Kwartiel 2.2
Toetsing
Datum:
- Schriftelijke open vragen
Leermateriaal
- Hoofdstukken 1, 2, 3 (par. 3.7 tot en met 3.9 niet), 4 (alleen par. 4.1), 6 (par. 6.5 niet) en 7 (par 7.2 en 7.3
niet).
- Geplaatste artikelen
Inhoudsopgave
Week 1 .............................................................................................................................................. 2
Werkcollege ............................................................................................................................................... 2
Week 2 .............................................................................................................................................. 5
werkcollege ............................................................................................................................................... 5
Week 3 .............................................................................................................................................. 9
Werkcollege ............................................................................................................................................... 9
Week 4 ............................................................................................................................................ 11
Werkcollege ............................................................................................................................................. 11
Week 5 ............................................................................................................................................ 14
Werkcollege ............................................................................................................................................. 14
Week 6 ............................................................................................................................................ 17
Werkcollege ............................................................................................................................................. 17
Opdracht ................................................................................................................................................. 22
Week 7 ............................................................................................................................................ 23
Werkcollege ............................................................................................................................................. 23
Samenvatting .................................................................................................................................. 24
Hoofdstuk 1 – Identiteit van non-profitorganisaties .................................................................................... 24
Hoofdstuk 2 – Planning en besluitvorming ................................................................................................. 28
Hoofdstuk 3 – Management control .......................................................................................................... 31
Hoofdstuk 4 – Management van non-profitorganisaties.............................................................................. 33
Hoofdstuk 6 – Budgettering....................................................................................................................... 34
Hoofdstuk 7 – Prestatiemeting .................................................................................................................. 36
,Week 1
Werkcollege
Aard en identiteit van NFPO’s
Not-for-profit organisaties:
- Amateur (voetbal) verenigingen
- Unicef
- Universiteit
Rechtsvormen:
1. Vereniging → amateur sport vereniging
- Heeft leden en een bestuur
- Opgericht voor verwezenlijken van een bepaald doel
- Een vereniging mag winst maken, maar de winst moet weer gebruikt worden voor het doel
2. Stichting → Stichting kinderpostzegels
- Heeft alleen bestuur, geen leden
- Opgericht voor verwezelijken van een bepaald doel → in statuten
- Een stichting mag winst maken, maar de winst moet weer gebruikt worden voor het doel
3. Coöperatie → Rabobank
- Een coöperatie is een bijzondere vorm van vereniging die samen met haar leden bepaalde diensten verleent
of producten levert
- Coöperaties zonder winstoogmerk zijn vaak actief in de zorg, woningbouw, of op sociaal maatschappelijk
gebied
- Coöperaties verdienen goed door diensten of producten aan hun leden te leveren en kunnen ook subsidies
ontvangen
4. Overheid/Openbaar bestuur/organisaties met publiekrechtelijke grondslag → Waterschap, gemeente of
commissie
- Bevoegdheid op veiligheid en openbare orde, maar ook om besluiten te nemen
Openbaar bestuur:
➢ Openbaar bestuur: Het geheel van organisaties met een publiekrechtelijke grondslag ( staat in de
wet) die gericht is op het inwilligen van eisen, wensen en problemen in een samenleving ( beleid)
➢ Beleid: is het inwilligen op eisen wensen en problemen in de samenleving
Waarom zijn er NFPO’s?
Beperkingen private sector:
1. Uitsluiting van een mindere groep → de ziekste worden opgenomen, omdat die het meest winst opbrengen,
maar hierdoor worden de mensen die ook zorg nodig hebben uitgesloten
2. Niet in staat om collectieve goederen te realiseren → voor particulier of bedrijf is het niet winstgevend om
een dijk aan te leggen, free-riders principe, je kan mensen niet uitsluiten
3. Sturing van overheid nodig → overheid moet beleid en/of mee investeren om het goed tot stand te brengen
→ het sporennet
4. Over- of onderwaardering interne effecten → de negatieve effecten op marktpartijen draagt de belasting,
ook al maakt een bedrijf winst → tabak of alcohol
5. Optreden externe effecten → milieueffecten of productieproces
- Intern: effecten op marktpartijen → positief of negatief
- Extern: effecten op omgeving/samenleving → positief of negatief
,Beperkingen publieke sector:
1. De output slecht gedefinieerd en moeilijk te meten
2. De kwaliteit van de output is moeilijk vast te stellen, omdat de informatie over het consumentengedrag
grotendeels ontbreekt → ID aanvraag
3. Concurrentie ontbreekt veelal
4. Een hard criterium voor de beëindiging van projecten en programma’s ontbreekt → geen vertrouwen in de
winstgevendheid
5. In de politiek wordt het formuleren van problemen en het ontwerpen van oplossingen beloond, maar niet de
implementatie van de voorstellen
6. De politieke cyclus en tijdshorizon zijn te kort om de problemen goed aan te pakken → vaak 4 jaar de tijd
Publiek en privaat:
- Private sector: organisaties in de private sector zijn eigendom van particulieren, individuen of bedrijven. Ze
worden gefinancierd door particuliere investeerders en streven om het algemeen naar winstmaximalisatie
- Publieke sector: organisaties in de publieke sector zijn eigendom van de overheid of worden gefinancierd
met overheidsmiddelen. Ze streven naar het vervullen van publieke taken en diensten, zonder direct
winstoogmerk Eigenaarschap
Bekostiging Publiek: Privaat:
Publiek: Kerndepartementen Zorginstellingen
De publieke sector bestaan uit: ministeries Scholen
- Semi-overheidsorganisaties: ziekenhuis, ns, universiteit Privaat: Openbaar vervoer
Nutsbedrijven
Shell
Microsoft
o Voeren wettelijke taken uit De Bijenkorf
o Worden voor een groot deel gefinancierd met publieke middelen
- Overheidsorganisaties: gemeenten, provincie, het rijk en waterschappen
Bedrijven <> Overheid
Bedrijfsleven Overheid
1. Doel van de organisatie Winst en continuïteit Maatschappelijke effecten
2. Meetbaarheid van de Resultaten zijn identificeerbaar = goede Resultaten zijn vaak moeilijk identificeerbaar = slecht
resultaten meetbaarheid meetbaarheid
3. Belangen Eigen belang centraal Algemeen belang vs particulier belang
4. Wijze van financiering Particuliere investeerders Overheidsmiddelen
Investeringen om winst te maken Belastingen om maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken
(Uitgaven voor inkomsten (Inkomsten voor Uitgaven)
5. Eigenaarschap Individu Individu (vergunning) en het collectief (dijk/wegen)
6. Rol van de burger Consument Consument van de individuele goederen, kiezer, belastingbetaler
(BTW), belanghebbende, participant, etc.
7. Hoeveelheid en prijs Vraag en aanbod = marktmechanisme = Eisen, wensen en problemen = budgetmechanisme = politiek
producent bepaald en consument betaald = bepaald en belastingbetaler betaald en doelgroep geniet
concurrentiedruk
8. Relatie tussen afnemer Wilsovereenstemming = consument tussen Politiek heeft mandaat om beslissingen te nemen
en aanbieder producent en consument
9. Verwachting van kwaliteit Algemene verwachting dat de overheid het algemeen belang
afnemers ten aanzien behartigd en verbetert
van de te leveren
presentatie
10. toet criteria voor Vraag naar goederen en diensten Kosten-batenanalyse
kwaliteit van de
geleverde prestatie
11. houding ten aanzien van 3E’s = 3E’s = zelfde als bij bedrijfsleven alleen dan op beleid
door de aanbieder te - Efficiëntie: met zo min mogelijk kosten je 3R;s =
nemen risico’s doel bereiken - Rechtmatig handelen:
- Effectiviteit: bereik je het doel met de - Rechtsgelijkheid: in gelijke gevallen gelijk behandelen
maatregelen die je hebt getroffen - Rechtszekerheid: burger mag erop toe staan dat de overheid
- Economy: zuinig met middelen omgaan zich aan de wetten houdt en controleert
12. relatie tussen aanbieder Consument en producent mogen alles doen, Overheid mag niets doen, tenzij in de wet staat dat het wel mag
en wet tenzij in de wet staat dat het niet mag
13. mate van transparantie Houdt dingen voor zichzelf maar zijn verplicht In principe alles openbaar
om bepaalde informatie openbaar te maken
→ jaarrekening
14. wijze waarop de Bedrijf draagt uit wat goed gaat = profileert op Geen of diffuse identiteit = profilering op verschillen
aanbieder zich profileert de kwaliteit van de goederen of diensten
, 6 bouwstenen van een organisatie
1. Missie, visie en strategie:
a. Missie: waar de organisatie voor staat. Wat is het bestaansrecht, waar geloven we in? Etc.
b. Visie: hoe de organisatie wil inspelen op haar omgeving om haar doelen te bereiken/om in de toekomst
succesvol te blijven
c. Strategie: de lange termijn doelstellingen van de organisatie en hoe je die wil bereiken
d. Beleid: strategie vertalen tot concrete doelen
2. Medewerkers
3. Management
4. Cultuur
5. Structuur
6. Systemen, procedures processen (beheersingssystemen) =
financieel management
a. De planning en beheersing van financiële transacties en =
administratieve financieel management
b. De financiële sturing van organisatieactiviteiten = sturende
gevolgen, bv. Prijzen aanpassen
7. *bestuurlijk-ambtelijk samenspel = voor politiek-ambtelijke
organisaties → gemeenten, provincies en ministeries