OG week 2.2.8
Centrale vraag:
In hoeverre kan Pietersen het faillissement van Het Bakkertje B.V. aanvragen en wat zijn de gevolgen
daarvan?
Leerdoelen:
1. Wat is het insolventierecht?
Het insolventierecht omvat een aantal onderdelen:
1) Het faillissement gericht op liquidatie van het vermogen van de failliet.
2) De surseance van betaling gericht op het saneren van het vermogen van de sursiet.
3) De schuldsanering natuurlijke personen gericht op het saneren van de schuldenpositie van
natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen.
4) De bijzondere insolventieprocedures, zoals de noodregeling gericht op het saneren van het
vermogen van onder toezicht staande banken en verzekeraars (vergelijkbaar met surseance
van betaling).
2. Wat is een faillissement?
Het faillissement is gericht op het voorkomen van het ontstaan van nieuwe schulden die
onbetaald zullen blijven en op het voldoen van de schulden die reeds zijn ontstaan op een
ordentelijke wijze. Het faillissement is een maatregel voor een (rechts)persoon die in de toestand
verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen oftewel niet kan voldoen aan zijn opeisbare
verplichtingen (art. 1 lid 1 Faillissementswet), indien dit summierlijk blijkt uit feiten of
omstandigheden (art. 6 lid 3 Fw). De cumulatieve eisen van ‘de toestand te hebben opgehouden
met betalen’ van art. 1 lid 1 Fw zijn:
1) De schuldenaar heeft meer dan een schuldeiser/vordering. Als de schuldenaar maar een
schuldeiser onbetaald laat, dan kan de schuldenaar niet geacht worden in een toestand te
verkeren van te hebben opgehouden met betalen (pluraliteit van schuldeisers).
2) De schuldenaar heeft minstens een opeisbare vordering. Als de schuldenaar niet ten minste
een opeisbare vordering heeft, dan kan de schuldenaar niet geacht worden in een toestand
te verkeren van te hebben opgehouden met betalen.
3) De schuldenaar moet in de toestand verkeren van te hebben opgehouden met betalen ten
tijde van de uitspraak (declaratoire uitspraak).
3. Hoe loopt een faillissement?
De rechtbank spreekt de faillietverklaring uit op verzoek van de schuldenaar zelf (op eigen
aanvraag), een of meer schuldeisers of het Openbaar Ministerie om redenen van openbaar
belang (art. 1 lid 1 jo. lid 2 Fw), indien uit feiten of omstandigheden summierlijk blijkt dat de
schuldenaar in de toestand verkeert te hebben opgehouden met betalen en dat een eventuele
schuldeiser die het verzoek doet een vorderingsrecht daartoe heeft (art. 6 lid 3 Fw). De
procedure tot faillietverklaring wordt ingeleid met een verzoekschrift (art. 4 lid 1 Fw) die dient te
worden ondertekend door een advocaat (art. 5 lid 1 Fw). Het verzoekschrift wordt in de
raadkamer van de rechtbank met de meeste spoed behandeld (art. 4 lid 1 Fw). De rechtbank kan
de schuldenaar oproepen om gehoord te worden (art. 6 lid 1 Fw). De rechtbank benoemt bij de
faillietverklaring een of meer curatoren en een of meer rechter-commissarissen (art. 14 lid 1 Fw).
De duur van het faillissement hangt af van de omstandigheden van het geval en is meestal 6
maanden tot een jaar. Het faillissement wordt door de rechtbank geregistreerd in het Centraal
Insolventieregister (art. 19 lid 1 Fw). Als de faillietverklaring van een schuldenaar wordt verzocht,
dan kan de schuldenaar als verweer om de surseance van betaling of de schuldsanering
natuurlijke personen (binnen 14 dagen) verzoeken. Het verzoek tot surseance van betaling of tot
de schuldsanering natuurlijke personen wordt dan eerder behandeld dan het verzoek tot
, faillietverklaring (art. 218 lid 6 jo. 3a lid 1 Fw). Het verzoek tot faillietverklaring vervalt van
rechtswege als de schuldsanering natuurlijke personen wordt uitgesproken (art. 3a lid 3 Fw). Het
faillissement eindigt wanneer het faillissement wordt opgeheven wegen gebrek aan baten (art.
16 lid 1 Fw), de schulden van de schuldeisers geheel zijn voldaan, de slotuitdelingslijst
verbindend is geworden (art. 193 lid 1 Fw), het faillissement vereenvoudigd wordt afgewikkeld
(art. 137a Fw) of de homologatie van het onderhands akkoord in kracht van gewijsde is gegaan
(art. 161 Fw).
4. Wat zijn de gevolgen van een faillissement?
De gevolgen van het faillissement zijn:
1) Algemeen beslag
De curator legt een algemeen beslag op het faillissementsvermogen (boedel). De boedel
omvat het gehele vermogen van de failliet (bij gemeenschap van goederen ook zijn
echtgenoot of geregistreerde partner) ten tijde van de faillietverklaring en al hetgeen de
failliet (bij gemeenschap van goederen ook zijn echtgenoot of geregistreerde partner)
gedurende het faillissement verwerft (positieve vermogensbestanddelen) (art. 20 jo. 22 Fw),
met uitzonderingen van de goederen van art. 447 Rv jo. 21 Fw. Het actief (goederen van de
boedel) en het passief (schulden van de boedel) vermogen van de failliet wordt bevroren en
kan niet veranderen, met uitzondering van goederen die later zijn verkregen; vorderingen die
na de faillietverklaring zijn ontstaan, maar terug te voeren zijn op een wederkerige
overeenkomst die voor de faillietverklaring is gesloten; handelingen die de curator verricht
(art. 68 lid 1 Fw).
2) Beheer- en beschikkingsbevoegdheden (fixatiebeginsel)
De beschikkingsbevoegdheid is de bevoegdheid om tot de boedel behorende goederen te
vervreemden (overdragen) of te bezwaren (vestigen van beperkte rechten). De
beheersbevoegdheid is de overige bevoegdheden met betrekking tot het vermogen. De
failliet blijft eigenaar van de zaken die tot zijn boedel behoren, rechthebbende van de
overige bestanddelen van de boedel en volledig handelingsbekwaam, maar verliest zijn
beheers- en beschikkingsbevoegdheid over de boedel aan de curator vanaf het begin van de
dag (00:00 uur) waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken (terugwerkende kracht)(art.
23 jo. 68 lid 1 Fw). De curator voert het beheer en de vereffening van de boedel (art. 68 lid 1
Fw) en heeft voor bepaalde handelingen een machtiging van de rechter-commissaris nodig
(art. 68 lid 2 Fw). Als de curator een handeling van art. 68 lid 2 Fw verricht zonder machtiging
van de rechter-commissaris, dan is de handeling niet ongeldig, maar dan is de curator
tegenover de failliet en de schuldeisers aansprakelijk (art. 72 lid 1 Fw). De rechter-
commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel door de curator
(art. 64 Fw). De curator en niet de rechter-commissaris blijft zelf eindverantwoordelijk voor
het beheer en de vereffening.
3) Schorsing verhaal en executie
De schuldeiser kan niet individueel beslaglegen of individueel verhaal nemen op de boedel,
maar kan dat collectief onder leiding van de curator en onder toezicht van de rechter-
commissaris (collectieve executie/beslag). De gerechtelijke tenuitvoerleggingen op de boedel
en de gelegde beslagen (en niet de gevolgen daarvan) vervallen door de faillietverklaring en
de failliet die zich in gijzeling bevindt, wordt daaruit ontslagen (art. 33 lid 1 jo. lid 2 jo. lid 3
Fw), met uitzondering van de voor de faillietverklaring vastgestelde executoriale verkoop
(art. 34 Fw). De schorsing van verhaal en executie geldt niet ten aanzien van vorderingen
waaraan voorrang is verbonden (art. 57 lid 1 Fw).
4) Rechtsvorderingen (procesrechtelijke regels van praktische aard)
De rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten of plichten die behoren tot de
bedoel moeten worden ingesteld door of tegen de curator (art. 25 lid 1 Fw). De
rechtsvorderingen die geen betrekking hebben op de boedel kunnen door of tegen de failliet
worden ingesteld. De rechtsvorderingen die betrekking hebben op voldoening van een
Centrale vraag:
In hoeverre kan Pietersen het faillissement van Het Bakkertje B.V. aanvragen en wat zijn de gevolgen
daarvan?
Leerdoelen:
1. Wat is het insolventierecht?
Het insolventierecht omvat een aantal onderdelen:
1) Het faillissement gericht op liquidatie van het vermogen van de failliet.
2) De surseance van betaling gericht op het saneren van het vermogen van de sursiet.
3) De schuldsanering natuurlijke personen gericht op het saneren van de schuldenpositie van
natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen.
4) De bijzondere insolventieprocedures, zoals de noodregeling gericht op het saneren van het
vermogen van onder toezicht staande banken en verzekeraars (vergelijkbaar met surseance
van betaling).
2. Wat is een faillissement?
Het faillissement is gericht op het voorkomen van het ontstaan van nieuwe schulden die
onbetaald zullen blijven en op het voldoen van de schulden die reeds zijn ontstaan op een
ordentelijke wijze. Het faillissement is een maatregel voor een (rechts)persoon die in de toestand
verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen oftewel niet kan voldoen aan zijn opeisbare
verplichtingen (art. 1 lid 1 Faillissementswet), indien dit summierlijk blijkt uit feiten of
omstandigheden (art. 6 lid 3 Fw). De cumulatieve eisen van ‘de toestand te hebben opgehouden
met betalen’ van art. 1 lid 1 Fw zijn:
1) De schuldenaar heeft meer dan een schuldeiser/vordering. Als de schuldenaar maar een
schuldeiser onbetaald laat, dan kan de schuldenaar niet geacht worden in een toestand te
verkeren van te hebben opgehouden met betalen (pluraliteit van schuldeisers).
2) De schuldenaar heeft minstens een opeisbare vordering. Als de schuldenaar niet ten minste
een opeisbare vordering heeft, dan kan de schuldenaar niet geacht worden in een toestand
te verkeren van te hebben opgehouden met betalen.
3) De schuldenaar moet in de toestand verkeren van te hebben opgehouden met betalen ten
tijde van de uitspraak (declaratoire uitspraak).
3. Hoe loopt een faillissement?
De rechtbank spreekt de faillietverklaring uit op verzoek van de schuldenaar zelf (op eigen
aanvraag), een of meer schuldeisers of het Openbaar Ministerie om redenen van openbaar
belang (art. 1 lid 1 jo. lid 2 Fw), indien uit feiten of omstandigheden summierlijk blijkt dat de
schuldenaar in de toestand verkeert te hebben opgehouden met betalen en dat een eventuele
schuldeiser die het verzoek doet een vorderingsrecht daartoe heeft (art. 6 lid 3 Fw). De
procedure tot faillietverklaring wordt ingeleid met een verzoekschrift (art. 4 lid 1 Fw) die dient te
worden ondertekend door een advocaat (art. 5 lid 1 Fw). Het verzoekschrift wordt in de
raadkamer van de rechtbank met de meeste spoed behandeld (art. 4 lid 1 Fw). De rechtbank kan
de schuldenaar oproepen om gehoord te worden (art. 6 lid 1 Fw). De rechtbank benoemt bij de
faillietverklaring een of meer curatoren en een of meer rechter-commissarissen (art. 14 lid 1 Fw).
De duur van het faillissement hangt af van de omstandigheden van het geval en is meestal 6
maanden tot een jaar. Het faillissement wordt door de rechtbank geregistreerd in het Centraal
Insolventieregister (art. 19 lid 1 Fw). Als de faillietverklaring van een schuldenaar wordt verzocht,
dan kan de schuldenaar als verweer om de surseance van betaling of de schuldsanering
natuurlijke personen (binnen 14 dagen) verzoeken. Het verzoek tot surseance van betaling of tot
de schuldsanering natuurlijke personen wordt dan eerder behandeld dan het verzoek tot
, faillietverklaring (art. 218 lid 6 jo. 3a lid 1 Fw). Het verzoek tot faillietverklaring vervalt van
rechtswege als de schuldsanering natuurlijke personen wordt uitgesproken (art. 3a lid 3 Fw). Het
faillissement eindigt wanneer het faillissement wordt opgeheven wegen gebrek aan baten (art.
16 lid 1 Fw), de schulden van de schuldeisers geheel zijn voldaan, de slotuitdelingslijst
verbindend is geworden (art. 193 lid 1 Fw), het faillissement vereenvoudigd wordt afgewikkeld
(art. 137a Fw) of de homologatie van het onderhands akkoord in kracht van gewijsde is gegaan
(art. 161 Fw).
4. Wat zijn de gevolgen van een faillissement?
De gevolgen van het faillissement zijn:
1) Algemeen beslag
De curator legt een algemeen beslag op het faillissementsvermogen (boedel). De boedel
omvat het gehele vermogen van de failliet (bij gemeenschap van goederen ook zijn
echtgenoot of geregistreerde partner) ten tijde van de faillietverklaring en al hetgeen de
failliet (bij gemeenschap van goederen ook zijn echtgenoot of geregistreerde partner)
gedurende het faillissement verwerft (positieve vermogensbestanddelen) (art. 20 jo. 22 Fw),
met uitzonderingen van de goederen van art. 447 Rv jo. 21 Fw. Het actief (goederen van de
boedel) en het passief (schulden van de boedel) vermogen van de failliet wordt bevroren en
kan niet veranderen, met uitzondering van goederen die later zijn verkregen; vorderingen die
na de faillietverklaring zijn ontstaan, maar terug te voeren zijn op een wederkerige
overeenkomst die voor de faillietverklaring is gesloten; handelingen die de curator verricht
(art. 68 lid 1 Fw).
2) Beheer- en beschikkingsbevoegdheden (fixatiebeginsel)
De beschikkingsbevoegdheid is de bevoegdheid om tot de boedel behorende goederen te
vervreemden (overdragen) of te bezwaren (vestigen van beperkte rechten). De
beheersbevoegdheid is de overige bevoegdheden met betrekking tot het vermogen. De
failliet blijft eigenaar van de zaken die tot zijn boedel behoren, rechthebbende van de
overige bestanddelen van de boedel en volledig handelingsbekwaam, maar verliest zijn
beheers- en beschikkingsbevoegdheid over de boedel aan de curator vanaf het begin van de
dag (00:00 uur) waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken (terugwerkende kracht)(art.
23 jo. 68 lid 1 Fw). De curator voert het beheer en de vereffening van de boedel (art. 68 lid 1
Fw) en heeft voor bepaalde handelingen een machtiging van de rechter-commissaris nodig
(art. 68 lid 2 Fw). Als de curator een handeling van art. 68 lid 2 Fw verricht zonder machtiging
van de rechter-commissaris, dan is de handeling niet ongeldig, maar dan is de curator
tegenover de failliet en de schuldeisers aansprakelijk (art. 72 lid 1 Fw). De rechter-
commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel door de curator
(art. 64 Fw). De curator en niet de rechter-commissaris blijft zelf eindverantwoordelijk voor
het beheer en de vereffening.
3) Schorsing verhaal en executie
De schuldeiser kan niet individueel beslaglegen of individueel verhaal nemen op de boedel,
maar kan dat collectief onder leiding van de curator en onder toezicht van de rechter-
commissaris (collectieve executie/beslag). De gerechtelijke tenuitvoerleggingen op de boedel
en de gelegde beslagen (en niet de gevolgen daarvan) vervallen door de faillietverklaring en
de failliet die zich in gijzeling bevindt, wordt daaruit ontslagen (art. 33 lid 1 jo. lid 2 jo. lid 3
Fw), met uitzondering van de voor de faillietverklaring vastgestelde executoriale verkoop
(art. 34 Fw). De schorsing van verhaal en executie geldt niet ten aanzien van vorderingen
waaraan voorrang is verbonden (art. 57 lid 1 Fw).
4) Rechtsvorderingen (procesrechtelijke regels van praktische aard)
De rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten of plichten die behoren tot de
bedoel moeten worden ingesteld door of tegen de curator (art. 25 lid 1 Fw). De
rechtsvorderingen die geen betrekking hebben op de boedel kunnen door of tegen de failliet
worden ingesteld. De rechtsvorderingen die betrekking hebben op voldoening van een