KT1805 Uro-genitaal systeem en Statistiek
Week 4.1
HC.1 Ontwikkeling placenta
Bevruchting en implantatie
Aan de uterus zitten twee tubiae (eileiders), waar fimbriae (vingers) aan zitten. Deze fimbriae pakken
een eitje (geproduceerd in het ovarium) op. Na de eisprong komt het eitje in de buikholte terecht,
waar het dus opgepakt wordt en naar de uterus gebracht wordt. Bevruchting moet in een bepaalde
regio plaatsvinden, anders is het te laat. Dit is de ampulla, het middelste, vrij wijde deel van de
eileider.
Tuba uterina (eileider)
• Dichtbij de uterus: klein rond mondje
• Verder naar de fimbriae: grotere oppervlakte
• Lagen met gladde spiercellen die kunnen contraheren → peristaltiek, waardoor het eitje in de
uterus komt
Zona pellucida
Doorschijnende, beschermende laag die om de bevruchte eicel heen ligt en implantatie van de
vroege embryo in de tuba voorkomt. Dit voorkomt een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.
Eerste vijf dagen na bevruchting
• Dag 0: ovulatie en bevruchting
o Vindt plaats in de ampulla van de eileider
o Eicel is nu in het pronucleus-stadium: mannelijke en vrouwelijke kernen smelten
samen
• Dag 1: zygote ondergaat eerste celdeling → 2-cell stage
• Dag 2: nieuwe celdelingen → 4-cell stage
, • Dag 3: nog meer delingen → 8-cell stage
• Bovenstaande celdelingen zijn klievingsdelingen: de bevruchte eicel deelt zich zonder groter
te worden, waarbij de zona pellucida de cellen omhult als een schil
• Dag 4: compactie van cellen → er ontstaat een morula, compacte bol van cellen die vocht
aantrekken
• Dag 5: cellen organiseren zich in een met vloeistof gevulde structuur → blastocyt
o Blastocyt begint uit de zona pellucida te komen om zich klaar te maken voor
innesteling in de baarmoederwand (hatching)
Uterus lagen
• Lumen: embryo beweegt zich hier in
• Endometrium: baarmoederslijmvlies, binnenbekleding van de baarmoeder, bestaat uit klier-
en steunweefsel (stroma)
o Stratum basale: altijd aanwezig, zorgt voor regeneratie van de functionele laag en
bevat de basale delen van de klieren
o Stratum functionale: wordt iedere cyclus op- en afgebouwd
• Myometrium: dikke laag glad spierweefsel, verantwoordelijk voor het samentrekken van de
baarmoeder.
o Longitudinale spierlagen aan de binnen- en buitenkant
o Stratum vasculare: bloedvaten tussen de spierlagen
o Circulaire spierlagen rondom bloedvaten en centraal
• Perimetrium: een dun laagje bindweefsel dat bekleed is met mesotheel (plaveiselepitheel)
o Functie: bescherming en verbinding van de baarmoeder met omliggende structuren
in het bekken
Uterus vascularisatie
De uterus wordt gevasculariseerd door 6-10 anastomoserende (onderling verbonden) boogarteriën
die zich bevinden in het stratum vasculare, midden in het myometrium. Vanuit deze boogarteriën
,lopen de radiale arteriën recht naar het endometrium toe. Deze radiale
arteriën splitsen vervolgens in twee delen:
1. Rechte arteriën: vasculariseren het stratum basale
2. Spiraalarteriën: lopen het stratum functionale in, zijn gekronkeld
(meer weerstand → functioneel, want deze gaan dan snel dicht
zitten bij contractie na een bevalling) en kunnen veranderen
afhankelijk van hormonale invloeden → spelen een grote rol bij
het op- en afbouwen van het endometrium in de
menstruatiecyclus
Cyclische veranderingen endometrium
• Dag 1-5: menstruatie
• Dag 6-14: proliferatie
o Er komen veel klieren bij en cellen groeien door
toename van volume (buisjes worden langer)
• Dag 15-28: secretie
o Weefsel zwelt op
o Klieren groeien, spiraliseren en verwijden
• Innesteling → embryo gaat stoffen produceren als cytokines, prostaglandines, HCG →
baarmoederslijmvlies gaat lokaal verder veranderen → stromacellen: lipide accumulatie,
glycogeen opslag, angiogenese
Blastocyst
De blastocyst bestaat uit twee onderdelen:
De buitenste laag, ook wel trofoblast: deze cellen wurmen zich door het epitheel van het
baarmoederslijmvlies
De binnenste laag, ook wel embryoblast: deze cellen gaan zich ontwikkelen tot een foetus
De placenta: Implantatie
1) Appositie en adhesie: de blastocyst vindt de juiste positie en de trofoblast zorgt voor
hechting aan het epitheel van het endometrium. De trofoblast differentieert vervolgens in
twee lagen: de syncytiotrofoblast (meerkernig, zonder duidelijke celgrenzen) en de
cytotrofoblast (mononucleaire cellen)
, 2) Penetratie en interstitiële implantatie: de syncytiotrofoblast scheidt enzymen af die het
endometrium afbreken, waardoor de blastocyst zich in het endometrium kan nestelen. De
syncytiotrofoblast krijgt vingerachtige uitstulpingen, lacunae. De uitgescheiden enzymen
breken ook de wanden van capillairen in het endometrium af, waardoor bloed vrij komt (rode
vlekken). De embryoblast differentieert tot twee lagen: de epiblast en de hypoblast, die
samen de kiemschijf vormen. Tussen de epiblast en de trofoblast ontstaat een amnionholte.
De hypoblast bekleedt de blastocelholte, die nu de dooierzak wordt genoemd. Op de plaats
waar de blastocyst het endomtrium is binnengedrongen, begint zich een fibrineplug te
vormen.
3) Vroege placentavorming: de lacunae in de syncytiotrofoblast vullen zich met het maternale
bloed (door de kapotte capillairen), dat is het begin van de utero-placentaire circulatie. Het
Week 4.1
HC.1 Ontwikkeling placenta
Bevruchting en implantatie
Aan de uterus zitten twee tubiae (eileiders), waar fimbriae (vingers) aan zitten. Deze fimbriae pakken
een eitje (geproduceerd in het ovarium) op. Na de eisprong komt het eitje in de buikholte terecht,
waar het dus opgepakt wordt en naar de uterus gebracht wordt. Bevruchting moet in een bepaalde
regio plaatsvinden, anders is het te laat. Dit is de ampulla, het middelste, vrij wijde deel van de
eileider.
Tuba uterina (eileider)
• Dichtbij de uterus: klein rond mondje
• Verder naar de fimbriae: grotere oppervlakte
• Lagen met gladde spiercellen die kunnen contraheren → peristaltiek, waardoor het eitje in de
uterus komt
Zona pellucida
Doorschijnende, beschermende laag die om de bevruchte eicel heen ligt en implantatie van de
vroege embryo in de tuba voorkomt. Dit voorkomt een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.
Eerste vijf dagen na bevruchting
• Dag 0: ovulatie en bevruchting
o Vindt plaats in de ampulla van de eileider
o Eicel is nu in het pronucleus-stadium: mannelijke en vrouwelijke kernen smelten
samen
• Dag 1: zygote ondergaat eerste celdeling → 2-cell stage
• Dag 2: nieuwe celdelingen → 4-cell stage
, • Dag 3: nog meer delingen → 8-cell stage
• Bovenstaande celdelingen zijn klievingsdelingen: de bevruchte eicel deelt zich zonder groter
te worden, waarbij de zona pellucida de cellen omhult als een schil
• Dag 4: compactie van cellen → er ontstaat een morula, compacte bol van cellen die vocht
aantrekken
• Dag 5: cellen organiseren zich in een met vloeistof gevulde structuur → blastocyt
o Blastocyt begint uit de zona pellucida te komen om zich klaar te maken voor
innesteling in de baarmoederwand (hatching)
Uterus lagen
• Lumen: embryo beweegt zich hier in
• Endometrium: baarmoederslijmvlies, binnenbekleding van de baarmoeder, bestaat uit klier-
en steunweefsel (stroma)
o Stratum basale: altijd aanwezig, zorgt voor regeneratie van de functionele laag en
bevat de basale delen van de klieren
o Stratum functionale: wordt iedere cyclus op- en afgebouwd
• Myometrium: dikke laag glad spierweefsel, verantwoordelijk voor het samentrekken van de
baarmoeder.
o Longitudinale spierlagen aan de binnen- en buitenkant
o Stratum vasculare: bloedvaten tussen de spierlagen
o Circulaire spierlagen rondom bloedvaten en centraal
• Perimetrium: een dun laagje bindweefsel dat bekleed is met mesotheel (plaveiselepitheel)
o Functie: bescherming en verbinding van de baarmoeder met omliggende structuren
in het bekken
Uterus vascularisatie
De uterus wordt gevasculariseerd door 6-10 anastomoserende (onderling verbonden) boogarteriën
die zich bevinden in het stratum vasculare, midden in het myometrium. Vanuit deze boogarteriën
,lopen de radiale arteriën recht naar het endometrium toe. Deze radiale
arteriën splitsen vervolgens in twee delen:
1. Rechte arteriën: vasculariseren het stratum basale
2. Spiraalarteriën: lopen het stratum functionale in, zijn gekronkeld
(meer weerstand → functioneel, want deze gaan dan snel dicht
zitten bij contractie na een bevalling) en kunnen veranderen
afhankelijk van hormonale invloeden → spelen een grote rol bij
het op- en afbouwen van het endometrium in de
menstruatiecyclus
Cyclische veranderingen endometrium
• Dag 1-5: menstruatie
• Dag 6-14: proliferatie
o Er komen veel klieren bij en cellen groeien door
toename van volume (buisjes worden langer)
• Dag 15-28: secretie
o Weefsel zwelt op
o Klieren groeien, spiraliseren en verwijden
• Innesteling → embryo gaat stoffen produceren als cytokines, prostaglandines, HCG →
baarmoederslijmvlies gaat lokaal verder veranderen → stromacellen: lipide accumulatie,
glycogeen opslag, angiogenese
Blastocyst
De blastocyst bestaat uit twee onderdelen:
De buitenste laag, ook wel trofoblast: deze cellen wurmen zich door het epitheel van het
baarmoederslijmvlies
De binnenste laag, ook wel embryoblast: deze cellen gaan zich ontwikkelen tot een foetus
De placenta: Implantatie
1) Appositie en adhesie: de blastocyst vindt de juiste positie en de trofoblast zorgt voor
hechting aan het epitheel van het endometrium. De trofoblast differentieert vervolgens in
twee lagen: de syncytiotrofoblast (meerkernig, zonder duidelijke celgrenzen) en de
cytotrofoblast (mononucleaire cellen)
, 2) Penetratie en interstitiële implantatie: de syncytiotrofoblast scheidt enzymen af die het
endometrium afbreken, waardoor de blastocyst zich in het endometrium kan nestelen. De
syncytiotrofoblast krijgt vingerachtige uitstulpingen, lacunae. De uitgescheiden enzymen
breken ook de wanden van capillairen in het endometrium af, waardoor bloed vrij komt (rode
vlekken). De embryoblast differentieert tot twee lagen: de epiblast en de hypoblast, die
samen de kiemschijf vormen. Tussen de epiblast en de trofoblast ontstaat een amnionholte.
De hypoblast bekleedt de blastocelholte, die nu de dooierzak wordt genoemd. Op de plaats
waar de blastocyst het endomtrium is binnengedrongen, begint zich een fibrineplug te
vormen.
3) Vroege placentavorming: de lacunae in de syncytiotrofoblast vullen zich met het maternale
bloed (door de kapotte capillairen), dat is het begin van de utero-placentaire circulatie. Het