Medische Vakken periode 6
06-00
Na deze periode is de student in staat om:
- anatomie, fysiologie en pathologie van het hart te benoemen.
- de student is zich bewust dat het kunnen redeneren met parate anatomische kennis
onontbeerlijk is om nieuwe anatomische afbeeldingen en afbeeldingen binnen de
vakgebieden van de MBRT, te kunnen begrijpen.
- betreffende het onderdeel coronaire syndromen, de etiologie, verschijnselen,
diagnostiek, therapie en prognose benoemen.
- de anatomie en fysiologie van bloed en bloedbestanddelen benoemen.
- beschrijven van het bloedonderzoek en aangeven wat het belang is van
bloedonderzoek in het diagnostische proces.
- betreffende de belangrijkste bloedziekten, de etiologie, verschijnselen, diagnostiek,
therapie en prognose benoemen.
- de anatomie en fysiologie van de verschillende bloedvaten beschrijven.
- de belangrijkste arteriën en de aftakkingen te noemen en aan te wijzen op een
afbeelding.
- detreffende de ziektebeelden, claudicatio intermittens, DVT, varicose en aneurysma,
de etiologie, verschijnselen, diagnostiek, therapie en prognose benoemen.
- vloeistofmechanica: Aan te geven (hoe) welke processen de stroming van bloed in
vaten beïnvloeden
- hartfalen: De complexiteit van het ziektebeeld weergeven door gebruik te maken van
kennis over het onderwerp, maar ook de link te kunnen leggen naar verschijnselen op
afbeeldingen.
06-001 Zelfstudie: anatomie en fysiologie hart
1. Beschrijf de ligging van het hart ten opzicht van de aangrenzende organen
Het hart (cor) is gelegen in het mediastinum, de ruimte tussen beide longen in.
Het hart ligt craniaal ten opzichte van de lever (hepar).
De hartpunt (apex) wijst naar links in, bij benadering, de 5e intercostaalruimte.
2. Beschrijf de bouw van het hart
Om het hart bevindt zich het hartzakje (pericard).
Van buiten naar binnen kennen we de volgende lagen: pericard, myocard (spierlaag)
en endocard.
Het hart is verder opgebouwd uit een linker en rechter boezem (atrium) en een linker
en rechter kamer (ventrikel).
De beide helften zijn gescheiden door een laag spierweefsel dat ‘septum’ wordt
genoemd.
De wanden van de ventrikels bestaan uit spierweefsel, waarbij de wand van het linker
ventrikel aanzienlijk dikker is dan de wand van het rechter ventrikel omdat het linker
ventrikel het bloed door het hele lichaam moet pompen terwijl het rechter ventrikel
het bloed ‘alleen maar’ naar de longen moet pompen.
, Medische Vakken periode 6
3. Benoem de grote vaten, die bloed naar en van het hart transporteren
o De bovenste en onderste holle ader (vena cava superior en vena cava inferior)
transporteren zuurstofarm bloed vanuit het lichaam naar het rechter atrium
o Vanuit de rechter kamer wordt het zuurstofarme bloed, via de truncus
pulmonalis, de longslagader (a. pulmonalis sinistra en a. pulmonalis dextra)
ingepompt
o Vena pulmonalis brengen zuurstofrijk bloed vanuit de longen naar het linker
atrium
o Vanuit het linker ventrikel (kamer) gaat zuurstofrijk bloed (via de aorta
ascendens, aortaboog (arcus aorae) en aorta descendens) naar het rest van
het lichaam. Vanuit de aortaboog ontspringen:
De a. brachicephalicus (die splits in de a. subclavia dextra en a. carotis
communis dextra)
De a. carotis communis sinistra
De a. subclavia sinistra
4. Beschrijf het verloop en stroomgebied van de coronairvaten
De kransslagader (coronairvaten, aa. coronariae) zorgen voor de doorbloeding van
het hart zelf en ontspringen direct aan het begin van de aorta vanuit de aortaklep. De
doorbloeding van het hart vindt voornamelijk plaats tijdens de diastole, omdat
tijdens de systole teveel spierspanning op de ventrikels staat. Drie coronairvaten
kunnen worden onderscheiden:
1. Rechter coronair, voorziet het rechter atrium en rechter ventrikel van bloed,
maar ook de sinusknoop (en soms de AV knoop in de anatomie)
2. Linker coronair, voorziet het linker atrium en linker ventrikel van bloed, het
septum en apex
3. Rondlopende coronair, gelegen op de grens tussen linker atrium en linker
ventrikel voorziet zij- en achterkant van het hart van bloed
5. Noem de hartkleppen: de namen, de bouw en de ligging
o Atrium-ventriculaire kleppen (AV-kleppen): via peesjes (chordae tendiciae)
verbonden aan papillairspieren die de kleppen open kunnen trekken
Tricuspidaalklep: tussen rechter atrium en rechter ventrikel (3-slippige
hartklep)
Mtralisklep: tussen linker atrium en linker ventrikel
o Halve maan-vormige kleppen (semilunaire kleppen)
Aortklep: tussen lonker ventrikel en aorta (ascendens)
Pulmonalisklep: tussen rechter ventrikel en truncus pulmonalis (aa.
pulmonalis)
, Medische Vakken periode 6
6. Maak een schematische tekening van het hart en neem deze op in je anatomische
atlas. Neem in de tekening ook op: de grote vaten zoals beschreven bij vraag 3, het
verloop en het stroomgebied van de coronairvaten en de hartkleppen
7. Beschrijf het prikkelgeleidingssysteem van het hart
Het prikkelgeleidingssysteem van het hart bestaat uit verschillende onderdelen, die
hieronder in volgorde besproken worden:
o Sinusknoop (SA) – gelegen in de top van het rechter atrium, genereert
elektrische pulsen als een ‘natuurlijke pacemaker’. De SA knoop heeft een
hoge ontladingsfrequentie (relatief veel pulsen) waarmee de SA knoop het
tempo bepaalt. Vanuit de sinusknoop gaat een stroom lopen over beide atria,
die vervolgens samentrekken.
o De puls vanuit de SA knoop richting de ventrikels wordt opgevangen door de
antrioventriculaire knoop (AV knoop), gelegen op de annulus fibrosis. Omdat
de annulus fibrosis een bindweefselplaat is en de elektrische pulsen minder
goed geleid, heeft de AV knoop een vertragende functie.
o Vanuit de AV knoop loopt de Bundel van His door een gat in de annulus
fibrosis (bundeltakken gelegen in het septum), die zich splitst in een linker en
rechter bundeltak die respectievelijk het linker en rechter ventrikel van
‘stroom voorzien’.
o De linker en rechter bundeltak ‘waaieren uit’ in Purkinjevezels die richting de
ventrikels gaan en daar voor een contractie zorgen
, Medische Vakken periode 6
8. Beschrijf het prikkeltransport over de hartspiercellen
De elektrische puls vanuit de SA knoop zorgt in hartspiercellen voor de opening van
spanningsafhankelijke membraaneiwitten die ionenstromen veroorzaken.
De influx van Calcium2+ -ionen in de hartspiercellen zorgt er uiteindelijk voor dat
twee eiwitten, actine en myosine, in elkaar schuiven waardoor de spier korter wordt,
oftewel contraheert (samentrekt).
Tussen hartspiercellen zitten zogenaamde ‘gap junctions’, waardoor de stroom vanuit
het prikkelgeleidingssysteem snel van hartspiercel tot hartspiercel over kan springen.
9. Beschrijf op fysiologisch niveau, hoe een contractie van hartspiercellen tot stand
komt
Zie antwoord bij 8
10. Beschrijf, wat er gebeurt tijdens de systole
De systole bestaat uit twee componenten:
1. Isovolumetrische contractie fase. Iso-volumetrisch betekent ‘gelijkblijvend in
volume’. Tijdens deze fase contraheert het ventrikel waardoor de
intraventriculaire druk (druk in de ventrikels) wordt opgebouwd. Als deze druk
hoger is dan in de atria, sluiten de AV kleppen.
2. De ventrikels blijven steeds verder samentrekken waardoor de
intraventriculaire druk verder wordt opgebouwd. Als de druk in de ventrikels
hoger is dan in de truncus pulmonalis en de aorta, openen de semilunair
kleppen (aortaklep en pulmonalisklep) en wordt het bloed richting aorta en
truncus pulmonalis gepompt, de ejectie fase.
Als de druk in de ventrikels afneemt doordat bloed eruit gepompt is, start de
voorbereiding op een nieuwe hartcyclus met de isovolumetrische relaxatie.
De semilunair kleppen sluiten en de artriale diastole (rustfase) start, waardoor de
atria weer gevuld worden met bloed.
06-00
Na deze periode is de student in staat om:
- anatomie, fysiologie en pathologie van het hart te benoemen.
- de student is zich bewust dat het kunnen redeneren met parate anatomische kennis
onontbeerlijk is om nieuwe anatomische afbeeldingen en afbeeldingen binnen de
vakgebieden van de MBRT, te kunnen begrijpen.
- betreffende het onderdeel coronaire syndromen, de etiologie, verschijnselen,
diagnostiek, therapie en prognose benoemen.
- de anatomie en fysiologie van bloed en bloedbestanddelen benoemen.
- beschrijven van het bloedonderzoek en aangeven wat het belang is van
bloedonderzoek in het diagnostische proces.
- betreffende de belangrijkste bloedziekten, de etiologie, verschijnselen, diagnostiek,
therapie en prognose benoemen.
- de anatomie en fysiologie van de verschillende bloedvaten beschrijven.
- de belangrijkste arteriën en de aftakkingen te noemen en aan te wijzen op een
afbeelding.
- detreffende de ziektebeelden, claudicatio intermittens, DVT, varicose en aneurysma,
de etiologie, verschijnselen, diagnostiek, therapie en prognose benoemen.
- vloeistofmechanica: Aan te geven (hoe) welke processen de stroming van bloed in
vaten beïnvloeden
- hartfalen: De complexiteit van het ziektebeeld weergeven door gebruik te maken van
kennis over het onderwerp, maar ook de link te kunnen leggen naar verschijnselen op
afbeeldingen.
06-001 Zelfstudie: anatomie en fysiologie hart
1. Beschrijf de ligging van het hart ten opzicht van de aangrenzende organen
Het hart (cor) is gelegen in het mediastinum, de ruimte tussen beide longen in.
Het hart ligt craniaal ten opzichte van de lever (hepar).
De hartpunt (apex) wijst naar links in, bij benadering, de 5e intercostaalruimte.
2. Beschrijf de bouw van het hart
Om het hart bevindt zich het hartzakje (pericard).
Van buiten naar binnen kennen we de volgende lagen: pericard, myocard (spierlaag)
en endocard.
Het hart is verder opgebouwd uit een linker en rechter boezem (atrium) en een linker
en rechter kamer (ventrikel).
De beide helften zijn gescheiden door een laag spierweefsel dat ‘septum’ wordt
genoemd.
De wanden van de ventrikels bestaan uit spierweefsel, waarbij de wand van het linker
ventrikel aanzienlijk dikker is dan de wand van het rechter ventrikel omdat het linker
ventrikel het bloed door het hele lichaam moet pompen terwijl het rechter ventrikel
het bloed ‘alleen maar’ naar de longen moet pompen.
, Medische Vakken periode 6
3. Benoem de grote vaten, die bloed naar en van het hart transporteren
o De bovenste en onderste holle ader (vena cava superior en vena cava inferior)
transporteren zuurstofarm bloed vanuit het lichaam naar het rechter atrium
o Vanuit de rechter kamer wordt het zuurstofarme bloed, via de truncus
pulmonalis, de longslagader (a. pulmonalis sinistra en a. pulmonalis dextra)
ingepompt
o Vena pulmonalis brengen zuurstofrijk bloed vanuit de longen naar het linker
atrium
o Vanuit het linker ventrikel (kamer) gaat zuurstofrijk bloed (via de aorta
ascendens, aortaboog (arcus aorae) en aorta descendens) naar het rest van
het lichaam. Vanuit de aortaboog ontspringen:
De a. brachicephalicus (die splits in de a. subclavia dextra en a. carotis
communis dextra)
De a. carotis communis sinistra
De a. subclavia sinistra
4. Beschrijf het verloop en stroomgebied van de coronairvaten
De kransslagader (coronairvaten, aa. coronariae) zorgen voor de doorbloeding van
het hart zelf en ontspringen direct aan het begin van de aorta vanuit de aortaklep. De
doorbloeding van het hart vindt voornamelijk plaats tijdens de diastole, omdat
tijdens de systole teveel spierspanning op de ventrikels staat. Drie coronairvaten
kunnen worden onderscheiden:
1. Rechter coronair, voorziet het rechter atrium en rechter ventrikel van bloed,
maar ook de sinusknoop (en soms de AV knoop in de anatomie)
2. Linker coronair, voorziet het linker atrium en linker ventrikel van bloed, het
septum en apex
3. Rondlopende coronair, gelegen op de grens tussen linker atrium en linker
ventrikel voorziet zij- en achterkant van het hart van bloed
5. Noem de hartkleppen: de namen, de bouw en de ligging
o Atrium-ventriculaire kleppen (AV-kleppen): via peesjes (chordae tendiciae)
verbonden aan papillairspieren die de kleppen open kunnen trekken
Tricuspidaalklep: tussen rechter atrium en rechter ventrikel (3-slippige
hartklep)
Mtralisklep: tussen linker atrium en linker ventrikel
o Halve maan-vormige kleppen (semilunaire kleppen)
Aortklep: tussen lonker ventrikel en aorta (ascendens)
Pulmonalisklep: tussen rechter ventrikel en truncus pulmonalis (aa.
pulmonalis)
, Medische Vakken periode 6
6. Maak een schematische tekening van het hart en neem deze op in je anatomische
atlas. Neem in de tekening ook op: de grote vaten zoals beschreven bij vraag 3, het
verloop en het stroomgebied van de coronairvaten en de hartkleppen
7. Beschrijf het prikkelgeleidingssysteem van het hart
Het prikkelgeleidingssysteem van het hart bestaat uit verschillende onderdelen, die
hieronder in volgorde besproken worden:
o Sinusknoop (SA) – gelegen in de top van het rechter atrium, genereert
elektrische pulsen als een ‘natuurlijke pacemaker’. De SA knoop heeft een
hoge ontladingsfrequentie (relatief veel pulsen) waarmee de SA knoop het
tempo bepaalt. Vanuit de sinusknoop gaat een stroom lopen over beide atria,
die vervolgens samentrekken.
o De puls vanuit de SA knoop richting de ventrikels wordt opgevangen door de
antrioventriculaire knoop (AV knoop), gelegen op de annulus fibrosis. Omdat
de annulus fibrosis een bindweefselplaat is en de elektrische pulsen minder
goed geleid, heeft de AV knoop een vertragende functie.
o Vanuit de AV knoop loopt de Bundel van His door een gat in de annulus
fibrosis (bundeltakken gelegen in het septum), die zich splitst in een linker en
rechter bundeltak die respectievelijk het linker en rechter ventrikel van
‘stroom voorzien’.
o De linker en rechter bundeltak ‘waaieren uit’ in Purkinjevezels die richting de
ventrikels gaan en daar voor een contractie zorgen
, Medische Vakken periode 6
8. Beschrijf het prikkeltransport over de hartspiercellen
De elektrische puls vanuit de SA knoop zorgt in hartspiercellen voor de opening van
spanningsafhankelijke membraaneiwitten die ionenstromen veroorzaken.
De influx van Calcium2+ -ionen in de hartspiercellen zorgt er uiteindelijk voor dat
twee eiwitten, actine en myosine, in elkaar schuiven waardoor de spier korter wordt,
oftewel contraheert (samentrekt).
Tussen hartspiercellen zitten zogenaamde ‘gap junctions’, waardoor de stroom vanuit
het prikkelgeleidingssysteem snel van hartspiercel tot hartspiercel over kan springen.
9. Beschrijf op fysiologisch niveau, hoe een contractie van hartspiercellen tot stand
komt
Zie antwoord bij 8
10. Beschrijf, wat er gebeurt tijdens de systole
De systole bestaat uit twee componenten:
1. Isovolumetrische contractie fase. Iso-volumetrisch betekent ‘gelijkblijvend in
volume’. Tijdens deze fase contraheert het ventrikel waardoor de
intraventriculaire druk (druk in de ventrikels) wordt opgebouwd. Als deze druk
hoger is dan in de atria, sluiten de AV kleppen.
2. De ventrikels blijven steeds verder samentrekken waardoor de
intraventriculaire druk verder wordt opgebouwd. Als de druk in de ventrikels
hoger is dan in de truncus pulmonalis en de aorta, openen de semilunair
kleppen (aortaklep en pulmonalisklep) en wordt het bloed richting aorta en
truncus pulmonalis gepompt, de ejectie fase.
Als de druk in de ventrikels afneemt doordat bloed eruit gepompt is, start de
voorbereiding op een nieuwe hartcyclus met de isovolumetrische relaxatie.
De semilunair kleppen sluiten en de artriale diastole (rustfase) start, waardoor de
atria weer gevuld worden met bloed.