Lecture 1 – Introduction +
Stoornissen staan (as you know) beschreven in de DSM 5 en ICD 10. Maar in deze
classificatiesystemen worden er allerlei aparte categorieën/diagnoses gemaakt. Je hebt verslavingen,
stemmingsstoornissen, autisme, etc. Het probleem is echter dat veel stoornissen veel overeenkomsten
hebben, maar daarnaast ook vaak samen voorkomen. Het is dus allemaal niet zo gescheiden als dat
wordt beweerd in die classificatiesystemen.
Een gedragsmatig/psychologisch syndroom vindt plaats binnen een individu. En een syndroom is
geoperationaliseerd in termen van diagnose. Een diagnose is een vooraf gedefinieerde set van
symptomen, die niet door iets anders dan het syndroom verklaard kunnen worden. Daarnaast moet het
duidelijke beperking in functioneren veroorzaken.
De diagnose bestaat dus uit allerlei symptomen, maar dat betekent niet dat álle symptomen bij íedere
patiënt (dus bij ieder syndroom) aanwezig zijn. Maar ook binnen het individu, dus binnen het
syndroom, kunnen de symptomen veranderen. Bepaalde symptomen nemen over verloop van tijd af,
andere nemen weer toe.
Je hebt een norm van de symptomen. Als je erg afwijkt van die norm, wordt het een stoornis. Maar
wat normaal is, wat dus binnen de norm valt, is sterk afhankelijk van cultuur, samenleving en/of tijd.
Zo is bijv. in sommige culturen homoseksualiteit erg afwijkend, en ook vroeger stond homoseksualiteit
in de DSM.
Naast het kritiek op de DSM/andere classificatiesystemen, zijn er ook 2 nuttige punten te noemen:
1. Het maakt communicatie over de symptomen/syndromen makkelijker
2. Observaties kunnen worden verklaard/uitgelegd
Illness vs. disease
Illness – de subjectieve ervaring van de symptomen, dus vanuit de cliënt gezien
Disease – de pathologie/theorie, dus vanuit de hulpverlener gezien
Holisme – hier komen illness en disease samen
Maar: patiënten met dezelfde illness, kunnen weer andere symptomen vertonen. En voor eenzelfde
disease kunnen weer andere oorzaken gevonden worden. Daarnaast speelt de hulpverlener hier ook
een rol in: iedere hulpverlener kan weer een andere verklaring/oorzaak/inzicht/visie over jouw
problemen hebben
Causale explanation van een syndroom bestaat uit voor wie de symptomen ontstaan en waarom en
hoe die symptomen ontstaan. Maar dit is erg lastig om te beantwoorden, omdat het in het brein
plaatsvindt. En je kan niet direct in het brein kijken
2-factor theorie van Mowrer
De two-factor theorie van Mowrer probeert de onset en de maintainance van anxiety te verklaren. En
bestaat uit 2 delen:
1. Klassieke conditionering
a. Een stimulus, die eerst neutraal was, krijgt een (negatieve) betekenis
2. Operante conditionering
a. Vermijding van die stimulus gaat samen met een opluchting/vermindering van
negatieve emoties
i. En dus blijf je het vermijden, maar blijf je ook die negatieve betekenis houden
,Klinische psychologie
Klinische psychologie = een integratie van wetenschap en klinische kennis, met als doel om
psychologische ongemak/disfunctie te begrijpen en te voorkomen en om well-being en ontwikkeling te
promoten.
Eigenlijk heeft dit een cyclus:
1. Data Data
a. Ruwe observaties
b. Bewijs voor het fenomeen
2. Fenomeen
a. Relatief stabiele kenmerken van de
wereld/observaties Theorie Fenomeen
b. Bijv. het placebo-effect, of dat trauma het risico op
depressie verhoogt
3. Theorie
a. Een beschrijving van hoe het fenomeen ontstaat
b. Vaak zijn er voor één fenomeen meerdere theorieën
Mental State Exam
Mental State Exam (MSE) is een tool/vaardigheid die het mogelijk maakt om de mentale staat van
een persoon te observeren / een (semi) gestructureerde assessment af te nemen
Er zijn 8 indicatoren van de mentale staat
1. Oriëntatie
a. Dit omvat vaak 3 of 4 aspecten n
i. Zelf
ii. Zelf en plaats
iii. Zelf, plaats en tijd
iv. Zelf, plaats, tijd en situatie
2. Inzicht in symptomen/stoornis
a. Worden de symptomen/problemen herkend?
b. Dit is een soort schaal
100% ontkenning … intellectuele inzicht emotionele inzicht
i. Intellectuele inzicht: dat mensen kunnen herkennen dat er iets verkeerd is
ii. Emotionele inzicht: dan kunnen ze ook de bijpassende emoties tonen en
gedragingen uitvoeren
3. Appearance
a. Spreekt voor zich
4. Gedachtenprocessen / inhoud
a. Processen: vorm van denken, is dit logisch en direct of draait ie eromheen?
b. Inhoud: waar denkt de persoon aan?
5. Gedrag
6. Spraak
7. Mood en affect
a. Mood – emotionele klimaat, duurt dus lang
b. Affect – affectieve reacties, vaak gebaseerd op ervaringen
c. Maar er is ook een interactie tussen mood en affect. Want bij veel positieve affect kan
je mood bijvoorbeeld ook weer stijgen
8. Geheugen en concentratie
, Lecture 2 – Consequenties en stigma
Consequenties
Het is om verschillende redenen belangrijk om naar de consequenties te kijken:
- Consequenties schetsen (een deel) van de scope (van het probleem)
prevalentie × consequenties=scope van het probleem
ₓ dit is echter alleen een schatting, een statistiek
- consequenties vragen om preventie/behandeling (en kunnen als primaire preventie dienen)
- Kennis over de consequenties: meer empathie en steun (+ minder stigma minder
discriminatie)
despair = een compleet verlies of de afwezigheid van hoop
Er zijn directe consequenties van een stoornis, maar ook secundaire gevolgen. Wanneer je bijv. op
jonge leeftijd een stoornis ontwikkelt, kunnen andere ontwikkelingsprocessen belemmert worden.
Denk aan sociale vaardigheden. Als dit belemmert wordt door de stoornis, kan dit op latere leeftijd
bijv. eenzaamheid als gevolg hebben
Consequenties – statistisch niveau
Idiografisch niveau – individueel niveau, dus illness (N=1)
Nomothetisch niveau – maakt gebruik van gemiddelden (N>1)
Mentale gezondheid = de vaardigheid van mensen om te copen met stressoren/challenges en/of (snel)
te herstellen wanneer iets onplezierigs heeft plaatsgevonden
Psychosociale theorieën van suïcidaal gedrag/gedachten
- Escape from self
Voornaamste motivatie voor zelfmoord is een uitweg van pijnlijke zelfbewustzijn
ₓ Discrepantie tussen huidige en ideale zelf
- Clinical model of suicidal behavior
Suïcide risico neemt toe door de stressor van een mentale stoornis en een diathese van
persoonlijkheid
Is een diathese-stress model
- Arrested flight model
Suïcide risico neemt toe wanneer gevoelens van defeat en entrapment hoog zijn, en de
potentie voor redding (bijv. sociale support) laag is
Is een diathese-stress model
- Interpersonal-Psychologcal model
Suïcide wens: hoge niveaus van last en het zich niet onderdeel voelen van iets leidt tot
suïcide wanneer iemand óók de capaciteit ervoor heeft
ₓ Ideation burden + eenzaam
ₓ Attempt burden + eenzaam + capaciteit
Stoornissen staan (as you know) beschreven in de DSM 5 en ICD 10. Maar in deze
classificatiesystemen worden er allerlei aparte categorieën/diagnoses gemaakt. Je hebt verslavingen,
stemmingsstoornissen, autisme, etc. Het probleem is echter dat veel stoornissen veel overeenkomsten
hebben, maar daarnaast ook vaak samen voorkomen. Het is dus allemaal niet zo gescheiden als dat
wordt beweerd in die classificatiesystemen.
Een gedragsmatig/psychologisch syndroom vindt plaats binnen een individu. En een syndroom is
geoperationaliseerd in termen van diagnose. Een diagnose is een vooraf gedefinieerde set van
symptomen, die niet door iets anders dan het syndroom verklaard kunnen worden. Daarnaast moet het
duidelijke beperking in functioneren veroorzaken.
De diagnose bestaat dus uit allerlei symptomen, maar dat betekent niet dat álle symptomen bij íedere
patiënt (dus bij ieder syndroom) aanwezig zijn. Maar ook binnen het individu, dus binnen het
syndroom, kunnen de symptomen veranderen. Bepaalde symptomen nemen over verloop van tijd af,
andere nemen weer toe.
Je hebt een norm van de symptomen. Als je erg afwijkt van die norm, wordt het een stoornis. Maar
wat normaal is, wat dus binnen de norm valt, is sterk afhankelijk van cultuur, samenleving en/of tijd.
Zo is bijv. in sommige culturen homoseksualiteit erg afwijkend, en ook vroeger stond homoseksualiteit
in de DSM.
Naast het kritiek op de DSM/andere classificatiesystemen, zijn er ook 2 nuttige punten te noemen:
1. Het maakt communicatie over de symptomen/syndromen makkelijker
2. Observaties kunnen worden verklaard/uitgelegd
Illness vs. disease
Illness – de subjectieve ervaring van de symptomen, dus vanuit de cliënt gezien
Disease – de pathologie/theorie, dus vanuit de hulpverlener gezien
Holisme – hier komen illness en disease samen
Maar: patiënten met dezelfde illness, kunnen weer andere symptomen vertonen. En voor eenzelfde
disease kunnen weer andere oorzaken gevonden worden. Daarnaast speelt de hulpverlener hier ook
een rol in: iedere hulpverlener kan weer een andere verklaring/oorzaak/inzicht/visie over jouw
problemen hebben
Causale explanation van een syndroom bestaat uit voor wie de symptomen ontstaan en waarom en
hoe die symptomen ontstaan. Maar dit is erg lastig om te beantwoorden, omdat het in het brein
plaatsvindt. En je kan niet direct in het brein kijken
2-factor theorie van Mowrer
De two-factor theorie van Mowrer probeert de onset en de maintainance van anxiety te verklaren. En
bestaat uit 2 delen:
1. Klassieke conditionering
a. Een stimulus, die eerst neutraal was, krijgt een (negatieve) betekenis
2. Operante conditionering
a. Vermijding van die stimulus gaat samen met een opluchting/vermindering van
negatieve emoties
i. En dus blijf je het vermijden, maar blijf je ook die negatieve betekenis houden
,Klinische psychologie
Klinische psychologie = een integratie van wetenschap en klinische kennis, met als doel om
psychologische ongemak/disfunctie te begrijpen en te voorkomen en om well-being en ontwikkeling te
promoten.
Eigenlijk heeft dit een cyclus:
1. Data Data
a. Ruwe observaties
b. Bewijs voor het fenomeen
2. Fenomeen
a. Relatief stabiele kenmerken van de
wereld/observaties Theorie Fenomeen
b. Bijv. het placebo-effect, of dat trauma het risico op
depressie verhoogt
3. Theorie
a. Een beschrijving van hoe het fenomeen ontstaat
b. Vaak zijn er voor één fenomeen meerdere theorieën
Mental State Exam
Mental State Exam (MSE) is een tool/vaardigheid die het mogelijk maakt om de mentale staat van
een persoon te observeren / een (semi) gestructureerde assessment af te nemen
Er zijn 8 indicatoren van de mentale staat
1. Oriëntatie
a. Dit omvat vaak 3 of 4 aspecten n
i. Zelf
ii. Zelf en plaats
iii. Zelf, plaats en tijd
iv. Zelf, plaats, tijd en situatie
2. Inzicht in symptomen/stoornis
a. Worden de symptomen/problemen herkend?
b. Dit is een soort schaal
100% ontkenning … intellectuele inzicht emotionele inzicht
i. Intellectuele inzicht: dat mensen kunnen herkennen dat er iets verkeerd is
ii. Emotionele inzicht: dan kunnen ze ook de bijpassende emoties tonen en
gedragingen uitvoeren
3. Appearance
a. Spreekt voor zich
4. Gedachtenprocessen / inhoud
a. Processen: vorm van denken, is dit logisch en direct of draait ie eromheen?
b. Inhoud: waar denkt de persoon aan?
5. Gedrag
6. Spraak
7. Mood en affect
a. Mood – emotionele klimaat, duurt dus lang
b. Affect – affectieve reacties, vaak gebaseerd op ervaringen
c. Maar er is ook een interactie tussen mood en affect. Want bij veel positieve affect kan
je mood bijvoorbeeld ook weer stijgen
8. Geheugen en concentratie
, Lecture 2 – Consequenties en stigma
Consequenties
Het is om verschillende redenen belangrijk om naar de consequenties te kijken:
- Consequenties schetsen (een deel) van de scope (van het probleem)
prevalentie × consequenties=scope van het probleem
ₓ dit is echter alleen een schatting, een statistiek
- consequenties vragen om preventie/behandeling (en kunnen als primaire preventie dienen)
- Kennis over de consequenties: meer empathie en steun (+ minder stigma minder
discriminatie)
despair = een compleet verlies of de afwezigheid van hoop
Er zijn directe consequenties van een stoornis, maar ook secundaire gevolgen. Wanneer je bijv. op
jonge leeftijd een stoornis ontwikkelt, kunnen andere ontwikkelingsprocessen belemmert worden.
Denk aan sociale vaardigheden. Als dit belemmert wordt door de stoornis, kan dit op latere leeftijd
bijv. eenzaamheid als gevolg hebben
Consequenties – statistisch niveau
Idiografisch niveau – individueel niveau, dus illness (N=1)
Nomothetisch niveau – maakt gebruik van gemiddelden (N>1)
Mentale gezondheid = de vaardigheid van mensen om te copen met stressoren/challenges en/of (snel)
te herstellen wanneer iets onplezierigs heeft plaatsgevonden
Psychosociale theorieën van suïcidaal gedrag/gedachten
- Escape from self
Voornaamste motivatie voor zelfmoord is een uitweg van pijnlijke zelfbewustzijn
ₓ Discrepantie tussen huidige en ideale zelf
- Clinical model of suicidal behavior
Suïcide risico neemt toe door de stressor van een mentale stoornis en een diathese van
persoonlijkheid
Is een diathese-stress model
- Arrested flight model
Suïcide risico neemt toe wanneer gevoelens van defeat en entrapment hoog zijn, en de
potentie voor redding (bijv. sociale support) laag is
Is een diathese-stress model
- Interpersonal-Psychologcal model
Suïcide wens: hoge niveaus van last en het zich niet onderdeel voelen van iets leidt tot
suïcide wanneer iemand óók de capaciteit ervoor heeft
ₓ Ideation burden + eenzaam
ₓ Attempt burden + eenzaam + capaciteit