Economie is het bestuderen van het keuzegedrag van de mens.
1.2: Schaarste: Verschil tussen de oneindige behoeften en de beperkte middelen.
‘-> een product is schaars, als er een offer (of inspanning) moet worden geleverd om te verkrijgen.
‘-> Hoe schaarser, hoe duurder!
Als je iets moet opofferen om een product te verkrijgen is het product schaars! Dit betekent dus niet
dat er weinig is… maar dat je er iets voor moet opofferen! Vrije goederen hoef je niets voor op te
offeren!
Opofferingskosten: Gederfde (misgelopen) opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief
Consumeren: Gezinnen geven geld uit om goederen/diensten te kopen. Doel: behoeftebevrediging.
Investeren: Bedrijven geven geld uit om goederen/diensten te kopen. Doel: productie en winst.
Goederen: zijn stoffelijk, je kunt ze aanraken (tastbaar).
Diensten: je kunt ze niet aanraken (onstoffelijk, niet-tastbaar).
Verschil beleggen en investeren:
Investeren is het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven voor productieproces.
Beleggen is het kopen van effecten of waardepapieren, zoals aandelen, om waarde te houden of te
vergroten → met geld meer geld maken!
1.3: Budget: De hoeveelheid middelen die je hebt.
Budgetvergelijken: geeft alle combinaties van maximaal te kopen producten bij gegeven prijzen en
budget.
Formule budgetlijn: Budget = (prijs product1 * aantal1 ) + (prijs product2 * aantal2 )
De helling van de budgetlijn verandert bij een prijsverandering.
De budgetlijn verschuift EVENWIJDIG bij een budgetverandering.
Koopkracht = Nominaal inkomen : prijs
Vb met procenten: Index is in procenten
Inkomen stijgt met 10% & prijs met 5%, wat doe je?
Reëel index cijfer = inkomensindex : prijsindex X 100
110 : 105 X 100 = 104,8
Dus koopkracht is met 4,8% veranderd
, 1.4: Strategie: de geplande actie/keuze die een speler doet. Vervolgens heeft jouw keuze een
bepaald resultaat (= opbrengst = pay-off).
Speltheorie: wetenschap die zich richt op het verklaren van (economisch) gedrag!
Bij een speltheorie worden alle
mogelijke keuzes en gevolgen in
een tabel gezet.
Gevangenendilemma
samengevat:
Het dilemma is: wat kan een
gevangene het beste doen?
De essentie van het dilemma is dat het voor beide verdachten samen beter is te zwijgen, maar elke
verdachte alleen denkt aan zijn eigen voordeel!
1. 2 spelers (identiek)
2. Spelers hebben altijd 2 keuzes
3. Los van elkaar kiezen de spelers voor eigen belang
4. Gevolg? Geen samenwerking en geen suboptimale uitkomst.
‘-> beste voor beide partijen
5. Spel staat in een pay-off matrix
Twee vormen van een spel:
Simultaan: Afzonderlijk van elkaar beslissen, niet wetende wat de ander kiest.
Sequentieel: Om de beurt beslissen. Vertrouw je de ander?
Spelers kunnen wel of niet coöperatief spelen. Wel of niet samenwerken?
‘-> bij gevangenendilemma is samenwerken de suboptimale uitkomst. Maar voor eigen belang is
niet samenwerken beter.
Dominante strategie: de strategie die het meest oplevert, ongeacht de strategie van de ander.
Free-rider-gedrag: meeliftgedrag = gratis profiteren van de inspanningen van een ander.
Nash evenwicht: Voorspelling van de uitkomst. Als beide spelers hun dominante strategie uitvoeren
wijken zij niet meer af! Het is een situatie waarbij het voor geen enkele speler voordelig is hiervan af
te wijken.