LEERDOEL 1 T/M 13:
Staat beschreven in het document: ‘Medische Biologie – Tentamen’
LEERDOEL 14 (BS3/COVA):
Kan uitleggen wat aandachtspunten zijn tijdens het anamnese gesprek en waar
een professionele rapportage en overdracht volgens de richtlijnen aan moet
voldoen.
Aandachtspunten tijdens het anamnese gesprek:
Lees het dossier door.
Stel de hulpvraag vast door middel van inventarisatie.
Spreek qua taalgebruik op het niveau van de patiënt.
Geef een samenvatting op het einde.
Control de gegevens van de patiënt.
Herken de barrières van de patiënt voor effectieve communicatie
(voorbeeld: psychosociaal, financieël, cultureel).
Richtlijnen voor een professionele rapportage:
Afleggen van verantwoording over het handelen.
Activiteit die een ander heeft uitgevoerd ??
Vaststellen, verlenen, voortzetten, evalueren, overdragen en controleren
van de zorg.
Goede samenwerking en afstemming met zorgverleners uit andere
disciplines/werkvelden.
Voorkomen van fouten.
SOAP-methode:
Subjectieve gegevens: niet feitelijke gegevens.
Objectieve gegevens: feitelijke gegevens.
Analyse: verklaring of toelichting op de subjectieve & objectieve gegevens.
Plan: zorgplan waarmee het geformuleerde probleem moet worden opgelost.
SBARR:
Situation: korte beschrijving van het probleem.
Background: de situatie waarin het probleem zich voordoet.
Assessment: je eigen analyse van de situatie waar je aan denkt.
Recommandation: specifieke vraag die je aan de ander stelt.
Read back: Teruglezen, controle.
Richtlijnen voor een overdracht:
Gebruik een aanpak zoals SBARR om informatie duidelijk en beknopt over
te dragen.
Vermeld relevante patiëntengegevens zoals medische geschiedenis.
Geef prioriteit aan urgentie, benadruk belangrijke zaken zoals
veranderingen in de toestand van de patiënt.
,LEERDOEL 15 (BS3/VTV):
Kan uitleggen wat vitale parameters zijn en door welke oorzaken deze kunnen
veranderen.
Vitale functies: functies waarvan uitval of stoornissen direct leiden tot een
levensbedreigende situatie (zoals bewustzijn, bloedcirculatie en ademhaling).
Vitale parameters: meetinstrumenten die verband houden met de vitale
functies in het lichaam.
Ademhaling:
Ademfrequentie: aantal ademhalingen per minuut
Ritme: ritme van de ademhalingen
Diepte en gelijkmatigheid: hoeveel lucht ingeademd word per inademing
Adembewegingen: hoe de ademhalingsspieren bewegen
Ademgeluiden: piepen, reutelen, rochelen
Saturatie: hoeveelheid zuurstof die in weefsels wordt opgenomen
Pols:
Frequentie: aantal hartslagen per minuut
Ritme: regelmatige of onregelmatige hartslag?
Vulling: vult het hart per hartslag weinig of veel?
Gelijkmatigheid: vult het hart zich per hartslag gelijkmatig of niet?
Bloeddruk:
Systolische druk: bovendruk
Diastolische druk: onderdruk
Lichaamstemperatuur
Oorzaken verandering:
Leeftijd
Naarmate je ouder wordt, neemt de lichaamstemperatuur (warmteregulatie),
ademhaling, polsfrequentie af. De bloeddruk kan nog wel toenemen naarmate je
ouder wordt.
Geslacht
Bij vrouwen zijn de temperatuurschommelingen sterker dan bij mannen.
Ras
Sommige groepen zijn vatbaarder voor veranderingen in de bloedcirculatie
waardoor de bloeddruk kan afwijken.
Erfelijke eigenschappen
Geneesmiddelen
Sommige geneesmiddelen hebben een directe of indirecte invloed op
temperatuur, hartslag, ademhaling en bloeddruk.
Leefwijze
Omgeving
Pijn
Acute pijn kan ervoor zorgen dat de hartslag, ademhalingsfrequentie en
bloeddruk worden verhoogd. Chronische pijn kan ervoor zorgen dat de hartslag
en ademhalingsfrequentie worden vertraagd.
Lichaamsbeweging
Angst
Stress
Stofwisseling
, Dag- en nachtritme
De bloeddruk is in de ochtend het laagst en is laat in de middag en avond op zijn
hoogst.
De lichaamstemperatuur is van 20:00-00:00 het hoogst en van 04:00-06:00 het
laagst.
Hormonen
Normale veranderingen van de vitale parameters kunnen worden
veroorzaakt door leeftijd, ziekte, verwonding etc.
LEERDOEL 16 (BS4/VTV):
Kan bij het toedienen van medicatie de werkwijze, verpleegkundige
observatiepunten, de veiligheidsaspecten en de voor- en nadelen uitleggen.
De werkwijze bij het toedienen van medicatie:
Per os:
1. Controleer de identiteit van de patiënt.
2. Help de patiënt met rechtop zitten.
3. Breng de patiënt op de hoogte van de naam en werking van het medicijn.
4. Controleer of je specifieke observaties moet doen voordat de patiënt het
medicijn inneemt.
5. Vraag aan de patiënt of diegene het medicijn uit de verpakking kan halen.
6. Geef de medicijncup aan de patiënt.
7. Geef water of een andere vloeistof aan de patiënt.
8. Controleer of de patiënt het medicijn heeft doorgeslikt.
9. Gooi de gebruikte medicijncup weg
10.Rapporteer en analyseer het inname moment en schrijf bijzonderheden op.
Via de luchtwegen:
1. Schud de inhalator goed en zet deze op de voorzetkamer.
2. Plaats het mondstuk van de voorzetkamer tussen de tanden van de patiënt
en sluit de lippen om het mondstuk.
3. Verwijder de kap van de voorzetkamer.
4. Laat de patiënt langzaam uitademen.
5. Activeer de aërosol met het medicijn door deze met de vingers in te
drukken.
6. Laat de patiënt 5 keer rustig in en -uitademen door de voorzetkamer.
7. Laat de patiënt de mond met water spoelen na het inhaleren (voorkom
mondschimmel!)
8. Verwijder de houder met medicijn en reinig de voorzetkamer door het af te
spoelen met water. De houder kan op een droge doek aan de lucht drogen.
Via de huid:
1. Controleer de identiteit van de patiënt.
2. Zorg voor privacy.
3. Leg de procedure duidelijk uit aan de patiënt.
4. Verwijder de oude pleister en gooi deze weg.
5. Verwijder de beschermlaag van de nieuwe pleister en breng deze
onmiddellijk op een schone, haarloze en intacte huid aan. (Bij volgende
keren, gebruik steeds een ander stuk huid om irritatie te voorkomen!)
, 6. Druk de pleister met de hand aan voor circa 30 seconden.
De verpleegkundige observatiepunten bij het toedienen van medicatie:
Per os:
Observeer de patiënt op (on)gewenste werking van het medicijn.
Rapporteer na het toedienen/aanreiken van het medicijn.
Ga de regel van 5 na (juiste patiënt, medicijn, dosis, toedieningswijze,
tijdsstip).
Let op eventuele allergische reacties.
Let op onverwachte of niet-optredende resultaten van het medicijn.
Via de luchtwegen:
Let op eventuele allergische reacties.
Gebruik de aftekenlijst na het toedienen van het medicijn.
Schud de inhalator voor gebruik. (Let op! Bij een nieuwe inhalator moet er
eerst 4 keer worden gespoten voor gebruik).
Via de huid:
Controleer de huid op eventuele beschadigingen, uitslag, wondjes of
roodheid.
Controleer of de pleister onbeschadigd is wanneer je een transdermale
pleister toedient.
Ga de regel van 5 na (juiste patiënt, medicijn, dosis, toedieningswijze,
tijdsstip).
De veiligheidsaspecten bij het toedienen van medicatie:
De veiligheidsaspecten bij het toedienen van medicatie kan je nagaan door
middel van de vijf J’s te benoemen:
1. Juiste patiënt
2. Juiste medicatie
3. Juiste dosis
4. Juiste toedieningswijze
5. Juiste tijdsstip
Voor- en nadelen bij het toedienen van medicatie:
Per os:
Voordelen:
Vloeibare orale toedieningsvormen vormen een goed alternatief voor
patiënten die tabletten/capsules niet weg kunnen slikken of voor patiënten
met voedingssondes.
De dosering is makkelijk aan te passen.
Geschikte voor kinderen.
Kleinere kans op doseerfouten.
Nadelen:
Sommige patiënten (vaak kinderen) vinden het lastig om een hele capsule
door te slikken, vaak lukt het met gebruik van veel water. Als de capsule
niet goed doorgeslikt wordt, bestaat het risico dat de capsule in de
slokdarm blijft steken wat kan zorgen voor beschadiging.