1.1a
07/10/19
Amanda
,Hoofdstuk 1 Inleiding
1. Basale functies van levende organismen
Reactievermogen, groei, voortplanting, beweging en stofwisseling
2. Relatie anatomie en fysiologie
Anatomie is de studie van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke relaties
tussen lichaamsdelen. Fysiologie is de studie van de manier waarop levende
organismen hun vitale functies verrichten.
3. Belangrijkste organisatieniveaus
Chemische niveau, Celniveau, Weefselniveau, Orgaan niveau, Orgaanstelsel niveau,
Organismeniveau.
4. De elf orgaanstelsel
De huid, het beenderenstelsel, het spierstelsel, het zenuwstelsel, endocriene stelsel,
cardiovasculair stelsel, lymfestelsel, ademhalingsstelsel, spijsverteringstelsel,
urinaire stelsel, voortplanting stelsel.
5. Homeostase
Het interne milieu op peil houden. (Evenwicht)
Receptor: gevoelig voor een bepaalde verandering in de omgeving, oftewel een
prikkel.
Besturingscentrum: ontvangt informatie van receptor, verwerkt
Een effector (een cel of orgaan): die reageert op de signalen van het
besturingscentrum, waarvan de werking de prikkel tegengaat of versterkt.
6. Negatieve en positieve terugkoppeling
Negatieve: streven naar evenwicht (reguleren lichaamstemperatuur)
Positief: versterken (reguleren van mogelijke belastende processen die snel moeten
worden voltooid bijv. bloedstolling)
7. Anatomische termen
https://www.youtube.com/watch?v=UjFgukFcsds
, 8. Lichaamsholten
Lichaamsholten beschermen kwetsbare organen en laten veranderingen van de
omvang en vorm van viscerale organen toe. Borst, buik en bek holten en
diafragma(middenrif). De longen en de borstholten zijn bekleed door gladde sereuze
membranen, de pleurabladen. Produceren vocht → wrijving minder