wereld
waarnemen. Je moet je richten op de fenomenologie van de waarnemer, op hoe een
object op hem/haar overkomt, in plaats van de afzonderlijke objectieve elementen
van het object. Sociaal psychologen concentreren zich op het belang waarop
mensen hun omgeving construeren.
,De oorsprong van constructen
De meeste mensen hebben een sterke behoefte aan een positief zelfbeeld: goed,
competent en beschaafd. Menselijke wezens zijn gemotiveerd om een positief
zelfbeeld in stand te houden, deels door hun gedrag te rechtvaardigen, en dat dit hen
er onder bepaalde te specificeren omstandigheden toe brengt dingen te doen die in
eerste instantie verassend of paradoxaal lijken.
Veel sociaal psychologen specialiseren zich in de studie van sociaal cognitie: hoe
mensen informatie selecteren, interpreteren, onthouden en gebruiken om te oordelen
en te beslissen. Deze onderzoekers nemen als uitgangspunt dat alle mensen de
wereld zo accuraat mogelijk proberen waar te nemen en beschouwen menselijke
wezens als amateur-detectives die hun best doen om hun sociale wereld te begrijpen
en te voorspellen.
Hoofdstuk 2
Empirische wetenschap
Achteraf gezien kunnen resultaten nogal voorspelbaar lijken als we menselijk gedrag
voorpellen. Deze zeer algemene neiging wordt hindsight bias genoemd: de neiging
van mensen om hun vermogen om een uitkomst te voorspellen te overschatten,
nadat ze te weten gekomen zijn hoe die uitkomst eruitziet.
Sociale beïnvloeding kan wetenschappelijk bestudeerd worden. Zo’n onderzoek
begint met een hypothese over de effecten van sociale beïnvloeding. Een hypothese
is vaak voortgekomen uit eerdere theorieën en onderzoeken en een groot deel van
de overige hypothesen is gebaseerd op observaties uit het leven van alledag.
Er zijn 3 types onderzoeksmethoden
- observationele methode (beschrijven; wat is de aarde van het fenomeen?)
- correlationele methode (voorspellen; als we x kennen, kunnen we dan y
voorspellen?)
- experimentele methode (causaliteit; is variabele x de oorzaak van variabele y?)
Observationele methode
Deze methode is een techniek waarbij een onderzoeker mensen observeert en
zijn/haar metingen of indrukken over hun gedrag systematisch vastlegt. Het
onderzoek is bedoeld om een beschrijving te geven van een bepaalde groep mensen
of een bepaald type gedrag. Een voorbeeld van observationeel leren is de etnografie,
de methode waarbij een onderzoeker probeert een groep of cultuur te begrijpen door
die van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en waarden op
te leggen. Om te weten of een observator wel zorgvuldig te werk gaat moet er sprake
zijn van interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: de mate van overeenkomst tussen de
resultaten van twee of meer mensen die onafhankelijk van elkaar een aantal data
observeren en coderen. Onderzoekers kunnen ook de verzamelde documenten of
archieven van een cultuur onderzoeken: analyse van archieven. De observationele
methode heeft beperkingen in het voorspellen en uitleggen van gedrag, daar zijn
andere methoden geschikter voor.
Correlationele methode
Deze methode is een techniek waarbij twee of meer variabelen systematisch worden
gemeten en waarmee wordt vastgesteld wat de relatie is tussen die variabelen. Dit
,doen ze door de correlatiecoëfficiënt te berekenen. Deze methode wordt vaak
gebruikt in vragenlijstonderzoek (surveys): onderzoeken waarbij een representatieve
steekproef van (anonieme) mensen vragen gesteld worden over hun attitudes of
gedrag. Onderzoekers selecteren een steekproef die op een aantal voor de
onderzoeksvraag belangrijke kenmerken representatief is voor de gehele populatie.
Met een aselecte steekproef heeft iedereen evenveel kans om geselecteerd te
worden en is de steekproef ook representatief voor de hele populatie. Hier kunnen
we van uitgaan zolang de steekproef willekeurig (at random) geselecteerd is. Een
probleem bij surveys is de nauwkeurigheid van antwoorden, omdat mensen
simpelweg de antwoorden niet weten, ook al denken ze van wel. Dat er een
correlatie is, betekent nog niet dat er een causaal verband is.
De experimentele methode
De enige manier om een causale relatie vast te stellen is via de
(quasi-)experimentele methode. Dit is een methode waarbij de onderzoeker
proefpersonen willekeurig aan verschillende condities toewijst en ervoor zorgt dat
deze condities identiek zijn met uitzondering van de onafhankelijke variabele (de
variabele waarvan men denkt dat hij een causaal effect heeft op de antwoorden of
reacties van de mensen). Studies die meerdere meetmomenten over een langere tijd
gebruiken (longitudinale studies), kunnen helpen bij het bepalen van causaliteit.
De onafhankelijke variabele is de variabele die een onderzoeker varieert om te zien
of dat effect heeft op een andere variabele. De interne validiteit is de mate die
aangeeft dat de onafhankelijke variabele, van invloed is op de afhankelijke variabele;
dat bereiken we door alle irrelevante variabelen te beheersen en door mensen
willekeurig toe te wijzen aan verschillende experimentele condities. Door willekeurige
toewijzing aan een conditie wordt ervoor gezorgd dat alle deelnemers een gelijke
kans hebben om in een bepaalde conditie van een experiment terecht te komen.
Door willekeurige toewijzing kunnen onderzoekers er relatief zeker van zijn dat
verschillen in de persoonlijkheid of achtergrond van de deelnemers gelijk verdeeld
zijn over de condities. In quasi-experimenteel onderzoek worden proefpersonen niet
random toegewezen aan een conditie. De overschrijdingskans (p-waarde) is een met
statistische technieken berekend getal dat vertelt hoe waarschijnlijk het is dat de
resultaten van een experiment bij toeval zijn ontstaan, en niet als gevolg van de
onafhankelijke variabele. Resultaten mogen significant genoemd worden als de
waarschijnlijkheidswaarde, de kans dat de resultaten het gevolg zijn van
toevalsfactoren i.p.v. de onderzochte onafhankelijke variabele, minder dan 5 procent
is.
De situatie in experimenteel onderzoek kan nog erg losstaan van de werkelijkheid.
Dit heeft te maken met de externe validiteit, de mate waarin de resultaten van het
onderzoek gegeneraliseerd kunnen worden naar andere situaties en andere mensen.
Psychologen streven daarom naar psychologisch realisme: de mate waarin de
psychologische processen die worden getriggerd in een experiment lijken op
psychologische processen in het dagelijks leven (alledaags realisme) te
maximaliseren. Psychologisch realisme wordt vergoot als mensen zich betrokken
voelen bij een realistische gebeurtenis. Om dit te bereiken vertellen onderzoekers
vaak een coverstory: een verkapte versie van het werkelijke doel van het onderzoek.
Een van de beste manieren om de externe validiteit te verhogen is het uitvoeren van
, veldexperimenten. In een veldexperiment bestuderen onderzoekers het gedrag
buiten het laboratorium, in een natuurlijke setting.
Er moet bijna altijd een compromis gesloten worden tussen externe en de interne
validiteit, d.w.z.: tussen het zodanig beheersen van de situatie dat irrelevante
variabelen geen invloed hebben op de resultaten en proefpersonen willekeurig
worden toegewezen aan condities, en ervoor zorgen dat de resultaten
gegeneraliseerd kunnen worden naar het dagelijks leven dit wordt ook wel het
basisdilemma van de sociaal psycholoog genoemd. Replicaties zijn de ultieme test
voor de externe validiteit van een experiment. Door herhaling van een onderzoek met
proefpersonen uit een andere populatie of een andere setting kan uitsluitend de
generaliseerbaarheid vastgesteld worden. Als er echter veel studies naar een
bepaald probleem worden gedaan, kunnen de resultaten variëren. Door de
statistische techniek meta-analyse kan je het gemiddelde van de resultaten van twee
of meer onderzoeken berekenen om te zien of het effect van een onafhankelijke
variabele betrouwbaar is.
Het doel van fundamenteel onderzoek is het vinden van het beste antwoord op de
vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen, puur uit intellectuele
nieuwsgierigheid en zonder stil te staan bij mogelijke toepassingen van deze kennis.
Toegepast onderzoek is daarentegen gericht op het oplossen van een specifiek
maatschappelijk probleem.
Nieuwe ontwikkelingen
Voor het onderzoek naar de effecten van culturele factoren op sociaalpsychologische
processen wordt crosscultureel onderzoek verricht. Bij crosscultureel onderzoek zijn
proefpersonen afkomstig uit verschillende culturen, om te zien of de psychologische
processen waarin men geïnteresseerd is in beide culturen aanwezig zijn, of dat ze
specifiek zijn voor de cultuur waarin mensen zijn opgevoed.
Een veelgebruikte manier om sociaal gedrag te verklaren was en is nog steeds de
evolutietheorie van Charles Darwin.
Ethiek
Proefpersonen horen zich goed bewust te zijn van het onderzoek waarin ze
participeren. Door vooraf geïnformeerde toestemming van hun proefpersonen te
krijgen zouden veel ethische dilemma’s opgelost kunnen worden. Maar soms is het
nodig dat een deelnemer in scene gezette gebeurtenissen ervaart als realiteit in een
zogeheten misleidend experiment. Misleiding houdt in dat proefpersonen met opzet
verkeerd geïnformeerd worden over het werkelijke doel van een onderzoek of de
gebeurtenissen die zullen plaatsvinden. Als er gebruik gemaakt wordt van misleiding
is een postexperimenteel interview, debriefing, essentieel en verplicht. Hierbij krijgen
proefpersonen na afloop van het experiment te horen wat het werkelijke doel van het
onderzoek was en wat er precies is gebeurd.
Hoofdstuk 3
De sociale denker
Mensen zijn bijzonder goed in sociale cognitie: die verwijst naar de manieren waarop
mensen over zichzelf en de sociale wereld denken hoe mensen sociale informatie