Samenvatting
Leereenheid 1 - Goederenrecht en goederen
W.H. van Boom, Goederen- en zekerhedenrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023,
hoofdstukken 2 en 3.
Hoofdstuk 2 – Een eerste overzicht
2.1 Vermogensrecht in het algemeen
ALGEMEEN
Het vermogensrecht regelt alle rechtsverhoudingen die verband houden met
het vermogen van personen. De kern van dit rechtsgebied ligt in het BW van
1992, maar aanvullende regels zijn ook buiten het BW te vinden.
Een vermogen bestaat uit twee bestanddelen: goederen en schulden.
Goederen zijn onder meer banktegoeden, vorderingen, aandelen of eigendom
van zaken; schulden zijn de verplichtingen jegens derden. Samen vormen zij het
verhaalsvermogen van een persoon (art. 3:276 BW) (zie Figuur 1).
Figuur 1: Vermogen
Het vermogensrecht wordt onderverdeeld in:
het goederenrecht (Boeken 3 en 5 BW), dat zich bezighoudt met:
o de classificatie van goederen (art. 3:1 BW),
o de verhouding tussen personen en goederen,
o de verkrijging/verlies van goederen,
o de vaststelling van iemands vermogen,
o het verhaal, de uitwinning en rangorde van schuldeisers;
het verbintenissenrecht (Boeken 3 en 6 BW), dat ziet op:
o het ontstaan, de inhoud en het einde van verbintenissen,
1
, o bescherming van contractuele aanspraken,
o aansprakelijkheid bij schade en bescherming tegen ongewenst
gedrag.
Figuur 2: Vermogensrecht
Het verbintenissenrecht onderscheidt verbintenissen:
uit de wet, zoals bij onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of
onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW),
uit rechtshandeling, zoals bij benoemde (bijv. koop, huur) of
onbenoemde overeenkomsten.
Naast Boek 3 vallen ook onderdelen van het BW onder het vermogensrecht,
zoals:
het relatievermogensrecht (Boek 1),
het erfrecht (Boek 4),
bijzondere overeenkomsten (Boeken 7 en 8),
en buiten het BW: bijv. de Wet giraal effectenverkeer.
2
,Boek 3 BW bevat het objectieve vermogensrecht: het geheel van rechtsregels
dat op vermogensverhoudingen van toepassing is, ongeacht wie de partij is
(natuurlijke persoon of rechtspersoon).
Een rechtspersoon (zoals een BV of stichting) wordt voor het goederenrecht
gelijkgesteld met een natuurlijk persoon (art. 2:5 BW), tenzij anders bepaald. In
het verbintenissenrecht wordt soms wél onderscheid gemaakt, met name bij
consumentenbescherming.
ABSOLUTE EN RELATIEVE RECHTEN
Binnen het vermogensrecht onderscheiden we subjectieve rechten in:
relatieve rechten: jegens een bepaalde persoon (bijv. vorderingsrecht);
absolute rechten: tegenover iedereen afdwingbaar (bijv. eigendom).
Bijvoorbeeld:
A heeft op grond van een overeenkomst een vordering op B (relatief recht,
art. 3:296 BW);
A heeft eigendom van een stuk grond (absoluut recht, art. 5:1 lid 2 BW),
en kan dat recht tegen eenieder inroepen, ook met een revindicatie (art.
5:2 BW).
Een absoluut recht geeft een exclusieve aanspraak op een goed en verplicht
ieder ander zich te onthouden van inbreuk.
HET BEGRIPPENAPPARAAT: ‘GOED’ ALS GENUS
Het goederenrecht hanteert een systematisch begrippenapparaat van genus
en species:
Goederen (art. 3:1 BW) omvatten:
o Zaken (art. 3:2 BW): stoffelijke objecten (bijv. auto, huis),
o Vermogensrechten (art. 3:6 BW): rechten die:
1. overdraagbaar zijn,
2. ertoe strekken stoffelijk voordeel te verschaffen,
3. zijn verkregen in ruil voor voordeel (of verwachting daarvan).
3
, Voorbeelden van vermogensrechten: vorderingen, intellectuele eigendom,
aandelen, beperkte rechten (vruchtgebruik, erfdienstbaarheid).
Let op: begrippen uit de boekhouding (zoals activa/passiva) of economie zijn niet
één-op-één gelijk aan juridische begrippen als vermogen, goederen of schulden.
Juridisch betekent 'goed' iets anders dan boekhoudkundig ‘activa’.
2.2 Een aantal beginselen en uitgangspunten
Deze paragraaf introduceert de belangrijkste juridische fundamenten van het
goederenrecht. De besproken beginselen kennen in de praktijk talloze
uitzonderingen en nuanceringen, maar vormen het theoretische uitgangspunt
van het Nederlandse vermogensrecht.
HET MEEST OMVATTENDE RECHT: EIGENDOM
Eigendom (art. 5:1 BW) is het meest omvattende absolute recht dat een
persoon op een zaak (art. 3:2 BW) kan hebben. Het recht omvat de
bevoegdheid tot:
gebruik (usus, art. 5:1 lid 2 BW),
vruchtgebruik (fructus, art. 5:1 lid 3 BW),
vernietiging of vervreemding (abusus),
het dragen van het risico (casum sentit dominus),
exclusieve revindicatie (art. 5:2 BW).
Eigendom is:
onbeperkt in tijd,
onbeperkt in doel of functie,
vrij overdraagbaar (art. 3:83 BW),
4