Opgave 1a
Uit de casus volgt geen onzakelijkheid van de lening. Ook wijst niets op herkwalificatie van de lening. Er
kan dus worden aangenomen dat de lening die BV M heeft verstrekt aan BV D zakelijk is. De rente die BV
D heeft betaald is aftrekbaar, bij BV M is de rente belast.
Op grond van art. 13d Wet VPB kan BV M het liquidatieverlies BV M in aftrek brengen. Volgens lid 2 van
dit artikel is het liquidatieverlies het bedrag waarmee het opgeofferde bedrag de liquidatie-uitkeringen
overtreft. In casu wordt dat berekend door de liquidatie-uitkering af te trekken van het gestort
aandelenkapitaal: € 5.000.000 – € 100.000 = € 4.900.000.
Opgave 1b
Nu is de lening van BV M aan BV D onzakelijk. Onzakelijk houdt in dat er sprake is van een zodanig
debiteurenrisico dat er geen derde te vinden is die tegen een niet-winstafhankelijke rente een dergelijke
lening zou verstrekken. De rente is nog steeds aftrekbaar bij BV D en belast bij BV M. De hoogte van de
rente die aftrekbaar/belast is, is nu wel anders dan bij opgave 1a. Hiervoor moet er gekeken worden
naar de borgstellingsanalogie de zakelijke rente die BV M betaalt aan een derde. Uit de casus volgt
dat BV M tegen 5% rente leent van de bank. Dit betekent dat 5% rente aftrekbaar is bij BV D en 5% rente
belast is bij BV M. Het verschil van 2% (7% - 5%) vormt een voordeel van de dochter aan de moeder
verkapt dividend. Dividenduitkeringen zijn op het niveau van de uitkeerder (BV D) niet aftrekbaar. Bij de
moeder valt deze uitkering onder de deelnemingsvrijstelling, ervan uitgaande dat er geen uitzondering
van toepassing is.
Bij een onzakelijke lening is het zo dat een eventueel afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is bij de BV M.
Hier geldt één uitzondering op: faillissement. In dat geval mag het opgeofferde bedrag worden verhoogd
met het bedrag van die onzakelijke lening (BNB 2012/38 en BNB 2014/98). Nu BV D wordt geliquideerd
is art. 13d Wet VPB van toepassing en mag het liquidatieverlies worden afgetrokken. Het opgeofferde
bedrag: € 5.000.000 + € 3.000.000 = € 8.000.000.
Liquidatie-uitkering (art. 13d lid 2 sub a Wet VPB): € 510.000 x (2/7) = € 145.700. Dit bedrag is als
dividend aan te merken en dient bij de liquidatie-uitkering te worden opgeteld. Totale liquidatie-
uitkering is dus: € 100.000 + € 145.700 = € 245.700.
Liquidatieverlies: opgeofferd bedrag – liquidatie-uitkering = € 8.000.000 – € 245.700 = € 7.754.300.
Opgave 1c
Nu er sprake is van een bodemloze putlening moet deze op grond van BNB 1988/217 (Unilever-arrest)
worden geherkwalificeerd tot eigen vermogen. Dit heeft tot gevolg dat de gehele 7% wordt aangemerkt
als dividenduitkering, omdat de beloning voor eigen vermogen dividend is. Er is dus geen aftrekbare
rente is. Ook is er geen belastbare rente voor BV M, omdat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.
Het opgeofferde bedrag is hetzelfde als bij opgave 1b (€ 8.000.000). De liquidatie-uitkering bestaat uit
€ 100.000 + € 510.000 = € 610.000.
Liquidatieverlies: opgeofferd bedrag – liquidatie-uitkering = € 8.000.000 – € 610.000 = € 7.390.000. Dit is
het bedrag dat BV M kan aftrekken in het jaar van liquidatie.