Oefententamen Inleiding
Behandelmethoden
In dit document vind je een oefententamen met 60 meerkeuzevragen gebaseerd op de
collegestof. Maak het tentamen eerst zelf door je antwoorden apart te noteren. De correcte
antwoorden vind je onderaan het document, zodat je het kunt nakijken.
1. In de klassieke psychoanalyse staat ‘vrije associatie’ centraal. Wat is hiervan het
doel?
a. De cliënt inzicht geven in zijn gedragspatronen
b. Het blootleggen van onbewuste conflicten
c. Het bevorderen van de autonomie van de cliënt
2. Wat is een kenmerk van de therapeutische houding in cliëntgerichte therapie
volgens Carl Rogers?
a. Directief en sturend
b. Interpretatief en analytisch
c. Onvoorwaardelijke acceptatie
3. Welke uitspraak hoort bij de humanistische benadering van therapie?
a. “De cliënt heeft zelf de antwoorden in zich.”
b. “Gedrag wordt gestuurd door beloning en straf.”
c. “Onbewuste conflicten bepalen het gedrag.”
4. Wat is een belangrijk uitgangspunt van de moderne psychodynamische
therapieën?
a. Het ontwikkelen van adaptief gedrag en inzicht in overdracht
b. Gedragsexperimenten en exposure
c. Herstructureren van negatieve automatische gedachten
5. Welk leerprincipe ligt ten grondslag aan operante conditionering?
a. Leren door observatie
b. Leren door beloning en straf
c. Leren door associatie
6. Welke techniek wordt gebruikt binnen EMDR om het werkgeheugen te belasten?
a. Contraconditionering
b. Snel opzeggen van getallen
c. Oogbewegingen van links naar rechts
, 7. Wat is het doel van gedragsactivatie bij depressie?
a. Gedachten uitdagen
b. Plezier en bekwaamheid hervinden door actie
c. Inzicht krijgen in kernovertuigingen
8. Binnen schematherapie verwijst ‘vermijding’ naar:
a. De wens om goedkeuring te krijgen van anderen
b. De strategie om pijnlijk schema’s te ontlopen
c. Het herhalen van destructieve gedragspatronen
9. Wat is een voorbeeld van een ‘safety behavior’ bij sociale angst?
a. Opzettelijk fouten maken tijdens een presentatie
b. Zoveel mogelijk vermijden van oogcontact
c. Automatische gedachten uitdagen
10. Wat wordt binnen de CGT bedoeld met het ‘G-schema’?
a. Een schema om doelen te stellen
b. Een schema waarin emoties worden gemeten
c. Een schema met gebeurtenis, gedachte, gevoel, gedrag en gevolg
11. Wat is het doel van de ‘downward arrow’ techniek?
a. Het verlagen van spanning tijdens exposure
b. Het afbouwen van therapie
c. Het achterhalen van onderliggende kernovertuigingen
12. Wat stelt de Dodo Bird Verdict?
a. Alle psychotherapieën zijn ongeveer even effectief
b. Gedragstherapie is effectiever dan cognitieve therapie
c. Psychotherapie werkt vooral door specifieke technieken
13. In welk type therapie wordt vooral gewerkt met 'herparenting'?
a. Schematherapie
b. CGT
c. Psychoanalyse
14. Wat is het doel van interoceptieve exposure?
a. Vermijden van paniek
b. Leren omgaan met lichamelijke sensaties die angst oproepen
c. Verlagen van dagelijkse stress
15. In welke therapiesoort is ‘epistemisch vertrouwen’ een centraal begrip?
Behandelmethoden
In dit document vind je een oefententamen met 60 meerkeuzevragen gebaseerd op de
collegestof. Maak het tentamen eerst zelf door je antwoorden apart te noteren. De correcte
antwoorden vind je onderaan het document, zodat je het kunt nakijken.
1. In de klassieke psychoanalyse staat ‘vrije associatie’ centraal. Wat is hiervan het
doel?
a. De cliënt inzicht geven in zijn gedragspatronen
b. Het blootleggen van onbewuste conflicten
c. Het bevorderen van de autonomie van de cliënt
2. Wat is een kenmerk van de therapeutische houding in cliëntgerichte therapie
volgens Carl Rogers?
a. Directief en sturend
b. Interpretatief en analytisch
c. Onvoorwaardelijke acceptatie
3. Welke uitspraak hoort bij de humanistische benadering van therapie?
a. “De cliënt heeft zelf de antwoorden in zich.”
b. “Gedrag wordt gestuurd door beloning en straf.”
c. “Onbewuste conflicten bepalen het gedrag.”
4. Wat is een belangrijk uitgangspunt van de moderne psychodynamische
therapieën?
a. Het ontwikkelen van adaptief gedrag en inzicht in overdracht
b. Gedragsexperimenten en exposure
c. Herstructureren van negatieve automatische gedachten
5. Welk leerprincipe ligt ten grondslag aan operante conditionering?
a. Leren door observatie
b. Leren door beloning en straf
c. Leren door associatie
6. Welke techniek wordt gebruikt binnen EMDR om het werkgeheugen te belasten?
a. Contraconditionering
b. Snel opzeggen van getallen
c. Oogbewegingen van links naar rechts
, 7. Wat is het doel van gedragsactivatie bij depressie?
a. Gedachten uitdagen
b. Plezier en bekwaamheid hervinden door actie
c. Inzicht krijgen in kernovertuigingen
8. Binnen schematherapie verwijst ‘vermijding’ naar:
a. De wens om goedkeuring te krijgen van anderen
b. De strategie om pijnlijk schema’s te ontlopen
c. Het herhalen van destructieve gedragspatronen
9. Wat is een voorbeeld van een ‘safety behavior’ bij sociale angst?
a. Opzettelijk fouten maken tijdens een presentatie
b. Zoveel mogelijk vermijden van oogcontact
c. Automatische gedachten uitdagen
10. Wat wordt binnen de CGT bedoeld met het ‘G-schema’?
a. Een schema om doelen te stellen
b. Een schema waarin emoties worden gemeten
c. Een schema met gebeurtenis, gedachte, gevoel, gedrag en gevolg
11. Wat is het doel van de ‘downward arrow’ techniek?
a. Het verlagen van spanning tijdens exposure
b. Het afbouwen van therapie
c. Het achterhalen van onderliggende kernovertuigingen
12. Wat stelt de Dodo Bird Verdict?
a. Alle psychotherapieën zijn ongeveer even effectief
b. Gedragstherapie is effectiever dan cognitieve therapie
c. Psychotherapie werkt vooral door specifieke technieken
13. In welk type therapie wordt vooral gewerkt met 'herparenting'?
a. Schematherapie
b. CGT
c. Psychoanalyse
14. Wat is het doel van interoceptieve exposure?
a. Vermijden van paniek
b. Leren omgaan met lichamelijke sensaties die angst oproepen
c. Verlagen van dagelijkse stress
15. In welke therapiesoort is ‘epistemisch vertrouwen’ een centraal begrip?