Psychologie = een wetenschappelijke discipline die gedrag en mentale processen (emotie, denken)
bestudeert met wetenschappelijke methoden.
Wilhelm Wundt (1832-1920) = 1e onderzoeks psycholoog
Basic research = gebruikt om psychologische processen te begrijpen zonder het belang of de kennis
wel of niet toe te passen is. vergroten van de kennis. Alleen begrijpen, niet oplossen.
Applied research = oplossen van een probleem, niet perse kennis vergroten.
Scientific approaches
Evaluation research (programm evaluation)
Of er basis of toegepaste onderzoek wordt gebruikt hangt af van welk van de drie doelen het doel is;
beschrijven, voorspellen of uitleggen. Basis stoppen wanneer ze het doel hebben bereikt, toegepaste
gaan nog een stap verder: oplossen.
4 voordelen van achtergrond in onderzoek:
1. Kennis over onderzoeksmethodes zorgt ervoor dat je onderzoek beter kunt begrijpen wat bij
jouw vakgebied hoort.
2. Kennis van manieren om onderzoeksproblemen op te lossen (research methodology) maakt
je een intelligentere en effectieve ‘onderzoeks gebruiker’ in het alledaagse leven. Zo kun je
beter beoordelen bijv of een onderzoek betrouwbaar is of niet.
3. Je ontwikkelt/leert kritisch denken.
4. Je wordt deskundiger op het gebied van onderzoeksmethoden/oplossingen en van specifieke
onderwerpen.
Criteria om iets een wetenschappelijk onderzoek te noemen:
1. Systematisch empirisme : kennis opdoen door waarneming
2. Publieke verificatie : onderzoek moet zo worden uitgevoerd dat de uitkomst van de ene
onderzoeker moet kunnen worden geobserveerd, herhaald en geverifieerd door anderen.
3. Oplosbare problemen : het moet te onderzoeken zijn met de huidige kennis en methoden.
Pseudoscience = lijkt alsof het wel wetenschappelijk is, maar voldoet niet aan de 3 criteria.
Wetenschappers doen feitelijk 2 dingen:
1. Ontdekken en beschrijven van verschijnselen, patronen en relaties
2. Verklaringen/theorieën opstellen, toetsen en daarna evalueren
Theorie = stel beweringen die de relatie tussen een stel begrippen uitleggen.
Criteria goede theorie:
1. Uitleg hoe een of meerdere variabelen leiden/veroorzaken bepaald gedrag/emotie/enz.
2. Begrijpelijk (duidelijk, logisch, consistent, straight-forward)
3. Gebruikt zo min mogelijk concept en processen om iets uit te leggen
4. Genereerd testbare hypotheses
5. Stimuleert andere onderzoekers om onderzoek te gebruiken om de theorie te testen
6. Lost een bestaande theoretische vraag op
Verschil theorie en model:
Theorie legt uit hoe én waarom concepten met elkaar te maken hebben. Model beschrijft
alleen hoe. Theorie probeert uit te leggen, model beschrijft.
Post hoc explanations = uitleg over iets pas nadat het is gebeurd.
A priori explanations = voorspelling, uitleg vóór het verzamelen van data.
,Empirische cyclus
1. Observatiefase:
a. maakt niet uit waar het idee vandaan komt vrijheid van ontwerp
2. Inductiefase:
a. Idee wordt uitgewerkt tot algemene hypothese/theorie
b. Leap of faith: we weten het niet zeker, maar baseren het op wat we gezien hebben
c. Algemene theorie is te ‘vaag’
3. Deductiefase:
a. Uit algemene theorie wordt een toetsbare werkhypothese (onderzoeksvraag)
afgeleid
b. Deductie = logica
c. Voorspelling die uit de theorie volgt
4. Toetsingsfase
a. Werkhypothese(n) toetsen door onderzoek daadwerkelijk uit te w=voeren
b. Data verzamelen
c. Analyseren van verzamelde data
d. Conclusies trekken
5. Evaluatiefase
a. Wat zegt het resultaat over de algemene hypothese/theorie bevestigen of
verwerpen?
b. Theorie aanpassen, uitbreiden of verbeteren?
c. Tekortkomingen aan ons onderzoek?
Strategy of strong interference: het testen van 2 theorieën waarbij de ene theorie wordt bevestigd
en de ander onderuitgehaald wordt.
Bij onderzoek moeten begrippen in hypotheses erg
precies gedefinieerd worden, anders is het niet
helemaal mogelijk om te bepalen of de hypothese
wel of niet ondersteund worden. Maar ook is het
dan voor andere onderzoekers niet duidelijk hoe
het nou precies uitgevoerd werd of wat er bedoeld
werd.
2 soorten definities:
1. Conceptuele: eigenlijk gewoon wat er in
het woordenboek te vinden is
2. Operationele: hoe het begrip gemeten of
gebruikt wordt in een bepaalde studie.
Je kan een theorie niet bewijzen of weerleggen,
maar om een theorie te bevestigen wordt niet één
studie gebruikt, maar de uitkomst van meerdere
studies. (methodologisch pluralisme =
gevarieerdheid methoden)
Soorten (gedrags)onderzoek:
1. Beschrijvend: beschrijven, inventariseren
2. Correlationeel: relaties tussen verschijnselen
3. Experimenteel: oorzaak-gevolg relaties aantonen.
, 4. Quasi-experimenteel: als experimenteel, maar met minder strenge controle en/of geen
random toewijzing wanneer dit niet mogelijk is
H2: Behavioral variability and research
Variabiliteit = beschrijven, voorspellen en verklaren van verschillen in gedrag en mentale processen
tussen mensen. Kun je meten door te kijken naar een bepaalde variabele (iets dat kan variëren)
Waarom variabiliteit centraal staat in onderzoeksprocessen:
1. Psychologie en andere gedragswetenschappen gebruiken de studie van gedragsvariabiliteit.
a. Waarom en hoe verandert gedrag per situatie, persoon enz.
2. Onderzoeksvragen in alle gedragswetenschappen zijn vragen over gedragsvariabiliteit.
3. Onderzoek zou zo opgesteld moeten worden op een manier dat de onderzoeker vragen kan
beantwoorden over gedragsvariabiliteit.
a. Dit omdat alle gedragsonderzoeken het begrijpen van de variabiliteit betrekken.
4. Het meten van gedrag betrekt het gebruik van gedragsvariabiliteit.
5. Statistische analyses worden gebruikt voor het beschrijven en verklaren van de
waargenomen variabiliteit in de (gedrags)data.
a. Beschrijvende statistieken: voor samenvatten en beschrijven van gedrag van
deelnemers.
b. Verklarende statistieken: conclusies trekken
Variantie wordt gebruikt om de hoeveelheid van de waargenomen variabiliteit aan te geven.
Totale variantie = systematische variantie +
fouten variantie
- Totale = alle verschillen
- Systematisch = wat verklaard wordt door de variabelen die in het onderzoek meegenomen
worden (wat onderzocht wordt)
- Fouten = wat niet verklaard wordt door de variabelen die in het onderzoek meegenomen
worden (wat niet onderzocht wordt)