Centrale vraag:
In hoeverre zijn Marc en Guido privé aansprakelijk voor het aanschaffen van bedrijfswagens? Hoe
kunnen ze die ovens aanschaffen? Welke bijzondere bedingen kunnen Marc en Guido in de
arbeidsovereenkomst opnemen om het personeelsbestand te regelen (proeftijdbeding)?
Leerdoelen:
1. Wanneer kan een rechtspersoon i.o. rechtshandelingen verrichten?
Een rechtspersoon die nog niet is opgericht kan geen rechtshandelingen verrichten. Een
natuurlijke persoon kan voor de oprichting van een rechtspersoon rechtshandelingen
verrichten namens de (toekomstige) naam van de rechtspersoon i.o. (in oprichting) om de
rechtspersoon na oprichting te binden aan de rechtshandeling. De handelende persoon moet
uitdrukkelijk de (toekomstige) naam van de rechtspersoon i.o. gebruiken.
2. Wie is aansprakelijk voor rechtshandelingen die worden aangegaan voor de oprichting van
de bv (privé aansprakelijkheid en aansprakelijkheid rechtspersoon)?
De rechtspersoon kan na zijn oprichting (en na inschrijving van de rechtspersoon in het
handelsregister) gebonden worden aan rechtshandelingen die worden verricht namens een
op te richten rechtspersoon als (het bestuur van) de rechtspersoon de rechtshandeling na de
oprichting uitdrukkelijk (het in klare taal zeggen of opschrijven) of stilzwijgend (het ligt
besloten in de gedragingen van de rechtspersoon dat de rechtspersoon gebonden wil zijn
aan de rechtshandeling) bekrachtigen (art. 2:93 lid 1 jo. 2:203 lid 1 BW). De verklaring van de
bekrachtiging is dus vormvrij (art. 3:37 lid 1 BW). De persoon die een rechtshandeling heeft
verricht namens een op te richten rechtspersoon is hoofdelijk verbonden aan de
rechtshandeling totdat de rechtspersoon de rechtshandeling heeft bekrachtigd (art. 2:93 lid 2
jo. 2:203 lid 2 BW) en na de bekrachtiging is de rechtspersoon verbonden aan de
rechtshandeling (art. 2:3 jo. 2:5 BW). Als de rechtspersoon zijn verplichtingen uit de
bekrachtigde rechtshandeling niet-nakomt, dan is de rechtspersoon in beginsel aansprakelijk
voor schade die een derde leidt door niet-nakoming van de rechtshandeling (art. 2:3 jo. 2:5
BW), maar de persoon die een rechtshandeling heeft verricht namens een op te richten
rechtspersoon of de bestuurder(s) die de rechtshandeling heeft bekrachtigd, zijn hoofdelijk
aansprakelijk, indien zij wisten of redelijkerwijs konden weten dat de vennootschap haar
verplichtingen niet zou kunnen nakomen (schadevergoedingsverbintenis). De wetenschap
dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen, wordt vermoed
aanwezig te zijn als de rechtspersoon binnen een jaar na de oprichting in staat van
faillissement wordt verklaard (rechtsvermoeden) (art. 2:93 lid 3 jo. 2:203 lid 3 BW). De regels
voor de verbondenheid van de bv (art. 2:203 lid 1 t/m lid 3 BW) zijn op overeenkomstige
toepassing op de andere privaatrechtelijke rechtspersonen (Stichting Diva-arrest).
3. Wie is aansprakelijk voor rechtshandelingen die worden aangegaan voor de inschrijving van
de bv in het handelsregister?
De bestuurders zijn verplicht de rechtspersoon te doen inschrijven in het handelsregister van
de Kamer van Koophandel (KvK) (art. 2:69 lid 1 jo. 2:180 lid 1 BW). De inschrijving is geen
voorwaarde voor de oprichting van de rechtspersoon, maar de bestuurders zijn naast de
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor rechtshandelingen (geen feitelijke handelingen)
waardoor de rechtspersoon wordt verbonden in het tijdvak voor de inschrijving van de
rechtspersoon in het handelsregister (art. 2:69 lid 2 jo. 2:180 lid 2 BW). De rechtspersoon kan
geen beroep doen op een statutaire vertegenwoordigingsonbevoegdheid van het bestuur of
een bestuurder tegenover een onkundige derde, indien de beperking of uitsluiting van de
, bevoegdheid niet, onjuist of onvolledig was ingeschreven in het handelsregister op het
moment van de rechtshandeling (goede trouw) (art. 2:6 lid 2 jo. lid 3 BW).
4. Wat zijn zekerheidsrechten?
De zekerheidsrechten zijn rechten die de schuldeiser zekerheid bieden ter voldoening van
een vordering op een schuldenaar. De schuldeiser (rechthebbende) is dus niet bevoegd om
het goed waarop het zekerheidsrecht rust te gebruiken. De zekerheidsrechten geven ook
voorrang boven andere schuldeisers (art. 3:277 lid 1 jo. 3:278 lid 1 BW).
1) Pand
Een beperkt recht strekkende om op de daaraan onderworpen niet-registergoederen een
vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen (art. 3:227 lid 1 BW). De schuldeiser die geld heeft uitgeleend onder de
voorwaarde dat hij een recht van pand krijgt op een niet-registergoed is de pandhouder.
De eigenaar van het verpande goed is de pandgever.
a) Vuistpand
Het goed komt in de macht van de pandhouder.
b) Bezitloos pand (stil pand)
Het goed blijft in de macht van de pandgever.
2) Hypotheek
Hypotheek is een recht strekkende om op de daaraan onderworpen registergoederen
een vordering ter voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te
verhalen (art. 3:227 lid 1 BW). De schuldeiser die geld heeft uitgeleend onder de
voorwaarde dat hij een recht van hypotheek krijgt op een registergoed is de
hypotheekhouder. De eigenaar van het goed waarop het hypotheekrecht rust is de
hypotheekgever.
5. Wat zijn de gemeenschappelijke kenmerken van pand en hypotheek?
De gemeenschappelijke kenmerken van pand en hypotheek zijn:
1) Beperkte rechten
Het pandrecht en het hypotheekrecht zijn absolute, beperkte rechten. De beperkte
rechten beperken het eigendomsrecht op goederen (art. 3:8 BW). De kenmerken van
beperkte rechten zijn:
a. Beperkte rechten zijn gevestigd op een goed.
b. Beperkte rechten werken tegenover iedereen.
c. Beperkte rechten hebben zaaksgevolg.
d. Een ouder recht gaat voor een jonger recht.
2) Zekerheidsrechten
Het pandrecht en het hypotheekrecht zijn beide zekerheidsrechten. De
zekerheidsrechten zijn rechten die een schuldeiser zekerheid bieden tot betaling van een
vordering door een schuldenaar.
3) Afhankelijke rechten
Het pandrecht en het hypotheekrecht zijn afhankelijke rechten. Een afhankelijk recht is
een recht dat aan een ander recht zodanig is verbonden, dat het niet zonder dat andere
recht kan bestaan (art. 3:7 BW). Het pandrecht en het hypotheekrecht kunnen niet
bestaan zonder de vordering waaraan zij zijn gekoppeld.
4) Voorrang bij verhaal
De pandhouder en de hypotheekhouder hebben een voorrangspositie ten opzichte van
andere schuldeisers bij verhaal. De pandhouder en de hypotheekhouder hebben
voorrang boven andere schuldeisers om hun vordering te verhalen op de goederen
waarop het recht van pand of hypotheek rust (art. 3:227 lid 1 jo. 3:277 lid 1 jo. 3:278 lid 1
jo. 3:279 BW).